Oorlog met Frankrijk. Van de Brugse Metten naar de Guldensporenslag.
Uit deel 2 van De Kronieken van de Westhoek
Winter 1301: in Brugge broedt de opstand
Enigszins verbaasd kan hij vaststellen dat de arbeiders, boeren en ambachtslieden in staat zijn hun tanden te tonen en dat ze geen ridders of graven nodig hebben hiervoor. Het lot van Vlaanderen lijkt in de handen van de werkende klasse te liggen. De positie van gouverneur de Châtillon is danig verzwakt door de smeulende weerstand in Aalst, Ieper, Gent en Kortrijk. In de winter van 1301 besluit Jan, markgraaf van Namen, in contact te komen met de leiders van de Vlaamse opstand in Brugge. Hij ontmoet er heimelijk de Brugse held Pieter de Coninck. Waarom zouden ze hun krachten niet bundelen? Waarom zou Jan de leiding niet nemen over de Vlaamse opstandelingen? Pieter de Coninck beseft de mogelijkheden van dergelijke alliantie en gaat akkoord. Tijdens de zomer van 1301 worden de graafsgezinden systematisch gecontacteerd en bewerkt. Jan en Gwijde van Namen krijgen de hulp van een derde familielid van de Dampierres: Willem van Gulik, de 24-jarige goed opgeleide kleinzoon van Gwijde van Dampierre. De vader van Willem van Gulik is enkele jaren geleden gesneuveld in de modder van Bulskamp. Er is dus nog een openstaande rekening te vereffenen met de Fransen. Willem zal zich de volgende jaren ontpoppen als een mythische held van het Vlaamse volk.
De reputatie van Pieter De Coninck
De reputatie van De Coninck bereikt een toppunt als blijkt dat hij de steun heeft van de zonen van de graaf. In Brugge is hij zo onaantastbaar dat het stadsbestuur er zelf niet meer aan durft te denken hem iets in de weg te leggen. De omwenteling in Brugge is een feit. De graafsgezinden vallen in januari 1302 de stad binnen. De Châtillon staat machteloos wanneer De Coninck de macht overneemt en de orders begint uit te delen. Een zoveelste beslissing van het Franse parlement ten nadele van de Bruggelingen is de druppel te veel. De patriciërs en de koninklijke baljuw die vrezen voor hun leven, vluchten de stad uit. Brugge is aan de Klauwaards. Het is een eerste stapje op de weg naar de bevrijding. De Coninck ontslaat het stadsbestuur en vervangt het door een evenwichtig samengesteld college waar de ambachten nu een meerderheidspositie bekleden. Eén van de twee nieuwe burgemeesters wordt zijn lotgenoot, de volder Jan Heem. Er komt een transparant en sluitend systeem om de stadsrekeningen te laten controleren door alle lagen van de stadsbevolking. Ook Gent roert zich. De belofte van Filips de Schone om het opgeld af te schaffen, blijkt loos te zijn en de factuur voor de blijde intrede, 27.000 Parijse ponden, wordt doorgeschoven naar de ambachtslieden en de poorters. De Gentenaars gaan onder leiding van Jan Borluut, een rijke graafsgezinde patriciër, in de vroege morgen van 2 april 1302 staken en blazen verzamelen voor het belfort. De stadhouder besluit hardhandig op te treden maar heeft de kracht van de betogers onderschat. De poorters zijn woedend om het hardhandig optreden van hun stadsbestuur dat zich noodgedwongen in het Gravensteen moet gaan verschuilen om zich te beschermen tegen de volkswoede. Met handbijlen, pieken en zwaarden wordt het Gravensteen belegerd.
De Brugse Metten breken los
De menigte is ziedend. In de vroege middag geven de belegerden zich over en komen ze in hemd en ondergoed naar buiten. Twee schepenen en elf poorters worden doodgeslagen. Het aantal zwaar gewonden is ontelbaar. Het volk neemt het stadsbestuur over en de stadhouder moet getrouwheid zweren aan de Gentse bevolking. De Châtillon is verbijsterd en zint op wraak. Hij verzamelt noordelijk van Kortrijk een nieuw leger om de Gentenaars aan te vallen. De Gentenaars beseffen dat ze geen partij zijn voor zulk leger en proberen zich te verontschuldigen. Het mag niet baten: de Franse soldaten dringen Gent binnen en herstellen het stadsbestuur. Jan Borluut en de graafsgezinde patriciërs verlaten de stad. Er volgt een tijd van harde repressie. Er ontstaat een ongekende volkshaat tegen alles wat Frans is. Het nieuws van de volksopstand in Gent wordt met grote vreugde begroet in Brugge. De Coninck en zijn bende koesteren plannen om de revolte over heel Vlaanderen uit te breiden. Ze gaan op zoek naar geld, middelen en steun bij graafgezinde poorters en door de bezittingen van de koningsgezinden aan te slaan. Damme, Aardenburg en de streek van het Zwin sluiten zich aan bij de Bruggelingen. Op de andere plaatsen van Vlaanderen slaat de repressie van de Fransgezinden hard toe. In Douai en Ieper nemen de Leliaards de macht over in dienst van de Franse bezetter. De graafsgezinde patriciërs en het gewone volk kunnen het bloed wel drinken van die vuile Franse collaborateurs die de Klauwaards voortdurend vernederen, verklikken, verkrachten, vermoorden. De economie van de welvarende steden en de landbouw vallen zo goed als stil. Het ontwrichte Vlaanderen bevindt zich in een diepe crisis. Hongersnood dreigt.
Het geheime wapen van de Dampierres
De Vlamingen zijn al baas over hun eigen land sinds Boudewijn met de Ijzeren Arm in 864 de Noormannen verdreef. Ze zijn in 1302 op zoek naar een leider die hen kan bevrijden van de Franse tirannie. Jan van Namen, de 6de zoon van Gwijde en Pieter de Coninck beseffen dat ze onmachtig zijn tegen de Franse overmacht en doen een beroep op Willem van Gulik, de 25-jarige kleinzoon van Gwijde van Dampierre. Het geheime wapen van de Dampierres komt tevoorschijn: Willem van Gulik neemt de leiding van de Vlamingen op zich. In mei 1302 komt hij voor het eerst met een huurleger naar Brugge. Een schildknaap gaat het leger vooraf met het grafelijk wapen van de gevangen Gwijde van Dampierre. Een klauwende leeuw staat afgebeeld op het schild en de banier van de fiere en zelfbewuste legerleider Willem van Gulik. Hij wordt door de juichende Bruggelingen als een echte bevrijder binnen gehaald. De verbittering om wat Gwijde van Dampierre allemaal heeft uitgericht, lijkt vergeten en vergeven. Hier is de nieuwe landvoogd van Vlaanderen. Ook Damme en Aardenburg erkennen Willem als nieuwe leider. Jan Breydel, een Brugse vleeshandelaar en zijn neringdoeners sluiten zich aan bij het leger van Willem en Pieter de Coninck. Ze vallen op gewelddadige manier de Leliaardse kastelen van Sijsele en Male aan waar de bewoners gelyncht worden. Parijs gaat er zich mee bemoeien. Ondertussen zit er een flink haar in de boter tussen de paus en Filips de Schone. Als de Franse koning dan nog een Vlaamse opstand op zijn bord geserveerd krijgt, zijn represailles tegen de opstandelingen niet meer veraf. Op 10 mei benoemt hij Robert d’Artois als opperbevelhebber van een nieuw te vormen leger. D’Artois plant een veldtocht naar Vlaanderen. Zoveel is zeker. Hij stuurt de bisschop van Auxerre en zijn rechterhand Pierre Flote om landvoogd de Châtillon bij te staan. De wetenschap dat er een nieuw Frans leger op komst is, doet de Gentenaars alweer zwalpen. De ene wil een akkoord met de Franse koning, de andere wil een verbond met de Bruggelingen van De Coninck. Op 11 mei sturen ze een delegatie naar Kortrijk waar de Châtillon verblijft.
De Châtillon eist vergelding voor de Brugse Metten
In ruil voor een aantal voorwaarden, vrijheden, inspraak in het stadsbestuur en andere zaken, zijn ze bereid om de koning te steunen. De Châtillon stemt in met de voorstellen. Later zal Filips de Schone dat akkoord bevestigen. Op 12 mei staat een ongedurige De Coninck met 1600 man in Meulestede, het noorden van Gent waar ze bijzonder vijandig ontvangen worden door een leger van poorters en Leliaards. Het komt net niet tot een gevecht. De Bruggelingen druipen ontgoocheld af als ze vaststellen dat de mensen van Gent hun kar hebben gekeerd. Op de terugweg slagen ze er in het door de Leliaards ingenomen Aardenburg opnieuw te bevrijden. Maar ook in Brugge blijken de meningen verdeeld als ze vernemen dat het bondgenootschap met de Gentenaars een flop blijkt. Willem van Gulik en Gwijde van Namen trekken hun legers weg uit Vlaanderen. Dat doet de Bruggelingen nog meer twijfelen. Waar is van Gulik? Waarom doen de Gentenaars niet mee? Waarom werden zoveel mensen vermoord in Male? Hier en daar wordt De Coninck als verrader bestempeld. De grond wordt warm onder de voeten van Pieter De Coninck. De landvoogd wacht niet op de troepen van zijn koning. Hij verzamelt zelf een zwaar bewapend leger van 1200 man, bestaande uit ridders, schildknapen, kruisboogschutters en voetvolk. Een geërgerde de Châtillon biedt zich half mei met veel machtsvertoon aan te Brugge. Er heerst grote angst bij de Bruggelingen. Ze sturen een delegatie buiten de stadspoorten om te onderhandelen met de gevreesde landvoogd. Ze bieden de volledige onderwerping van de stad Brugge aan. De Châtillon eist vergelding voor de moordpartij in Male. Er volgen lange onderhandelingen. Flote wordt er bij geroepen want met de Châtillon valt blijkbaar niet te praten. De Fransen stemmen er uiteindelijk mee in dat de Bruggelingen die zich tegen de Fransen hebben gekeerd, verbannen worden. Weg van Vlaanderen.
17 mei 1302: De Châtillon en Flote arriveren in Brugge
Op 16 mei laat het stadsbestuur van Brugge afroepen dat iedereen die vervolging vreest, voor de middag van de 17de mei de stad mag verlaten. 5.000 mannen kiezen het zekere voor het onzekere en trekken naar Damme en Aardenburg, of brengen de nacht door aan de oevers van het Zwin. Op de late middag van 17 mei volgt de intrede van De Châtillon en Flote in de stad. De klokken luiden, de mensen worden uitgenodigd om hun landvoogden te begroeten. De schrik zit er in als ze de 1.200 zwaar bewapende krijgers op het plein bij de hallen zien paraderen. Het gezicht van de Châtillon staat op onweer. De Bruggelingen verwachten een bloedbad. Enkelen onder hen trekken naar het noorden om de situatie te bespreken met de duizenden geëvacueerde Vlaamsgezinden. Er rest hen weinig keuze: willen ze dit overleven, dan zullen ze moeten vechten. Ze smeken de 5.000 weggetrokken stadsgenoten om terug te keren en om hen te helpen. De nietsvermoedende de Châtillon verwacht geen noemenswaardige weerstand en heeft zijn troepen over de verschillende herbergen van Brugge gelegerd. De deels vernielde Brugse wallen worden bewaakt door grotendeels dronken en slaperige Franse soldaten. De bannelingen houden de situatie scherp in de gaten en besluiten om in de vroege ochtend van vrijdag 18 mei 1302, bij het luiden van de klokken voor de eerste mis, de stad binnen te vallen. ’s Anderendaags. We hebben het over de fameuze ‘Brugse Metten’. De bende van Pieter de Coninck, Jan Breydel en Willem van Gullik valt op een vinnige manier Brugge binnen. Ook de gewone Bruggelingen komen uit hun huizen. Gewapend. Ze gaan op zoek naar alles wat ruikt naar Frans. De Franse soldaten zijn zo verrast door de aanval van de Bruggelingen, dat ze niet eens de tijd vinden om hun wapenuitrusting aan te trekken.
Vlaanderen de Leeuw: dood aan de Leliaards
De inval ontaardt in een genadeloze lynchpartij. Alle Fransen die de Bruggelingen op hun weg ontmoeten, worden genadeloos afgemaakt. Ieder wie niet op een inheemse manier de leuze ‘scilt ende vriend’ kan uitspreken, wordt zonder pardon gedood. De ‘escilden’ sneuvelen met bosjes. Het ‘Vlaanderen de Leeuw, dood aan de Leliaards’ galmt door de steegjes van Brugge. De lijken stapelen zich op. De slachting gaat de hele dag verder. De soldaten van de Châtillon proberen tevergeefs weerstand te bieden aan het bloedbad maar ze kunnen niet voorkomen dat duizend Fransen worden vermoord en 85 Leliaardse edelen gevangen worden genomen. Er rest de Châtillon geen andere keuze dan te vluchten. Hij kan zich ternauwernood, vermomd als monnik, via het water van de Brugse grachten, in veiligheid brengen. Hij vlucht drijfnat naar Kortrijk. Ook Flote kan ontkomen. De koninklijke lelie wordt onder groot gejuich vervangen door de Vlaamse leeuw. Op 19 mei benoemen de zegevierende Bruggelingen hun eigen stadsbestuur. De lijken van de vermoorde Fransen worden buiten de stad op de stortplaats gegooid. De stad wordt gereinigd.
De Châtillon reist naar Rijsel om een nieuw leger samen te stellen. Het enige wat hij wil, is wraak! Koning Filips verneemt de Brugse wandaden tegen zijn soldaten. Deze keer zijn ze echt over de schreef gegaan. Vanaf nu plant hij enkel en alleen nog zwaar repressief op te treden tegen de Vlamingen. De wapens zullen spreken. De rol van de Châtillon is deze keer voorgoed uitgespeeld. Filips de Schone heeft genoeg van diens zwakke leiding. Er komt een nieuwe gouverneur, de graaf van Boulogne die geflankeerd wordt door een militaire bevelhebber, de vermaarde Robert d’Artois. Het Frans gezag in Vlaanderen moet zonder dralen hersteld worden. En ook Johanna van Navarra gaat er zich mee bemoeien. Ze is uitzinnig van woede om wat er in Brugge gebeurd is. Bovendien is ze de beledigende ontvangst van vorig jaar niet vergeten. Ze beveelt d’Artois om alle Bruggelingen, zonder onderscheid van leeftijd of geslacht te doden.
Willem van Gullik wordt blij onthaald in Brugge
Na opnieuw een triomfantelijk onthaal in Brugge, wordt het menens voor Willem van Gulik. Hij maakt met zijn schitterende uitrusting diepe indruk op de stedelingen die hem overladen met geschenken. Het stadsbestuur schenkt de legeraanvoerder 10 peperdure paarden en de meeste exclusieve uitrusting en dito legermateriaal. Begin juni volgt de blijde intocht van Gwijde van Namen. De Brugse klokken luiden onophoudelijk. De Bruggelingen zijn verrukt om hun nieuwe ruwaard en beloven hem unaniem hun trouw. Ze lijken voorbij te gaan aan de wetenschap dat ze zich de eeuwige vijandschap van de machtigste heerser van Europa op de hals hebben gehaald. Het nieuwe Brugse stadsbestuur gaat dynamisch en doelgericht te werk. Het financieel beleid beperkt zich niet tot de stad zelf maar strekt zich uit tot alle veroverde gebieden. Losgeld voor de gevangen Leliaards, inbeslagname van goederen, leningen bij de sympathiserende rijke poorters en geestelijkheid. Tot aan de Franse grens wordt er steun ingezameld. Alles staat nu in het teken van die machtige Vlaamse strijdkracht die Willem van Gulik en Gwijde van Namen koortsachtig op poten aan het zetten zijn. De strijd om de bevrijding begint op 31 mei 1302 wanneer Willem met een flink van wapens voorzien leger de stad uittrekt. Het is een vreemde combinatie van Bruggelingen, de handwerkers en de ambachtslieden van Pieter de Coninck samen met een bende vrijwilligers en gehuurde ridders. Ze trekken via Wijnendale (ze laten de versterkte burcht links liggen) en Gistel naar Diksmuide, Veurne en Nieuwpoort. De Leliaards slaan overal op de vlucht. In elke stad worden de koninklijke baljuws vervangen voor Klauwaardgezinden. Begin juni worden Veurne, Nieuwpoort, Hondschoote, Broekburg en Sint-Winoksbergen veroverd. Overal worden de troepen als bevrijders ingehaald. De boeren en de plattelandsbewoners sluiten zich enthousiast aan bij het Vlaamse leger. De mensen van de Westhoek hebben een tijd van doffe ellende meegemaakt. Waar ze tot voor enkele jaren konden genieten van relatieve welvaart, heeft de Franse onderdrukking iedereen teruggebracht naar de ergste feodale toestanden.
Mei 1302: het Vlaamse leger bevrijdt het graafschap
Het leger trekt naar het versterkte Franse bolwerk van Kassel. Ondertussen wordt het nieuws vernomen van de capitulatie van het kasteel van Wijnendale. Ook de twijfelende Ieperlingen openen hun poorten: ze zullen instaan voor een leger van 500 gewapende stedelingen. Ondertussen hebben 300 overblijvende Fransen zich verzameld in het kasteel van Kortrijk. En er is nog een, door het Brugse stadsbestuur gefinancierde, nieuw leger op komst voor de Vlamingen: Gwijde van Namen, de 7de zoon van Gwijde van Dampierre, trekt op 12 juni naar de ultieme bestemming: Kortrijk. Handwerkers, edelen, arm en rijk hebben maar één doel: een zelfstandig Vlaanderen, bevrijd van Frankrijk. De Fransen die zich hebben verschanst nabij Kortrijk, schieten met vuurpijlen de stad in brand. Het zal enkele dagen duren vooraleer de Vlamingen de situatie onder controle krijgen. Met enkele reusachtige katapulten schieten ze onophoudelijk zware stenen naar het Kortrijkse kasteel. De Fransen houden zich gedeisd maar blijven wel ter plaatse. Heel Vlaanderen is al lang overstag gegaan voor de snelle opmars van de Vlaamse legers. Er rest alleen nog het Fransgezinde Gent. Oudenaarde besluit de doorgang van de Schelde te blokkeren. Geen enkel graanschip kan nog aanmeren in Gent. De Gentenaars krijgen wekenlang geen brood op de planken. De situatie zorgt voor een nooitgeziene malaise en hongersnood bij de bevolking. Ze zoeken met de moed der wanhoop steun bij de Franse koning. Filips belooft hen zo snel mogelijk te helpen. De twijfel slaat toe bij het arbeidersvolk van Gent. De tweespalt tussen de Leliaards en de Liebaards bereikte ongeziene hoogtes. De Leliaards blijven in de meerderheid maar heimelijk hebben enkele honderden Gentenaars besloten om de stad te ontvluchten.
Jan Borluut, de Vlaamse ‘Enfant Terrible’
Ze sluiten zich aan bij de Bruggelingen. Hun leider is Jan Borluut, een Vlaamse ‘enfant terrible’, en een al eerder uit de stad Gent verbannen poorter. Filips de Schone is in zijn eer gekrenkt als hij verneemt dat een Vlaams leger de Fransen overal heeft verjaagd. Hij vormt een legermacht van 2.500 ruiters, 500 boogschutters en 5.000 soldaten te voet. Robert d’Artois krijgt de leiding voor de krijgsmacht die op 30 juni 1302 vanuit Arras gaat opstomen. Van zodra zij de Vlaamse grens voorbij zijn, leveren ze zich over aan extreem geweld. Elke man, vrouw of kind die ze kunnen vatten, wordt genadeloos onthoofd. De arrogante d’Artois laat zijn manschappen zelfs de kerken binnendringen en de heiligenbeelden vernielen. De legerleider heeft maar één doel: zo snel mogelijk op te rukken naar het vermaledijde Brugge. Tijdens zijn bevrijdingstocht door Vlaanderen, is het Vlaamse leger verder versterkt met delegaties van Ieper, Kassel (2.000), Poperinge (8.000) en Gent (Jan Borluut met 700 man).
Jan Breydel zorgt voor verse ravitaillering en Jan van Renesse komt met een groep Zeelandse elitesoldaten. Allen zullen ze strijden en vechten onder de gemeenschappelijke Vlaamse leeuwenvlag. Ook de tempeliers, een divisie van de zwarte, witte en grijze tempeliers, zijn van de partij om de Vlamingen militair bij te staan. Ondanks de oppositie van de Leliaards in Ieper zijn er 1.200, in het rood uitgedoste, Ieperlingen van de partij. Het geloof in eigen kunnen bij de Vlaamse massa gaat hand in hand met intense wraakgevoelens tegenover de Fransen. Veel boeren hebben zwaar geleden onder de plundertochten van dat crapuul, in de jaren 1297-1300. Ridders en edelknapen hebben nog altijd familieleden die gevangen zitten in Frankrijk. Zo bijvoorbeeld Gwijde van Dampierre, Robrecht van Bethune, Filippina. Velen hebben hun bezittingen verloren omdat ze ooit partij kozen voor de graaf. En ze willen hun doden wreken zoals Willem van Gulik zijn broer die overleed op het slagveld van Bulskamp. Iedereen kent zijn lot: het is ofwel winnen, ofwel de niet te onderschatten wraak van de Fransen te moeten ondergaan. Zo eenvoudig ligt de keuze.
De Mossenberg – de Pottelberg – in juli 1302
Op 8 juli slaan de Fransen hun kamp op aan de voet van de Mossenberg, die nu Pottelberg genoemd wordt. De 2.000 Franse ridders doen zich enkele dagen te goed met spel, banketten en plezier. De Mossenberg wordt prompt omgedoopt tot ‘Berg van Weelde’.
Die nu heet die berch van Weelden,
daer lagen die Franken ende speelden,
in hare tenten ende Pauwelyoenen.
Het Vlaamse leger treft zijn laatste voorbereidingen. De 1.200 Ieperlingen staan opgesteld aan de wallen van het kasteel van Kortrijk, waar ze de uitbraak willen vermijden van de daar gekazerneerde Franse divisie onder leiding van de heer van Lens. De posities blijven onveranderd tot woensdag 11 juli. Rond 5 uur, zonsopgang, zijn er brandende toortsen te zien op de vestingwallen van het Kortrijkse kasteel waar zich het Franse regiment bevindt. De Fransen werpen ostentatief hun toortsen neer buiten de buitenmuren aan de noordkant van het kasteel. Rechtover de graslanden die leiden naar de Leie en het klooster van de Grauwe Zusters. ‘Hier staan de Vlamingen klaar’, maken ze duidelijk aan hun basiskamp. De te duchten bevelhebber Robert d’Artois heeft de brandende hint gezien. Hij weet voldoende. De Franse aanval begint om 6 uur.
De Guldensporenslag van 11 juli 1302 begint
12.000 Vlamingen (waaronder 1.000 ridders) staan beschut en verstandig opgesteld met de Leie in de rug, de Grote Beek in het zuiden en de Groeningebeek in het oosten. Ze hebben opdracht gekregen om de rangen altijd gesloten te houden. Vooraan, net achter de twee beken, staan de kruisboogschutters, beschermd door de grote schilden van hun helpers. Achter hen staan overal lange pieken in de grond geplant. Hun punten staan dreigend naar boven gericht. Met telkens één krijger die klaar staat om te mikken op de paarden die er nu elk mogelijk moment zullen komen aanstormen. Iets naar achteren bevinden zich de krijgers met de goedendag. Zij zullen zorgen voor de afwerking. Ze hebben de opdracht om op alles in te hakken: man én paard. Dan volgt de grote massa. De stevigste en best uitgeruste mannen worden schouder aan schouder in de voorste gelederen geplaatst. De met takken gecamoufleerde beken zijn met een breedte van zowat 3 meter en een diepte van 2 meter geen grote rivieren, maar ze vormen wel een beduidend obstakel voor de vijand. Het Vlaamse leger oogt indrukwekkend in al zijn facetten. Tien Franse bataljons van elk 200 gepantserde ruiters verspreiden zich aan de buitenkant van de Kortrijkse beken. Voor hen twee rijen voetvolk. Een massa die door hun overmacht de 12 weerstand van de groepen Vlaamse boogschutters moet breken om zo de weg vrij te maken voor de ruiters. Dat is het strijdplan. Het Franse leger lijkt kwalitatief veel sterker. ‘Wij zijn te paard en zij te voet, en honderd paarden zijn duizend man waard’, beweert Robert d’Artois aan zijn manschappen. De eerste pijlen ten teken van aanval zoeven door de lucht. Het Franse voetvolk zet zich in beweging. Het regent pijlen. De intensiteit van de pijlenregen is zo erg dat het lijkt of men de lucht niet meer kan zien. De vijandelijke strategie van de overmacht lijkt te werken. Door een overmacht in getalsterkte kan de Groeningebeek worden overgestoken. De Fransen worden wat overmoedig omdat hun plan functioneert, maar worden tot hun verbazing door drie Vlaamse legerscharen omsingeld en in de pan gehakt.
De Ieperlingen posteren aan het kasteel van Kortrijk
Het plan om de Ieperlingen te posteren aan het kasteel van Kortrijk, werkt perfect. De Fransen hadden een aanval voorzien in de flank van het Vlaamse leger, maar ze worden door het kordate Ieperse leger in hun Kortrijkse vesting geblokkeerd. Onaangename verrassingen dus voor D’Artois die de opdracht geeft aan het voetvolk om zich terug te trekken terwijl de ruiters het aan de linkerkant van het front zullen overnemen. Zijn plan zorgt voor chaos bij zijn eigen strijdkrachten. Velen worden door hun eigen paarden vertrappeld. De Franse ruiters blijven maar komen. ‘Het is hoog tijd dat die Vlaamse boerenpummels een lesje krijgen’.
De Fransen lopen zich vast
Ze lopen zich vast en blijven zich vastlopen, terwijl de Vlaamse boogschutters alle tijd hebben om hun pijlen te richten op de weerloze vijand. De Vlaamse zwaarden, pieken en goedendags vormen een ijzeren muur. Vele Franse aanvaller komen in het water van de beken terecht en verdrinken door het gewicht van hun stalen gevechtsuitrusting. Chaos alom. Paniek. Aan de rechtervleugel van het front gaan drie bataljons Franse ruiters zonder tegenstand over de Groeningebeek. Maar ze lopen hun dood tegemoet tegen het goed geordende Vlaamse leger. Nieuwe aanvalsgolven volgen. Er wordt nu overal gestreden. Vaak man tegen man. Met hun verwoestende goedendags, viseren de Vlaamse krijgers de paarden van de Franse ridders die zo gedwongen worden te voet verder te strijden. Langzamerhand komen de Vlamingen in de meerderheid. 3.000 à 4.000 Vlamingen tegen 1.800 ruiters te paard. Zo kunnen de Vlamingen hun strijders aflossen. In de achterste gelederen staan voortdurend mannen klaar om in te springen met hun zwaarden, schilden en goedendags. Steeds minder en minder ridders te paard nemen het op tegen duizenden Vlamingen tegelijk die de ruiters vol zelfvertrouwen terugdringen tot aan het water van de twee beken. Velen worden van hun paard gesleurd en gedood. Die beken vormen nu een dodelijke hindernis voor de uitgeputte Fransen die in de modder uit het zadel geworpen worden, in het water terechtkomen en hopeloos en ellendig verdrinken. Pierre Flote, de machtigste raadgever van de koning, wordt door de drieste Vlamingen furieus afgeslacht. Een ziedende legerleider Robert D’Artois ziet vanaf de rechteroever van de Leie de debacle van zijn troepen met lede ogen aan. Hij is een dappere man en besluit zich persoonlijk in de strijd te mengen in de hoop het tij nog te doen keren. Hij stuurt zijn persoonlijk bataljon ten aanval. Jacques de Châtillon volgt.
De lekenbroeder Willem van Saaftinge
Gwijde van Namen bemerkt de aanstormende Franse bevelhebber en beseft het gevaar. Hij trekt er onmiddellijk naar toe met een groep Gentenaars. D’Artois geflankeerd door De Châtillon, is sterk en ze slagen er in om door te dringen tot diep in de Vlaamse gelederen. Tot bij de grafelijke banier, de Vlaamse leeuw, die hij aan stukken trekt. In de kortste tijd wordt hij omsingeld door woedende Vlamingen. D’Artois houdt lang stand. Hij slaat er in alle richtingen op los. Hij jaagt zijn paard voortdurend naar nieuwe groepen tegenstanders die tevergeefs met hun lansen door het pantser van zijn paard proberen te boren. Uiteindelijk vindt hij zijn meester in Willem van Saaftinge, een lekenbroeder, een tempelier, uit de abdij Ter Doest van Lissewege. Met een forse slag van zijn goedendag brengt hij het gepantserde paard ten val. De Vlamingen sparen paard noch ruiter. D’Artois wordt brutaal doodgeslagen. Ondertussen is ook de gehate landheer de Châtillon gesneuveld. De zege wenkt. De ontredderde Fransen slaan met de moed der wanhoop op de vlucht maar worden achtervolgd, vertrappeld en vermoord door de verbitterde Vlamingen. Voor de handwerkers en de boeren is het uur van de onverbiddelijke wraak aangebroken. Omschrijf het als een ijselijke slachting. De Fransen zijn in paniek en vluchten halsoverkop. De opgehitste Vlamingen jagen hen genadeloos op. Ze roepen en schreeuwen: ‘Slaat allen dood! Al wie sporen heeft aangegespt, is vervloekt voor ons volk!’. Ze worden opgejaagd tot Dottenijs, Zwevegem en Sint-Denijs. Tot 10 km buiten het slagveld liggen de velden en wegen bezaaid met de lijken van de vermoorde Fransen. Aan de stadsmuren van Doornik stromen de armzalige resten van het roemrijke Franse leger toe. De stadspoorten worden gesloten. De gehavende strijders moeten noodgedwongen beschutting zoeken in de huizen van het platteland in het Doornikse.
De bloed meersch
Het bloedbad duurt tot ’s avonds. Het slijk rond de omgewoelde beken is bezaaid met de lijken van 12.000 à 15.000 soldaten. Het water van de Kortrijkse beken, de ‘bloed meersch’, heeft een dieprode kleur. De slag is afgelopen. Het Vlaamse leger van ambachtslieden, boeren en vissers heeft het prachtigste leger van heel West-Europa vernietigd! De Vlaamse krijgers zijn uitgeput, verstijfd en uitgehongerd. Ze hebben sinds 6 uur ’s morgens niet meer gegeten noch gedronken. Hun handen doen pijn door de urenlange omknelling van hun goedendag. De avond valt. De boeren van over de Leie komen met brood, wijn en gedroogde vis om hun helden te voeden en te eren. Ze brengen allen samen de nacht door op het slagveld. ’s Anderendaags worden de lijken ontkleed en zonder enige vorm van ceremonie in massagraven begraven. Graaf d’Artois wordt begraven rond de abdijkerk van het Groeningeklooster. De oorlogsbuit is interessant. De Fransen hadden hun wijn met zich meegebracht om hun overwinning te vieren. Het zijn echter de Vlamingen die hun mond zetten aan hun roemers. 700 gouden sporen en een hele vracht zilveren sporen, die van de niet-ridders, worden verzameld en naar de O.L.V.-kerk van Kortrijk gebracht. Ze zullen er 80 jaar blijven hangen tot dat de Fransen ze zullen roven in de vergeefse hoop om die rampzalige Guldensporenslag uit hun collectief geheugen te wissen. Uitbundig feest in Kortrijk op 12 en 13 juli! Al vroeg in de morgen van de 12de vernemen de uitgehongerde Gentenaars het nieuws van de Vlaamse triomf op de Fransen. In heel Vlaanderen heerst euforie. Iedereen wordt gek van vreugde en van intens plezier. Het is als een roes. Een trance. Het eenvoudige Vlaamse volksleger heeft het elitaire ridderleger van de Fransen verslagen.


