banner
mei 14, 2018
2268 Views

Een eigenzinnige tante

Written by

Die mevrouw Medem moet niet alleen een vrouw van standing en niveau geweest zijn. Ze is vooral een eigenzinnige tante die het niet altijd zo nauw neemt met haar engagement tegenover de proosdij van Sint-Maarten.

banner

Na het overlijden van Hugo, komt meester Lambert van Gheluwe, telg van een van de goede families die Vlaanderen rijk is, aan het roer van de proosdij van Sint-Maarten. Zijn naam flaneert al op akten van de proosdij uit 1208 en 1224. Een oudgediende dus. Hij onderhoudt nauwe relaties met de monniken van Châlons-en-Champagne waardoor er een soort van broederschap ontstaat tussen beide abdijen. De Franse geestelijken engageren zich om naar Ieper te komen om er de begrafenisdienst te helpen opdragen telkens een van de broeders van Sint-Maarten sterft. Ze komen trouwens ook jaarlijks zingen in de kerk van Sint-Maarten op de dag van de heilige Elooi, 1 december van elk jaar. De monniken uit Châlons-en-Champagne en die van Ieper kunnen vrij over elkaars slaapzalen beschikken, ze bidden en ze werken alsof ze één grote kloostergemeenschap zijn. Lambert mag onmiddellijk rekenen op een aantal voorrechten voor zichzelf en zijn abdij. Op 9 juni 1233 oordeelt bisschop Pierre van Terwaan dat het eigenlijk niet aangewezen is om voor elke kerkelijke instructie telkens naar Terwaan te moeten afreizen. Lambert mag voortaan zelf recht spreken en instructies geven binnen de stad van Ieper.

Ook zijn voorganger Hugo had zich blijkbaar die autonomie toegeëigend. In 1235 komt Sint-Maartens onder de hoge bescherming van Paus Gregorius IX. Het is vooral het hospitium van Sinte-Katherine die de aandacht vergt van Lambert van Gheluwe. Het pas opgerichte ouderenverblijf groeit en bloeit dank zij schenkingen die het vanuit alle mogelijke hoeken ontvangt. De testamentaire uitvoerders van de erfenis van graaf Ferrand wijzen in augustus van 1233 aan het gesticht van Margaretha Medem liefst een jaarlijkse rente van 100 pond toe, waarvan 15 pond exclusief moet gaan naar de arme mensen en de zieke residenten.

Die mevrouw Medem moet niet alleen een vrouw van standing en niveau geweest zijn. Ze is vooral een eigenzinnige tante die het niet altijd zo nauw neemt met haar engagement tegenover de proosdij van Sint-Maarten. Zo moet ze in juni van het jaar 1233 verschijnen voor de abten van Zonnebeke en Voormezele en de deken van de Ieperse christenheid waarbij ze in de handen van proost Lambert moet zweren niets te ondernemen om de offergaven van de kerk nog in het gedrang te brengen. Er moeten dus al vermoedens bestaan dat stichtster Margaretha een deel van de offergaven probeert te spenderen voor eigen gebruik.

Het succes van het hospitium dreigt trouwens de inkomsten van de kerk in het gedrang te brengen. Waarom anders zou ze moeten zweren dat ze geen nieuwe kapel zal bouwen en de bestaande kapel niet zal uitbreiden? Ook het verbod van klokkengeluid heeft ze aan haar laars gelapt waarvoor ze ook hier en nu wordt terug gefloten door de Ieperse geestelijke autoriteiten. Maar Margaretha van Medem laat de berisping niet echt aan haar hart komen. Ze bouwt toch maar netjes een nieuwe gebedskapel dicht bij haar hospitium. Opnieuw wordt ze door de apostolische goegemeente op de vingers getikt. Ze mag het komen uitleggen bij de abten van Lo en Eversam.

Waarom heeft ze haar eed gebroken? Ze antwoordt dat het nieuwe gebouw niet mag beschouwd worden als een kapel of een bidplaats, maar als een privévertrek die ze voor eigen gebruik heeft laten construeren. Ze zweert nog maar eens dat ze nooit of nooit een altaar zal oprichten zonder de goedkeuring van de kerk in Ieper. De bazen van Lo en Eversam hebben op 18 december 1234 de toelating gekregen van paus Gregorius IX om in gevallen van nood de banvloek uit te spreken in eigen contreien. Ze dreigen er nu op hun beurt mee om iedereen die van dicht of van ver alsnog betrokken geraakt met de uitbouw van het nieuwe altaar te trakteren op excommunicatie.

Maar de Ieperlingen stromen in steeds groter getale toe in de kapel van Sinte-Katherine. Wat maakt de kapel zo aantrekkelijk? Maakt Margaretha zich populair met haar verzet tegen die van Sint-Maarten? Op zon- en feestdagen is het drummen om een vrij plaatsje te vinden in de kapel. Precies op die dagen staan de priesters van de proosdij in hun respectieve parochiekerken klaar om hun wekelijkse sermoenen te geven. De woorden van God vertaald in brutale instructies voor het gewone volk. Brainwash. Bangmakerij van de simpele zielen. Maar al wie naar Sinte-Katherine naar de mis gaat, ontbreekt natuurlijk in de officiële parochiekerken.

De bisschop gaat er zich mee bemoeien. Die slechte gewoontes schieten van langs om meer wortel in Ieper. Er moet paal en perk gesteld worden aan deze wantoestanden. Op 7 juni 1233 beveelt Pierre van Terwaan aan proost Lambert dat hij alle gelovigen moet optrommelen en hun te verplichten hun wekelijkse kerkgang te doen in de kerken van de parochies waar ze woonachtig zijn. Hier en nergens anders moeten ze de woorden van God ondergaan. De proost mag desgewenst de banvloek uitspreken tegen de weerbarstige gelovigen die niet willen luisteren naar de bevelen van de kerkelijke autoriteiten. De uitspraak van bisschop Pierre wordt in oktober 1233 bevestigd door Henri, de aartsbisschop van Reims. Maar de afdreiging van de mensen lijkt niet te werken.

Valt abt Lambert te zwak uit in zijn functie? Een jaar na datum klaagt hij er nog altijd over dat hele groepen mensen blijven naar de mis gaan in de kapel van Margaretha en dat ze de verplichte sermoenen van zijn priesters blijven negeren. De Medem wordt er opnieuw bijgeroepen. Ze mag blijven haar misvieringen houden op zon- en feestdagen en op de uren die verplicht worden door de proost zelf. De Rubrum registers geven geen verdere details vrij, maar het lijdt geen twijfel dat er voortaan geen misvieringen meer zullen doorgaan op de uren tijdens de welke de parochianen hun sermoenen ondergaan in hun parochiekerken.

Wat gebeurt er ondertussen met de inhoud van de offerblokken? Margaretha van Medem beseft ook wel dat meer volk in haar kapel meer centen betekent voor haar organisatie. Jaren later blijft geld nog altijd de ultieme drijfveer voor de kerk om in te grijpen in het hospitium. In augustus 1238 verduidelijkt bisschop Pierre van Terwaan nog maar een keer dat de giften aan de kapel van Sinte-Katherine integraal toekomen aan de proost en zijn kapittel. Het lijkt er nu sterk op dat het geestelijke en financiële regime van de kapel nu onder controle is van Sint-Maarten en de geestelijke kliek van Terwaan.

De relatie tussen de schepenen en abt Lambert van Gheluwe lijkt in die periode prima te zijn en gevuld met goede intenties vanwege de beide partijen. Het leprozenhuis in de nabijheid van de Torhoutpoort wordt afgebroken en verhuist nog voor 1235 naar een nieuwe locatie die ongeveer een kilometer verder weg ligt van het centrum. Het besmettingsgevaar van de leprozen is te riskant voor de stadsbewoners en het gesticht wordt overgebracht naar een heuvel van de ‘Hoghen zieken buten Ypre’, in de ‘parochia Sancti Johannis Yprensis’, nog altijd aan dezelfde straatzijde van de Torhoutstraete. Het situeert zich ter hoogte van de plaats waar veel later de nieuwe kerk van Sint-Jan (Sint-Jans buyten Ypre) zal gebouwd worden.

De oude leprozenkapel bij de Torhoutpoort, diegene die opgedragen is aan de heilige Marie-Madeleine, blijft voorlopig overeind. Het is blijkbaar belangrijk om de cultus van aanbidding van die Marie-Madeleine niet te onderbreken of te verstoren. In maart 1236 komen de proost en de schepenen overeen dat er elke week een mis zal worden opgedragen in de leprozenkapel en dat Sint-Maartens zoals gewoonlijk alle giften in de offerblokken voor zich mag houden. De geestelijken zijn echter bereid om een deel van de inkomsten af te staan aan het gesticht zodat ze ook op ‘Hoghen Zieken’ kunnen overgaan tot de constructie van een nieuwe kapel.

Van dan af aan zijn er twee Marie-Madeleine kapellen in Ieper. Het wordt oppassen voor Feys en Nelis om ze niet door elkaar te halen. Maar er valt eigenlijk nog weinig te vertellen over de leprozerie met uitzondering van een schenking die pas op veel latere datum gebeurt. Op 3 april 1292 zal proost Robert een overeenkomst afsluiten met Adelise van Haringhe waarbij een kapelanij gesticht wordt in de kerk van de heilige Marie-Madeleine van Ieper. De stichtster stopt 300 Doornikse ponden in het project en engageert zich verder nog om jaarlijks 10 pond te betalen aan Jan van Calais die opgedragen wordt om wekelijks 7 missen op te dragen in de ‘Zieker lieden oude capelle’.

Na de dood van Jean van Calais zullen de kanunniken van Sint-Maarten of een door hen gekozen reguliere priester, instaan voor de 7 missen. Op zon- en feestdagen mogen er geen missen gecelebreerd worden voor 9 uur in de morgen (hora tercia) zodat de parochianen zeker niet zullen ontbreken in de parochiekerken om er hun preek te ondergaan. Maar we leven nog lang niet in 1292. We keren opnieuw terug naar de Ieperse schepenen in december van het jaar 1237. Er wordt een akkoord gesloten tussen de stad en het kapittel.

Er is een geschil ontstaan rond de grenzen van het terrein tussen de Sint-Maartenskerk en de wat verderop gelegen Ieperlee (anno 2013 de Coomansstraat) die voorbijstroomt onder de steigers van de sinds 1200 in opbouw zijnde lakenhalle. Dicht bij de plek waar het fiere burgerlijke belfort nu al een jaar of zeven de competitie aangaat met de toren van Sint-Maarten.

Na heel wat discussies geraken ze er toch uit. De schepenen en de gemeenschap van de stad krijgen de grond voor de eeuwigheid. Ze mogen de grond gebruiken om er werkzaamheden uit te voeren, maar tussen de kerk en de Ieperlee mag er nooit worden gebouwd. Het is dank zij die overeenkomst uit 1237 dat we in onze moderne dagen nog steeds de beschikking hebben over de grote Leet-parking tussen de Elverdingestraat en de Coomansstraat. De verwijzing naar werkzaamheden (pour faire des engins et pour les autres affaires de la ville) op het terrein hebben waarschijnlijk te maken met het laden en lossen van schaapswol en afgewerkt laken ter hoogte van de lakenhalle.

De stad betaalt jaarlijks de som van 23 pond voor het bezit van de grond. De helft moet betaald worden half maart en de rest met Sint-Bavo, op 1 oktober. We maken voor de eerste keer kennis met de begijnen van Ieper. Een rijke Ieperse poorter vertrouwt de kerk van Sint-Maarten, tegen een jaarlijkse vergoeding van 60 cent, een stuk grond toe in Brielen, niet ver van de Onze-Lieve-Vrouwkerk en aan de oostelijke zijde ervan. De al lang verdwenen kerk van Brielen bevond zich achter het hedendaagse tankstation van Heites. Het stuk grond waarvan sprake is, moet dus in de buurt liggen van de nieuwe bib en het stadsarchief.

Op vraag van de graaf van Vlaanderen besluiten de proost, de deken en het kapittel om de grond af te staan aan de arme vrouwen van de stad, de begijnen, die er diezelfde 60 cent moeten voor betalen. De begijnen mogen (vanzelfsprekend) geen kapel en geen klooster bouwen zonder de toestemming van de kerkelijke autoriteiten. Gravin Johanna van Constantinopel, hoofdleendame van de grond, maakt zich sterk dat zij en haar opvolgers er op zullen toezien dat de regeling strikt wordt nageleefd. Het valt in dit archiefstuk op dat de functie van deken trouwens aan belang lijkt te hebben gewonnen.

Lambert van Gheluwe zorgt voor enkele belangrijke acquisities voor zijn proosdij. De meest belangrijke acquisitie is het verwerven van een zesde deel van de rechten op Boezinge dat in die dagen zowat het hele oostelijke deel van het latere nieuwe Brielen behelst. De loop van de Ieperlee, de levensader voor Ieper, verloopt ettelijke kilometer doorheen het grondgebied van Boezinge. De macht over Boezinge is dus in grote mate ook de macht over de Ieperlee!

De abdij was al jaren in het bezit van een derde van diezelfde rechten en wordt nu dus logischerwijze eigenaar van de helft van Boezinge. De hoofdleenheer is nog steeds de burggraaf van Rijsel. De leenheer van het zesde deel is in handen van Zeger du Mont die het voor het grootste deel erfrechtelijk heeft overgemaakt aan Terricus, de zoon van Jean Medem en aan Jan Par, beiden burgers van Ieper. Het deel waarop Zeger du Mont alleen maar de naakte eigendom bezat is nog steeds in handen van zijn weduwe, de dame van Eecke. Het zijn die Terricus Medem en Jan Par die besluiten om hun rechten te verkopen aan het kapittel van Sint-Maarten die al lange tijd de scepter zwaait in de parochie van Boezinge.

Ze komen in 1234 samen voor Willem, de burggraaf van Rijsel, om de transactie te officialiseren. In 1239 wint de proosdij opnieuw nieuwe gebieden in Calonne (aan de Schelde tussen Doornik en Antoing). Ridder Willem van Calonne en zijn echtgenote Mathilde verkopen voor 100 Artesische ponden een uitgestrekte weide aan de noordzijde van hun gebied. Daar waar er een waterval is in de rivier de Calonne. Bij de verkoop wordt er ook een straat verkocht in het westen. Die weg maakt het mogelijk om de boerderij van Sint-Maarten te verbinden met de vijver ‘Beauvoir’. De geestelijken krijgen er trouwens ook vrije doorgang op en onder de brug Riquard zodat goederen, dieren en mensen, te land en over het water vrij in en uit de hofstede kunnen.

In 1239 kent de burggraaf van Saint-Omer, ten eeuwigen dage, jaarlijks zes tonnen wijn toe aan de abdij. De enige voorwaarde hierbij is dat ze absolutie dienen te geven aan de mensen die de persing hebben gedaan en er voor dienen te zorgen dat de wijn ter plekke komt in Ieper. Feys en Nelis buigen zich nu over twee stukken die niet echt van belang zijn voor de proosdij maar wel interessante details vrijgeven over de lokale geschiedenis. Een eerste document dateert van 23 oktober 1243. Ridder Michiel van Ieper stelt zich garant dat zijn neven Nicolas, Robert, Jacques en Aelis, de zonen van zijn zuster Margaretha, zich nooit zullen verzetten tegen de verkoop van de rechten op een goed in Zillebeke, waar een rente van 10 stuivers aan vast hangt.

De begunstigde is Jean Episcopus, de deken van Sint-Maarten. De akte wordt opgesteld en ondertekend door Jean Bonus van de confrérie van de gilde der stadsklerken. Het tweede stuk is van 5 maart 1244. Die Michiel van Herenthaghe blijkt synoniem te zijn van de eerdere weldoener Michiel van Ieper. Hij en zijn zuster Margaretha van Ieper verleggen de rente van 9,5 Artesische ponden naar de abdij Ter Duinen die ze op haar beurt dient te betalen aan de kerk van Sint-Maarten. De schenking wordt aanvaard door de kanunniken Thomas Brune en Jacques van Brugge en door proost Lambert van Gheluwe persoonlijk.

Dit is een fragment uit deel 2 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *