5 juni 1588. Pinksteren valt dit jaar op de eerste zondag van de maand en daardoor gaat de processie rond op deze hoogdag. De bisschop heeft geen specifieke opdrachten voor wie en wat we moeten bidden vandaag. Het weer is dartel, de eerste zomerdagen verjagen de laatste donkere gedachten aan de voorbije wintermaanden. Ongelooflijk toch hoe snel alles weer vergeten is.
Ook de hele volgende week genieten we van het licht, en blijkbaar zal de zon straks weer vergezeld worden van een nest zuiderse huurlingen. Dat verneem ik in elk geval op woensdagmorgen. Mijn barbier kijkt me meewarig aan. ‘Weet je dat dan niet?’, vraagt hij verwonderd en dan heeft hij het over een leger van wel drieduizend Italianen die hoogstwaarschijnlijk hun weg zullen zoeken door de straten van Ieper. Hun komst wordt voorafgegaan door een stroom van landlieden die op zoek gaan naar hun beesten die volgens hen wat te ver buiten de stad staan om te grazen. Diezelfde woensdag maken Ierse soldaten acht koeien buit aan het ‘Schaekske’. Rond 15u begint de verwachte doortocht van het leger. De voorhoede bestaat voornamelijk uit trommelaars en die zorgen er wel voor dat de Italianen niet onopgemerkt zullen passeren.
Ze arriveren vanuit de Zonnebekestraat. Een aardige mengeling van wagens en karren houdt halt aan de Torhoutpoort, straks zullen de mannen verder opschuiven richting Langemark. Op de vestingen krioelt het van de Ieperlingen waar ook Augustijn van Hernighem niet ontbreekt. We zijn helemaal niet nieuwsgierig maar we hebben het toch wel graag allemaal zelf gezien. De commentaar zal straks wel volgen in onze taveernes. Die van mij is natuurlijk exclusief bestemd voor mijn privé dagboek. Tussen de voorposten van de stoet soldaten bemerk ik hier en daar wel een Italiaan. De meesten zijn Spanjaarden. Na die eerste passage mogen we de hoofdmeute verwachten.
Al opnieuw voorafgegaan door trommelaars die de lucht zeker een half uur aan een stuk vullen met hun geroffel. In hun zog paraderen zeker honderd musketschieters die hun blinkende geweren en lansen voor zich uit dragen en de weg volgen van de wagens richting Langemark. Daarna komen eindelijk de echte Italianen aan de beurt. Zeker vijftien vendels, het zullen inderdaad wel ongeveer drieduizend onvervalste krijgslieden zijn. Achteraf komen velen onder hen terug om een kan bier te drinken in onze binnenstad. Toch is de doortocht nog niet voorbij. Nieuwe trommelgeluiden kondigen een leger van zeker evenveel oude Italianen aan, mannen die hier al een hele tijd in Vlaanderen rondlopen en van die laatste lieden krijgen we er heel wat te logeren hier in Ieper.
9 juni 1588. De meeste soldaten uit de dertig vendels (het moeten er zeker vijfduizend zijn) hebben hun kamp opgeslagen in Langemark. Hun leidinggevenden kunnen er blijkbaar niet om lachen dat veel van die manschappen de gezelligheid van Ieper-stad verkiezen boven hun eigen tenten. Die donderdagmorgen krijgen onze schepenen al direct het bezoek van twee sergeanten. Met de pertinente vraag of ze een publicatie willen laten verschijnen dat hun soldaten er als de bliksem moeten voor zorgen dat ze hier weg zijn of dat ze allemaal naar de galg zullen worden gestuurd. Dat geldt trouwens ook voor hun Ieperse gastheren. Het is nog geen zeven uur in de morgen als elkeen morrend, zagend en klagend en met een ‘lang gat’ via de Langemarkstraat wegstapt naar zijn basiskamp.
De Langemarknaars die zitten natuurlijk wel met de vreemdelingen opgeschept. Tijdens de nacht van donderdag op vrijdag slaan de klokken van de kerk daar groot alarm. In de vooravond hebben twaalf landlieden bescherming gezocht in de kerk en daar worden ze tijdens de nachtelijke uren aangevallen door zeker veertig Spanjaarden die zelf wilden overnachten in het gebouw. Het was wel zo dat ze niemand gedood hebben. Voor het overige namen ze natuurlijk de hele inboedel in beslag.
Zaterdag 11 juni 1588. De Spanjaarden en de Italianen genieten volop van het zomerweer en zuipen als de beesten. Het bier in de Westhoek is blijkbaar goedkoop en de brouwers kunnen niet snel genoeg leveren daar in Langemark. Hun gewone brouwsels worden er als water gedronken en de zuiderlingen hebben het liever wat straffer. Alexander Farnese heeft dat natuurlijk ook wel door en die laat een plakkaat verschijnen dat onze brouwers geen sterker bier mogen brouwen dat meer dan zes pond per ton kost. Barcelonezen en Spanjaarden hebben ondertussen Boezinge ontdekt. Meer bepaald de koebeesten die ze overal gaan meedrijven.
Uiteraard gebeurt dat zeer tegen de zin van de landlieden. Jan Heyde, een pachter van de Ieperse tresorier Pieter Renier kan er niet mee leven dat ze hier zomaar zijn broodwinning komen stelen en gaat achter zijn hoornvee aan. De arme man waagt zich wel veel te ver in zijn achtervolging en bekoopt dat met de dood. Enkele Spaanse soldaten hakken op hem in en schieten er op los. Dat ontdekt zijn knecht pas in de loop van de nacht wanneer hij haast op het lijk van Jan Heyde botst. Zijn baas werd boven de wenkbrauwen geraakt met een hakmes en was meerdere keren doorschoten. De knecht laadt het lichaam van Heyde op zijn wagen. Zijn twee paarden brengen hem naar zijn woonst aan de achterzijde van de zwarte zusters. Van de dode geen kwaad, ik had meermaals het genoegen om zaken te doen met Jan Heyde, een doodbrave man, een betere pachter dan hem zal je nog moeilijk kunnen vinden. Vanavond branden we een kaarsje voor zijn ziel.
–
Uit del 8 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Dagboek van Augustijn –


