Maandag 11 maart 1591. Ieper-markt is maar kwalijk gestoffeerd van kooplieden. Voor een stad die leeft van de lakenhandel is dit meteen een bewering met een dubbele betekenis. Door de zorgwekkende tijden durft de koopman het niet aan om te reizen. En waarom zou hij dat trouwens nog doen? Er is geen geld meer in het land. Ondanks al die negatieve berichten blijven de poorters voortwerken.
Het geluk zal ooit wel eens aankloppen aan onze deuren zeker? Die laatste zin had ik beter niet neergeschreven. Rond 15u30 krijgt Ieper te maken met een verschrikkelijk ongeluk, een drama tout court. Het slachtoffer blijkt Jan Bottuyt, een goede poorter die al vaak wethouder en hoofdman is geweest en nu als stadskapitein leiding geeft aan een vendel van de stadsmilities en nog zo veel andere goede zaken heeft uitgevoerd in het belang van de stad. Terwijl Bottuyt een gezellige namiddag aan tafel beleeft, aan de zijde van zijn vrienden, zusters en broers en nog enkele van zijn pachters, klopt Ieperling Mahieu Debruyne aan op zijn voordeur.
Deze Debruyne heeft geen goede reputatie, een dikkop en een man zonder vrees. Kort gezegd: een nietsnut. Omdat Bottuyt zelf geen kinderen heeft gaan twee van zijn knechten de deur openen. Een dronken Mahieu wil zich toegang verschaffen tot de woning waarop een van de knechten hem naar zijn naam vraagt. ‘Mahieu Debruyne’, antwoordt hij en daarop gaat de knecht aan zijn meester vertellen wie er aan de deur staat. ‘Zeg dat die gast morgen terugkomt’, repliceert Jan Bottuyt. Maar Debruyne blijft aandringen, ‘ik moet maar enkele woorden zeggen’, beweert hij waarop de gastheer dan toch naar de voordeur gaat. Voor Bottuyt het goed en wel beseft zwiert Mahieu Debruyne een mes van onder zijn mantel en geeft hij de kapitein een steek in de rechterborst. ‘Gij boef, je zou warempel nog een man in zijn eigen huis vermoorden’, reageert Bottuyt boos en hij dient zijn aanvaller een vuistslag toe waardoor Mahieu’s hoed tot op de straat vliegt.
Terwijl Mahieu achteruit deinst raapt Jan nog diens hoed op en roept tot zijn gealarmeerde buren; ‘die zou me nog doodsteken in mijn eigen deurgat!’ ‘Dikke leugens’, roept Debruyne. ‘Ach ja’, schreeuwt de kapitein en hij showt demonstratief zijn gescheurd hemd en de gapende wonde die nu wel erg aan het bloeden is. Mahieu vertrekt daarop, Jan Bottuyt gaat binnen in zijn woning. Een kwartier later overlijdt hij, zittend in de zetel, in de aanwezigheid van de pastoor van Sint-Pieters die hem het heilig oliesel toedient. In het bijzijn van al zijn vrienden waarmee hij daarstraks nog deze mooie namiddag aan het beleven was. Mahieu Debruyne is na zijn misdaad naar de markt gestapt waar hij hoort vertellen dat Bottuyt overleden is.
Het nieuws moet als een lopend vuurtje door de stad geraasd zijn. De dader vindt er blijkbaar niets beter op dan te vluchten in de toren van de Sint-Maartenskerk. Katholiek asiel. Intussen staat heel Ieper in rep en roer om de brutale moord op de geliefde kapitein. Meneer van Wieze haast zich naar de stadspoorten om de wachters te alarmeren dat ze de moordenaar zeker niet mogen laten passeren. Hoogbaljuw van Wieze is geschokt en bedroefd om de plotse dood van zijn goede vriend. Wanneer het duidelijk wordt dat de dader zich in de toren bevindt vraagt hij toelating aan de bisschop om hem daar te mogen oppakken. Pas als Petrus Simoens bewijzen in handen krijgt dat Debruyne wel degelijk de moord gepleegd heeft kan de hoogbaljuw zijn werk uitvoeren. Een weinig later slaan zijn mannen hem in de boeien.
12 maart 1591. Er is vandaag maar één onderwerp van gesprekken in Ieper: de verraderlijke moord die Mahieu Debruyne gepleegd heeft op Jan Bottuyt. Rond 9u beginnen de voorbereidingen om de in Rozebeke gevangen Oostendenaar te berechten. Aan de oude vismarkt staat de galg al opgesteld. Terwijl de wetsheren rond de vierschaar plaatsnemen wordt de Ossie naar beneden gebracht. De misdaden op zijn kerfstok worden allemaal voorgelezen. Dat hij vijftien jaar gediend heeft tegen onze genadige koning van Spanje en tegen de heilige katholieke kerk. Dat hij zo vaak vanuit Oostende terreur is komen zwaaien hier in de Westhoek, dat hij medeplichtig is aan de moord op de knecht van Wullum de Puynt. ‘Wat heb je daar op te zeggen?’, wordt er gevraagd. De beschuldigde weigert om ook maar iets te zeggen. Pas nu hoor ik zijn naam: Philip van Brussel, in de wandeling ‘Wreil Vee’ genoemd, wat dat wil zeggen weet ik niet zo, ik meen alvast het woord ‘wreed’ te herkennen en dat lijkt me wel min of meer passend. Niemand verwondert zich om zijn straf: opknoping aan de galg. De dood volgt korte tijd later, niemand zal nog praten over Wreil Vee.
Na dit intermezzo (niemand kijkt nog echt op van een opknoping min of meer) gaat de focus weer naar Mahieu Debruyne en zijn slachtoffer Jan Bottuyt. De wetsheren gaan op onderzoek uit wat de moordenaar mogelijk nog op zijn kerfstok kan hebben en verzamelen zo dertig juridische stukken. Ze besteden zowat de hele dag aan getuigenverhoren. Meneer de bisschop controleert of alles gebeurt naar recht en reden. Vermoedelijk heeft het te maken met de wetenschap dat de dader werd opgepakt op kerkelijke grond en dus naar kerkelijk recht moet beoordeeld worden. Dat wordt hier in Ieper dus op deze slimme manier omzeild.
Al van in zijn toren hulde Mahieu Debruyne zich in spijt en zelfbeklag om wat hij gedaan had. Hij verzuchtte voortdurend en probeerde zich alsmaar te verschonen. Rond 7u van de volgende morgen volgt de lijkschouwing van Jan Bottuyt zaliger. Chirurgijn Thomas de Raeve concludeert dat de lever en de hartader in de lever doorstoken zijn en nadat hij zijn eed heeft afgelegd dat zijn bevindingen in eer en geweten zijn uitgevoerd, geven de schepenen hun toelating om Bottuyt te laten begraven. De begrafenis volgt al om 16u in de Sint-Pieterskerk. Natuurlijk met veel geweeklaag van vrienden en familie. Ook zijn mannen en hun luitenant zijn er het hart van in. Hoe onnozel toch om zo aan het eind van je leven te komen. God, gedenk zijn arme ziel.
13 maart 1591. Het is de derde dag van de Ieperse feesten die tot nogtoe in mineur verlopen zijn. Woensdag. Na de middag gooit men twee levende katten vanuit het belfort naar beneden. Een oude traditie die lang uit het beeld is geweest en pas sinds 1590 weer ingevoerd werd. Terwijl de Ieperlingen zich op de markt staan te vergapen dragen de wetsheren al de bezwarende informatie over Debruyne naar de bisschop die zich over zijn geestelijke rechten moeten beraden.
De feiten zijn zo zwaarwichtig dat hij beslist om de katholieke onschendbaarheid van Mahieu Debruyne op te heffen en de moordenaar over te leveren aan de hoogbaljuw die nu alle vrijheid krijgt om justitie te doen. Eigenaardig bevindt de dader zich nog altijd – wel bewaakt – op de toren van Sint-Maartens. Pas nu halen de gerechtsdienaars hem er af en brengen ze de dader naar de gevangenis. Iets wat zeer tegen de zin is van Debruyne, maar niemand in Ieper heeft ook maar een greintje medelijden met hem.
14 maart 1591. Na de presentatie van de rekeningen uit twee kwartieren uit de stad aan de voogd, schepenen, raadsleden en de zevenentwintig bestuurders, wordt Mahieu Debruyne naar boven gebracht in de nieuwe kamer. Na een verhoor van wel twee uur wordt hij terug naar de gevangenis geleid. De mensen op straat zijn er zeker van dat hij morgen zal sterven, maar daar steekt de pastoor van Sint-Maartens alsnog een stokje voor. Die meldt zich de 15de maart aan in de schepenkamer met het verzoek om de geplande terechtstelling voor drie dagen uit te stellen. ‘Hoe zit dat met zijn wapen?’, vraagt de priester aan de voogd.
‘Hebben jullie het steekmes gezien waarmee Debruyne die moord gepleegd heeft?’ De wetsheren vertrekken daarop richting gevangenis waar ze van Mahieu het antwoord krijgen dat hij zijn mes na de steekpartij gewoon weggegooid heeft. Zijn zoon Gerard Debruyne wordt tot bij de schepenen geroepen en, in tegenstelling tot zijn vader is de junior een eerlijke jongen die het stadsbestuur tevreden wil stellen. ‘U hoeft de moeite niet te doen om bij ons thuis een huiszoeking uit te voeren’, deelt hij mee, ‘dat mes ligt bij ons en ik zal het u brengen’. Het blijkt een kort snijmes te zijn, een dubbel mes op de schede. Gerard vertelt dat zijn vader het ‘snijderke’ nog bij zijn zonen thuis is komen afgeven kort na de steekpartij op Jan Bottuyt.
De jongens moeten vermoedelijk niet hoog oplopen met hun nietsnut van een vader want ze hebben niet eens de moeite gedaan om het bloed van het mes te verwijderen. Zo ligt dat bebloed mes korte tijd later op de tafel van de wetsheren. ‘Bruyne’ wordt rond 18u weer naar boven gebracht voor een nieuw verhoor dat zal duren tot 21u. Blijkbaar is er nog een aanvullende aanklacht van het ‘gemeen’ over zaken die hij dertig jaar geleden al mispeuterd heeft maar altijd al ontkend heeft. Dat bewust verhoor resulteert dus in een martelsessie om alsnog de waarheid uit Mahieu’s mond te horen. Wees er maar zeker van dat hij uiteindelijk wel zal moeten zwichten!
16 maart 1591. Vandaag zal ‘Bruyne’ zeker sterven, dat is toch de mening van zowat alle Ieperlingen. Maar op deze marktdag gebeurt dat niet. Een behoorlijke korenmarkt trouwens, je ziet dat ik nog altijd een liefde koester voor alles wat graan is. Rond 17u krijgt Debruyne een nieuwe verhoorsessie te verwerken en die sleept alweer aan tot diep in de donkere avond. De beschuldigde mag niemand spreken met uitzondering van de priester die hem regelmatig gaat bezoeken in de cel.
18 maart 1591. Aan de lakenhalle roepen ze een brief af van de hertog van Parma die hij ondertekent met zijn voornaam Alexander. Al de soldaten uit de regimenten van Noircarmes, Egmont en Warenbon zullen binnenkort – elk met zijn regiment – moeten optrekken, waar dat zich ook mag bevinden, zonder vertragingen of eventuele verontschuldigingen die alleen maar lijfstraffen zullen opleveren. De twee volgende dagen is er niet veel om over te schrijven. Dat er veel geroddeld wordt over Mahieu Debruyne. Veel Ieperlingen dringen er op aan dat hij absoluut nog alle openstaande schulden zal moeten vereffenen voor zijn dood. Wie geld te goed heeft van ‘Bruyne’ wordt tenslotte tot bij hem in de gevangenis gebracht. Ondertussen blijft de pastoor van Sint-Maartens alle mogelijkheden om uitstel van executie en vertragingsmanoeuvres uitvoeren. Met wat hij allemaal vertelt zouden we waarlijk nog medelijden krijgen met deze dader.
–
Uit deel 8 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Dagboek van Augustijn –


