De Bucht (maandstonden)
Deefln (bepotelen)
De piest in (hazenpad)
Derlansn (er neven)
Der neffen (ernaast)
Desschn (dorsen)
Dakke (dat ik)
Damme (dat wij)
Danke (moest ik)
De Bucht (maandstonden)
Deefln (bepotelen)
De piest in (hazenpad)
Derlansn (er neven)
Der neffen (ernaast)
Desschn (dorsen)
Deuredraain (slippen van wiel)
Deurjaagr (magere veeleter)
De Zulle (overnameprijs van een zaak)
Diekant (gracht)
Dilt (hooizolder)
Dingsche (hij daar)
Djentn (een rare)
Doeninge (huis)
Doeninsche (hoeveke)
Dreevl (rugzak van smokkelaars)
Dresschn (stortregenen)
Driefjacht (klopjacht)
Droef (stout)
Drommedoen (iets met opzet doen)
Dukkeln (duiken)
Dukn (verbergen)
Dukkenekn (gebukt lopen)
Dunnekeuntje (klein ventje)
Dutje doen (korte slaap)
Duts (sukkelaar)
Dwaazekloot (onnozelaar)
Dweis (dwars)
–
900 Westhoekse dialectwoorden door Adhemar Vandroemme (2005)
Article Tags:
dakke · Damme · de bucht · de piste in · dingsche · dingske · doeninge · drijfjacht · duikelen · dukkeln · dutje doen · ernaast · maandstonden · opzetArticle Categories:
naar de bronnen van onze taal

