De heerlijkheid Zandberge, te Reningelst, was een leengoed afhankelijk van de heerlijkheid en het leenhof Oosthove te Wervik. Oosthove zelf was een leengoed gehouden van de heerlijkheid Nevele, gezeid het Ronsevaalse, die rechtstreeks afhing van het grafelijk leenhof ‘de Oudburg’ te Gent.
De heerlijkheid Zandberge, te Reningelst, was een leengoed afhankelijk van de heerlijkheid en het leenhof Oosthove te Wervik. Oosthove zelf was een leengoed gehouden van de heerlijkheid Nevele, gezeid het Ronsevaalse, die rechtstreeks afhing van het grafelijk leenhof ‘de Oudburg’ te Gent.
Het was een omvangrijke heerlijkheid. Gezien de geringe opbrengst verschuldigd voor de cijnsgronden die er toe behoorden, moet de grond reeds vroeg uit handen van de heer zijn gegaan, in een tijd toen de grond er nog ongeveer waardeloos was.
Volgens twee denombrementen van de heerlijkheid Oosthove, respectievelijk van 10 december 1562 en van 14 februari 1606 blijkt er alsdan geen leenbodem meer aanwezig geweest te zijn, doch alleen cijnsland en slechts een drietal onbelangrijke achterlenen:
540 gemeten cijnsgrond, die samen 40 razieren mout en 9 razieren haver opbrachten en bovendien 2 den. pars. in geld voor elk gemet, 15 gemeten ‘offerland’, die 3 s. pars. per gemet verschuldigd waren, 13 gemeten grond, die elk 4 d. pars per gemet gaven, bovendien 9 d. pars van ‘verhoogde rente’. Ik vertel er nog bij dat een gemet ongeveer 0,46 hectare is.
De drie achterlenen hadden: 7 gemeten bos, gelegen op Reningelst, belast met twee paar handschoenen ’s jaars, 2 honderd lands, waarschijnlijk eveneens op Reningelst gelegen, eveneens belast met twee paar handschoenen ’s jaars.
Deze drie lenen waren, bij het overlijden van de leenhouder de ‘beste vrome van driën’ verschuldigd, d.w.z., het relief was gelijk aan de opbrengst van het beste uit drie achtereenvolgende jaren. Bij verkoop, enz., was aan de leenheer, in casu de heer van de heerlijkheid Oosthove, de tiende penning verschuldigd, dit is het tiende deel van de verkoopprijs. Bovendien moest de nieuwe leenhouder het relief of verheffingsrecht betalen.
Alles bijeengeteld had de heerlijkheid van Zandberge een oppervlakte van 583 gemeten, of ongeveer 247 ha. Het is slechts een geraamde oppervlakte. In vroeger tijden was de omvang van een perceel grond – tenzij het om zeer kleine percelen ging – een bepaalde inhoud ‘daaromtrent’. Wat kan het dan geweest zijn toen men, op de manier en met de middelen dat men gebruikelijk mat, de eerste maal de heerlijkheid zal hebben uitgestoken. Indien men er ooit in slaagt de heerlijkheid op de kadasterkaart te brengen, kan men voor verrassende uitslagen komen te staan.
Uit de analyse van het denombrement blijkt dat de heer voor het beheer van het goed een baljuw en een amman mocht aanstellen, eveneens een volle bank van zeven schepenen, met ‘pit ende galghe’. Zoals hierna zal blijken had deze heerlijkheid geen hogere justitierecht; dit was in handen gebleven van de heer van de heerlijkheid Oosthove te Wervik; aan wie het hoger justitierecht wèl verleend was geweest. De heer van Zandberge inde echter alle ‘penninc boeten’.
Dit is zeker een uitzonderlijke terminologie in een denombrement en een bewijs te meer van de hoge ouderdom van de afscheiding van de heerlijkheid uit een groter geheel, nl. uit de bezittingen van het huis van Nevele, in een tijd toen de gewone boeten niet in schellingen, maar in penningen uitgedrukt waren.
Zandberge had wel drie leenmannen maar geen eigen leenhof. De bevoegdheden van het leenhof (wettelijke passeringen nopens de leengoederen en hogere justitie), werden uitgeoefend door het leenhof van de heerlijkheid Oosthove te Wervik. Het aantal achterlenen (drie), dat met groot genoeg was om een eigen hof samen te stellen, was hiervan de oorzaak. Gewoonlijk moest de leenman dan beroep doen op bijkomende leenmannen, te leveren door zijn leenheer. In het geval van Zandberge blijkt dat het de mannen van Zandberge waren die naar Wervik trokken en daar een hof vormden, samen met de rechtstreekse leenmannen van Oosthove, de collega’s dus van hun eigen heer. In feite een uitgebreid hof van Oosthove. De volgende gevallen illustreren dit.
Op 27 april 1518 vergaderden Rogier van Thomme, Jan Bertin, Jacob Ghesquieres, Pieter van Damme, Pieter van Rocques, Bricxis van Berchem, Joos van Huise, Pieter Pardoen en Jan Casier, leenmannen van Oosthove, samen met Michiel de Raedt en France Bliec, erfachtige mannen van Joncker Lodewyc van Kestergate, heer van Zandberghe dat hy houdende es jn leene vanden Oosthove’, en, voor de baljuw van Oosthove (dus niet van Zandberge) en voor de genoemde leenmannen, verscheen Jakemine scanx (de Cans) weduwe van Jan de Puudt, met haar bijstaande voogd, France Godscalc, en verzaakte aan de bijleving die zij rechtens had aan Jacob de Bliec. Twee dagen later, op 29 april, compareert dan Kristiaan de Puudt voor hetzelfde hof om zijn leengoed aan Jacob de Bliec te doen overerven. De verkoop was feitelijk reeds gedaan op 28 maart voordien, maar het leengoed was in de handen van de baljuw gebleven, in afwachting van de vervulling van de noodzakelijke formaliteiten. Het ging om het leen gelegen op Dikkebus, wezende zeven of acht gemeten bos.
Kort daarop had het leenhof van Oosthove opnieuw tussen te komen, ditmaal in een geschil; de leenmannen van Zandberge waren er niet bij aanwezig. Maeye Wyckaerts had, ten tijde dat ze getrouwd was met wijlen Renaut Buenin (Bonen?) met hem een leengoed aangekocht van zeven gemeten bos in Reningelst en had daarop, wegens het overlijden van haar echtgenoot, recht van bijleving, of het vruchtgebruik ervan, behouden. Dit goed was in het bezit van ‘Michghiel’ de Raedt ( die we in de vorige handeling nopens het leengoed de Puudt zien optreden als leenman van Zand berge in het leenho~sthove) en toen hij bomen ging vellen in het bos en deze wilde wegvoeren, bleek Mayele de Screvele, die met de Weduwe Renaut Buenin gehuwd was, zich daartegen te verzetten en riep hij de hulp in van de baljuw van Oosthove. Deze deed het gevelde hout arr~st~ren en de Raedt moest al zijn have en goed borg stellen, zowel voor het principaal (d.i. dan het hout in kwestie) als voor de kosten van het geding.
Uit een eenvoudige verdere mededeling blijkt dat de twee procederende partijen overeengekomen waren op 4 juni 1519 (de zaak was op 7 mei voordien te berde gebracht); door de aanstelling van vier leenmannen van Oosthove als scheidsrechters. Dit vereenvoudigde de zaak en zeer waarschijnlijk is men tot een redelijke oplossing gekomen, vermits we er verder niets over vernemen. Uit het relaas van de feiten weten we dat ‘Maeye twyf van Malin de Screvele, dat zy gheweist heift byden bailliu van Zandberg ende verzocht heift recht ende wet van hebben, twelcke hy huer gheweigert heift ende heft gheseit gaet te Wervicken ten Oosthove tonsen wettelicken hove’.
De baljuw van Zanlberge erkent hierbij dat zijn heerlijkheid geen eigen leenhof had en dat hij, evenals het schepencollege van Zandberge, alleenlijk bevoegd was voor betwistingen inzake cijnslande. Het wordt niet gezegd, maar waarschijnlijk was Michiel de Raedt gehuwd met een dochter Buenin en had deze dochter het leengoed van haar vader geërfd bezwaard met de bijleving van haar moeder. Michiel de Raedt zal het leengoed niet hebben aangekocht, want in dit geval moest de weduwe haar recht van bijleving vooraf prijsgeven, zoals we het zagen doen in het geval de Puudt.
We hebben hier, in twee opeenvolgende jaren, vermelding van alle drie de achterleenhouders van Zandberge:
Het leen van 7 gemeten 1 honderd lands in Dikkebus behoorde toe aan Kristiaan de Puudt, geërfd van zijn vader Jan, met recht van bijleving ten voordele van Jakemines Cancx, zijn moeder, die aan dit recht verzaakt opdat haar zoon zijn goed zou kunnen verkopen aan Jacob de Bliec.
Het leen van 7 gemeten in Reningelst, toebehorende aan Michiel de Raedt, waarschijnlijk getrouwd met een dochter van de vorige bezitter, Renaut Buenin, met recht van bijleving aan Maeye Wyckaerts, weduwe Renaut Buenin, hertrouwd met Malin de Screvele.
Het derde leengoed (eveneens in Reningelst?) van twee honderd lands, moet dan hebben toebehoord aan France Bliec, de andere leenman van Zandberge, die we op 27 april 1518 aanwezig weten in de zittingen van het leenhof van Oosthove. hogere justitie behoorde niet tot de bevoegdheid van de heer van Zandberge, maar was in handen gebleven van de heer van Oosthove. Dit zien we uit handelingen van 6 mei en 16 september 1443.
De gebroeders Mahieu en Jan Widelin, alias Thune, waren vervolgd door de baljuw en leenmannen van de heer van Lichtervelde, van zijn heerlijkheid Oosthove te Wervik, wegens het belagen, bij nacht van een Clais de Busschere, onder de heerlijkheid van Zandberge. Deze Clais was namelijk gestorven ten gevolge van de toegebrachte verwondingen. Omdat de daders maar arme landbouwers waren en gehandeld hadden uit zelfverdediging, werd er ‘gecomposeerd’ (minnelijke schikking zonder uitspraak door de rechtbank), mits betaling van een boete van 60 ponden pars., en mits dat zij genoegdoening gaven aan de familie van het slachtoffer, t.t.z., zoengeld betaalden. Hoe deze arme lieden er in slaagden de hoge sommen voor compositie en zoengeld bijeen te krijgen kunnen we hier buiten beschouwing laten.
Uit deze handelingen en gegevens blijkt niet alleen de onbevoegdheid van de heerlijkheid van Zandberge, in zake hogere justitie, maar ook dat de hogere justitie in het bezit van veel leenheren hen niet rechtens toekwam, maar in leen gegeven was door de graaf. Gerechtszaken zijn .immers landsbelang. De graaf oefende rechtspleging uit als hoogste overheid in het land, met als persoonlijk bezit. Hij had te zorgen dat gerechtigheid geschiedde en bleef toezicht houden op de rechtshandelingen van degenen in wier handen de justitie op de ene of andere manier gekomen was, hetzij door belening of anders.
Dit toezicht zelf blijkt dan nimmer in leen te zijn gegeven, ook met uitgevoerd geweest te zijn door de kasteleins, de oudste vertegenwoordigers van het grafelijk gezag in hun gebied – anders was het geldelijk voordeel hun dan tenminste bijgebleven – noch door de leenhouders zelf, vermits zij de grafelijke toelating voor verzoeningen en composities moesten verkrijgen. De graaf bleef dit toezicht uitoefenen, wellicht eerst persoonlijk (Boudewijn Hapken!) , later langs de door hem benoemde en van zijn goeddunken afhangende ambtenaren om, de baljuws. Dit kon ook niet anders, vermits het ging om het toezicht over de handelingen van kasteleins en leenmannen zelf.
Aan de heerlijkheid Zandberge waren nog andere rechten verbonden. De verkopers van cijnsgronden waren marktgeld verschuldigd van 15 d. in het pond groten, wezende de 16de penning of 6,25 0/0 van de verkoopwaarde (in latere tijden waren het gemeenlijk de kopers die, bij overeenkomst, het recht betaalden).
–
Uit het archief van Jozef Roelandt (Stoc Wervik)


