We keren nu terug naar november 1223 waarbij een meningsverschil tussen het kapittel van Sint-Maarten en de geestelijken van de Nonnenbossen wordt bijgelegd. Het conflict draait rond de parochiale rechten en de tienden op de dieren van een hofstede met de naam Westhof, gelegen dicht bij Ieper. De arbitrage van de proost van Lo, de deken van Rijsel en de Ieperse schoolmeester Arnold wordt ingeroepen door beide partijen. De scheidsrechters beslissen dat de religieuzen die op Westhof wonen, en er geen bezittingen hebben, niet verplicht zijn om parochiale bijdragen te betalen aan Sint-Maarten.
Arbeiders die door de abdij van de bossen voor minstens één jaar aangesteld werden om te gaan werken op Westhof moeten evenmin betalen, op voorwaarde dat zij of hun families niet woonachtig zijn in één van de Ieperse parochies. Alle anderen worden verplicht om de kerkelijke taksen te betalen aan de proosdij van Sint-Maarten. De dieren van Westhof die ontegensprekelijk eigendom zijn van de abdis van de Nonnenbossen, worden niet meegeteld voor de heffing van Sint-Maarten. Op de rest moet er wel betaald worden. Alle Ieperse parochianen die werken op het Westhof moeten in hun respectieve parochies begraven worden. Tenzij ze er vooraf voor kiezen om een grafsteen te hebben in de bossen van Zonnebeke. In deze gevallen wordt de begrafenisdienst gehouden in de parochiekerk van de overledene en wordt die achteraf begraven in de bossen.
In het begin van 1224 verwerft het kapittel tiendenrechten in Reningelst. De verkoper is Daniël van Denterghem. Hij krijgt hiervoor de toestemming van zijn echtgenote Béatrix, zijn zoon Lambert en zijn dochter Adelise met haar man Gerard. De verkoop wordt op 17 februari 1224 geofficialiseerd door Adam, de bisschop van Terwaan. In Ieper wordt in 1226 het Sint-Katharinahospitium opgericht. Een instelling waar stervende mensen naartoe kunnen wanneer ze niet langer thuis kunnen blijven. Het gesticht wordt bekend als het Lambert Voethospitium.
Het centrum is de eerste van een reeks liefdadigheidsinstellingen die de komende jaren het licht zullen zien in het exploderende Ieper. Het Voethospitium ligt in de Rijselstraat waar zich einde van de 19de eeuw een brasserie bevindt van een zekere M. Verheylewegen. In 1227 wordt het huis geopend in aanwezigheid van de schepenen en van Margaretha Medem, de weduwe van de weldoener Lambert Voet. De instelling is er gekomen dank zij een verzoening tussen de gegoede Ieperse families Medem en Voet. Aan de ene kant zien we de clan van Jean Medem, de broer van Margaretha. Aan de andere kant de familie Voet en hun achterban. Jean Medem en Lambert Voet zetelen allebei in het schepencollege van de lichting 1225.
Maar tussen de twee woedt een heuse privé oorlog, één van de ergste uit de geschiedenis van Ieper. Zelfs gravin Johanna van Constantinopel ziet zich op 7 oktober 1225 verplicht om tussen te komen en beide families te verzoeken om een einde te maken aan die bittere strijd en vrede te brengen tussen de families.
De opening van het Lambert Voethospitium volgt 15 maanden na die verzoening. Margaretha verklaart aan de schepenen dat ze haar woning voortaan zal aanwenden als verpleeghuis voor zieke en arme ouderen. Bij de opstart zijn er 20 bedden voorzien en dat aantal zal mee groeien met de beschikbare fondsen. Het budget bedraagt 100 ponden die vrijkomen dank zij een borgstelling op de woning. Margaretha regelt dat haar broeders en zusters na haar dood een jaarlijkse rente van 7 pond zullen ontvangen.
Haar eigen broer Henri en zuster Adelise krijgen in ruil voor de inpandstelling jaarlijks 14 pond. Na een reeks van officiële akten en goedkeuring wordt de regeling op 25 januari 1228 door Paus Gregorius IX aan Margaretha Medem bevestigd. Het nieuwe Ieperse hospitium wordt een heikel aandachtspunt voor abt Hugo. Als er sprake is van geestelijke zorgen, dan willen die van Sint-Maarten de controle houden. Je mag niet vergeten dat hij hier oog in oog komt te staan met de machtigste families van de stad. Zij die het voor het zeggen hebben. Er wordt twee jaar onderhandeld met de schepenen over passende bijdragen van het Lambert Voetgesticht.
Uiteindelijk komen de partijen er uit. De proost krijgt algemene zeggenschap over de geestelijke zaken. De broeders en de zusters van de instelling krijgen elk hun habijt van Sint-Maarten en moeten zich schikken naar de wetten van de proosdij. Ze moeten zich onberispelijk en eerlijk gedragen. Na de dood van Margaretha Medem zullen de schepenen de autoriteit krijgen over de praktische beslommeringen van het ouderentehuis. De broeders en zusters zullen gezamenlijk in eer en geweten keuzes maken over de voordracht van hun nieuwe chef (magister) of de aanstelling van nieuwe broeders en zusters. Er worden procedures voorzien voor de gevallen dat dit niet lukt op het niveau van de broeders en zusters.
Noch de proost, noch de schepenen zullen in de toekomst op geen enkele manier inbreuk mogen doen aan de waarde van de instelling of zaken ervan gebruiken voor andere doeleinden. De proost of de kapelaan zullen de biecht horen van de zieken en indien nodig de werking van het gesticht bijsturen. Het nieuwe reglement wordt van kracht in de meimaand van het jaar 1230. Ook Pierre, de bisschop van Terwaan, moet op verzoek van Margaretha de akte goedkeuren. Naast die ene akte zien we in mei 1230 nog een tweede exemplaar verschijnen.
De broeders en de zusters van het tehuis leggen hun geloften af in de handen van de proost. Hierbij doen ze afstand van hun eigendommen. De daaropvolgende maand regelt Margaretha voor de schepenen van de stad een jaarlijkse betaling van 20 pond aan de kerk van Sint-Maarten. Daarvan gaan 15 pond naar de kapelaan die de missen zal celebreren in het gesticht. Vijf pond gaan naar zijn assistent. Het geld komt uit pandstellingen van verscheidene huizen waaronder drie woningen in de Bukkerstraat die zich rechtover gronden van Sint-Maarten bevinden.
Ook haar gronden gelegen bij de stadswallen, dicht bij het Lambert Voetgesticht, zijn betrokken bij de transactie. Proost Hugo wil niet het minste risico nemen. In juli 1230 dient Margaretha voor de bisschop van Terwaan nog zelf een aantal beloftes te doen. In het hospitium mag er maar één altaar staan, dat van de kapel. Geen klok (campana) en geen bel (nola) mag gehoord worden.
Alleen een cimbaal (cymbalum) mag de broeders en zusters oproepen om zich te begeven naar hun slaap- of bidplekken. Of naar de mis. Er mag geen offerblok opgesteld staan. Alle offerandes die gehouden worden voor het altaar van de kapel komen integraal toe aan Sint-Maartens. De kosten van kaarsen en kandelaars worden gedeeld. De overste moet zweren dat ze op geen enkele tijdstip geld zal verduisteren dat toebehoort aan de kerk. Als er kruisen of afbeeldingen van heiligen hangen buiten de kapel, dan mogen die enkel en alleen opgehangen worden in de ziekenzalen. Het hospitium zorgt voor de gewaden van de priester en voor al het materiaal die hij nodig heeft voor zijn misvieringen. Als tegenprestatie vanwege de kerk, zorgt bisschop Pierre ervoor dat de nieuwe kapel gewijd wordt.
–
Uit deel 2 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


