Eegde (eg)
Eeketesse (salamander)
Eenbolg (alles voor hem zelf)
Eetekonte (geile vrouw)
Egerre (een kier)
Eierpuf (oprisping)
Eirmtierig (armoedig)
Eisde (hooiruif)
Elde (leeftijd)
Ellepek (stout kind)
Ellietje (een beetje)
Elloezedraain (beetnemen)
Enat (hij had)
Eneeje (nietwaar)
Eneeje enei (nietwaar in Ieper)
Enet (hij heeft)
Enistjiete (bewusteloos)
Ennee! (nietwaar!)
Ennezoo (zomaar)
Ennontn (als hij)
Enoense (niet het minst)
Enoerie (van de kweek)
Epieper (zoen)
Epieptje (een kusje)
Epolletje (slaappuntje in een kafzak)
Eprotdoen (neuken)
Erande (herhaling)
Ertefretn (lastig zijn)
Eschieje (opvlieging)
Estriebeld (toebedeeld)
Etoeveele (zeer veel)
Etwaar – etwaastn (ergens)
Etwodde (klein beetje)
Etwoddetje (klein beetje)
Etwoo (ergens)
Ewietn (onnozelaar)
Explikeern (uitleggen)
Ezaatedoen (boemelen)
–
Uit ‘900 Westhoekse dialectwoorden’ van Adhemar Vandroemme
Article Tags:
eenbolg · eetekonte · egerre · ellietje · elloezedraain · eneeje · enistjiete · Epieper · Eprotdoen · Ertefretn · etwietn · etwodde · etwoo · explikeern · ezaatedoenArticle Categories:
naar de bronnen van onze taal

