banner
nov 28, 2018
1986 Views

Claey Van Dycke, de lange schoenlapper

Written by

Een hele bende landlieden vergezeld van twintig soldaten uit het kasteel van Komen volgen de avonturier op zijn weg terug naar Zandvoorde. De rebellen rusten inderdaad nog altijd uit daar bij de molen. Naast de schildwacht zitten twee Oostendenaars gezellig te keuvelen.

banner

11 juli 1592. Rond 2u in de nacht bestormen de Ossies de woning van jonkvrouw van De Klijte. De rebellen proberen over de wal van haar landhuis te geraken. Gelukkig is ze op dat moment niet alleen. De mannen in haar gezelschap slaan alarm met ketels en pannen, ‘een lawaai van al de duivels’, zoals mijn moeder vroeger zou gezegd hebben, terwijl ze moord en brand schreeuwen. Vreemd genoeg kiezen de Oostendenaars het hazenpad zonder verder enig kwaad uit te richten. Drie dagen later, op 14 juli infiltreren achttien Oostendenaars de streek van Wervik en Komen. Hun zoektocht naar gijzelaars levert deze keer wel succes op: vier pachters.

Terwijl negen rebellen alvast met hun gijzelaars vertrekken wil de rest nog enkele bijkomende gevangenen maken. Ondertussen zijn de vrouwen van de ontvoerde pachters erg bedroefd om het verlies van hun mannen. Ze betalen een som geld aan een of andere avonturier uit de buurt om even poolshoogte te gaan nemen waar ze zich mogelijk kunnen bevinden. De zoektocht levert succes op, onze waaghals ontdekt dat ze momenteel in beschutting zitten rond de molen van Zandvoorde. De schildwacht van de geuzen merkt de bespiedende Komenaar niet eens op. Die kent de gevangen pachters allemaal persoonlijk. Hij loopt zo snel als zijn benen hem kunnen dragen de heuvel naar beneden, zeker vier mijl naar Komen waar hij helemaal bezweet en hijgend vertelt waar ze hun mannen kunnen vinden.

Een hele bende landlieden vergezeld van twintig soldaten uit het kasteel van Komen volgen de avonturier op zijn weg terug naar Zandvoorde. De rebellen rusten inderdaad nog altijd uit daar bij de molen. Naast de schildwacht zitten twee Oostendenaars gezellig te keuvelen. De Komenaars herkennen onmiddellijk de hen welbekende ‘lange Claey’ die daar losjes in zijn hemdsmouwen zit te genieten van de zwoele zomeravond. Een uur later vallen ze de rebellen van alle kanten aan. De schildwacht ziet daarbij niet eens de kans om alarm te slaan. Zo kunnen de fortuinlijke Komenaars de vier pachters bevrijden en vangen ze zes levende Ossies. De zevende blijkt een Engelsman die ooit nog gediend heeft voor kapitein Lamsaem. Die vertikt het om zich over te geven en vecht zichzelf letterlijk dood.

Alles beter dan uitgeleverd te worden aan het gerecht van Ieper. De zes gevangen rebellen worden op hun beurt gevangengezet in het kasteel van Komen. Bij het aanbreken van de ochtend vertrekt een boodschapper naar de baljuw van de kasselrij van Ieper. Als ze daar goesting hebben om de gevangenen in handen te krijgen dan kunnen ze die krijgen voor twaalf pond de man. Geld dat per kerende meegegeven wordt. Ze moeten in Ieper inderdaad wel heel gelukkig zijn met de vangst. Het heuglijke nieuws zorgt voor een rilling van sensatie in de stad. Kort na de middag gaan de kerkklokken plots heftig luiden, de Ieperlingen vermoeden dat ze de komst van de geuzen signaleren en haasten zich met honderden tegelijk naar de Mesenpoort. Wees maar gerust dat ondergetekende Augustijn van Hernighem eveneens van de partij is. Toch zullen we nog wat geduld moeten uitoefenen. De uitlevering is pas voorzien voor morgen.

16 juli 1592. Die morgen van daarstraks is al vandaag geworden. Gek toch hoe de tijd altijd maar onverstoord zijn weg naar de toekomst voortzet. Bovendien nog sneller dan verwacht. Al om 6u verwittigt de poortklok aan de Mesenpoort dat de aankomst van de Ossies nakend is. Gisteren had ik het over honderden nieuwsgierigen, wel vanmorgen zijn dat er duizenden. De karavaan uit Komen wordt daarbij nog gevolgd door heel veel landlieden en soldaten van het Komense kasteel. Er lopen zelfs mannen bij van Rijsel en Menen. Aan het Zaalhof krioelt het van de mensen, zoveel toeschouwers dat het amper te geloven is op deze zomerse morgen.

De eerste drie gevangenen komen nu tevoorschijn. Aan elkaar vastgeknoopt met de lange Claey centraal. Nog altijd in zijn hemd, precies zoals hij opgepakt werd. Ik sta er niet al te ver vandaan en herken hem direct: deze man is een geboren Ieperling. De andere drie gevangenen komen wat later voor de pinnen. Engelsen. De kapitein van Menen zit met een gevangen sergeant in Oostende die men daar niet wil lossen. De man is blijkbaar een uitstekende oorlogsman. Omdat het plakkaat van de koning duidelijk stipuleert dat het verboden is om nog gevangenen uit te wisselen met de vijand, sturen ze een boodschapper naar het Hof met het verzoek of hier in dit geval geen uitzondering kan op gemaakt worden. Drie Engelsen in ruil voor één sergeant en als het niet mogelijk is dan zullen de drie gevonnist worden in Ieper.

17 juli 1592. De drie ‘Vlaamse’ Oostendenaars worden scherp ondervraagd door de mannen van ‘de leene’. Iedereen kent natuurlijk Claey Van Dycke, in de wandeling meestal omschreven als ‘lange Claey’ of ‘kwade Claey’. Justitie noteert al hetgeen hij al dan niet bekent. Die avond krijgt hij een pater van de jezuïeten op bezoek. Meestal is dat een slecht voorteken. Claey kan zeker niet beschouwd worden als een soldaat en een meeloper maar zeker als aanvoerder van de vrijbuiters. Ook zijn twee kompanen krijgen de boodschap dat ze zich best kunnen klaarmaken om te sterven.

18 juli 1592. Al de gevangenen worden vanuit hun cellen aan het Zaalhof naar het gebouw van de kasselrij op de markt gebracht. Een jonge gast uit Dikkebus, een kerel van drieëntwintig, mag de spits afbijten. Hij heeft de doodslag op een dorpsgenoot op zijn geweten. Allemaal voortgekomen uit een banale ruzie om een jong meisje waarop de beschuldigde hem een messteek had toegediend. De dode Dikkebusnaar was zo te horen ook maar een moeilijke mens en niemand in zijn dorp heeft zijn dood betreurd. Maar dat doet natuurlijk niet ter zake voor de baljuw: de jongen wordt veroordeeld om in levende lijve ter dood gebracht te worden met het zwaard.

Dat zal gebeuren op het schavot voor het podium voor het kasselrijhuis waar ze ondertussen alles in gereedheid brengen voor de executie. Dan is het de beurt aan de andere twee Oostendenaars. Meneer Langemersch, de baljuw van de Zale zal weldra de aanklachten voorlezen. Het zijn twee Walen. Een van hen komt uit Lens in Artesië en de andere van Kaaster bij Eeke, ze zijn allebei rond de dertig jaar jong. Omdat ze betrapt werden als vrijbuiters zullen ze opgeknoopt worden, hier ter plekke aan de ‘potente’ op de markt. Hun goederen worden verbeurd verklaard en aangeslagen door de koning himself, iets wat in de taal van het gerecht omschreven wordt als ’s koningstafel.

Na de doortocht van de kleine garnalen is het nu tijd voor het serieuze werk. ‘Lange Claey’ wordt voor de vierschaar gebracht. Hij valt al meteen uit de toon en op zijn knieën, biddend om gratie en een zachte dood, iets waar hij eerder had moeten aan denken. De baljuw kucht een keer of drie en begint dan zijn aanklacht voor te lezen. Claey Van Dycke. In de wandeling staat hij bekend als de ‘lange schoenlapper’ en hij is inderdaad geboren in Ieper. Hij heeft zich tijdens zijn leven gekeerd tegen het geloof en tegen zijn rechtmatige koning. Claey wordt beschuldigd van systematische overvallen in Dikkebus, Reningelst, Kemmel, Mesen, Waasten, Komen en Wervik en dat over een periode van vijf jaar. Samen met het geboefte van Oostende heeft hij op al die plaatsen brand gesticht in huizen van de inwoners.

Hij heeft zich opgeworpen als leider van diezelfde vrijbuiters en deze naar hier meegesleept. Simpele pachters en landlieden van Oostende heeft hij opgeleid tot vijanden van de Westhoek. Ook de aanval op de weduwe van meneer van De Klijte wordt hem aangewreven. De vierschaar heeft daarom beslist dat hij aan de staak moet worden vastgebonden waar hij eerst en vooral zijn taal (zeg maar zijn tong) zal verliezen en daarna zal hij verteerd worden door het vuur. En nu is de tijd aangebroken voor dat jong ventje van Dikkebus. Een eenvoudige scherpe dood, onthoofd met het zwaard en bij volle bewustzijn en in vrede met de Heer en zichzelf. Hoewel ik daar bij nader inzien niet zo zeker van ben. De beul haast zich ondertussen al om de Waal van Lens naar boven te sleuren die even later al dood bengelt aan een touw.

De laatste aan de beurt is de man van Kaaster en die weert zich tot het uiterste om toch maar in leven te blijven. Kan hij dan echt geen gratie krijgen? Hij wordt zelfs op een bepaald moment van de ladder gehaald. Jezuïetenpater Lodewijk moet de Waal kalmeren en vermanen. Hij zal er wel voor zorgen dat God hem gratie en genade zal schenken. Ik betrap mezelf op enige vorm van cynisme: hoe zal deze Lodewijk daar in slagen? God moet mijn opmerking vermoedelijk gehoord hebben want het touw van de Kaasterman wordt tijdens zijn ophanging van de lier geslagen waardoor zijn doodstrijd ongemeen lang aansleept. Moeten sterven, bijna sterven en dan net niet kunnen doodgaan. Gruwelijk.

Tijdens de executie van de Walen werd ondertussen hard gewerkt aan het opbouwen van het gevreesde ‘huizeken’. Ik gruw nog altijd bij de herinnering aan vorige terechtstellingen die plaatsvonden in dat vreselijke vuurhuis. Terwijl het lijk van de onthoofde Dikkebusnaar met aarde bedekt wordt, leiden ze lange Claey tot bij de officier. Mijn schoenlapper heeft duidelijk spijt over zijn daden. Dat lijkt me duidelijk. Hij luistert aandachtig naar Lodewijk, knielt neer voor het huizeken, bidt een Onze Vader, maakt zijn kruisteken ostentatief in de richting van Christus aan zijn kruis. En net voor zijn entree in het huisje spreekt hij nog even met Michiel Lachaen, de pastoor van Dikkebus.

Die bidt luidop nog eens voor vergiffenis om zijn zonden en Claey verontschuldigt zich nog een laatste keer voor onze koning en zijn vrouw. Terwijl hij nu ter plekke vastgebonden wordt roept hij een en ander, blijkbaar zijn laatste woorden die bestemd zijn voor God en Maria, zijn liefste moeder en daarna sterft hij zijn dood met schone kennis. Claeys’ leven op aarde eindigt toch maar op een weerzinwekkende manier, opgegeten worden door de vlammen, hij mag dan wel een eersteklas schurk geweest zijn. De stank van zijn verschroeid vlees blijft de rest van de avond in mijn geest en mijn kleren hangen. De drie andere lijken worden nu naar de Frezenberg gevoerd waar ze nog dagenlang heel erg intimiderend zullen blijven hangen, vooral voor wie eventueel van plan mocht zijn om hier nog lelijke dingen uit te richten.

Fragment uit ‘Dagboek van Augustijn’

[wpforms id=”8856″]

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *