Kassiene (vensterbank)
Kastaar (krak)
Katjeduuk (vestoppertje)
Kattebeiers (braambessen)
Kattievig (ziekelijk)
Inkelblok (houten blokje)
Inkelkot (kader op de grond)
Inkeln (op één been springend spel)
Insel (unster)
Inseln (achteruitgaan)
Jaaje (je mag)
Jammekloot (onnozelaar)
Jeukebubl (muggenbeet)
Joentjes (kindertjes)
Jok (juk)
Jommo (ja maar)
Juldr (van jullie)
Juttekokookn (schommelen)
Kaajietn (janken)
Kaalien (liefkozen)
Kaaliescheklutsr (minderwaardig persoon)
Kaalutje (ding)
Kaansl (wissen mand)
Kaapittelstok (sluitstuk van ketting)
Kaapuuschong (regenjas met kap en zonder mouwen)
Kaarootn (wortelen)
Kaaschepoo (bloempot)
Kaave (schouwpijp)
Kabbaa (netzak)
Kachtelgat (dikbil)
Kafmol (helper bij het dorsen)
Kakkernest (jongste kind)
Kalle (dwaze vrouw)
Kallemoeie (oude vrouw)
Kalleping (klein schrijfboekje)
Kallesong (lange onderbroek)
Kalloonegat (opening onderaan een muur)
Karreslag (weg met diepe geulen)
Karrewaat (typetje)
Kassiene (vensterbank)
Kastaar (krak)
Katjeduuk (vestoppertje)
Kattebeiers (braambessen)
Kattievig (ziekelijk)
Keiremelk (karnemelk)
Keirn (karnen)
Keiseroet (kaarsvet)
Keizn (kersen)
Ken (ik heb)
Keppedoen (vertroetelen)
Keppesleppe (verwend kind)
Kerkofbloemn (bruine vlekken op je huid)
Keun (konijn)
Keuvelende (topgevel)
–
Westhoekse dialectwoorden verzameld door Adhemar Vandroemme
Article Tags:
inkelkot · inseln · jaaje · jeukebubl · jommo · juldr · kaansl · kaaschepoo · kabbaa · kakkernest · kallemoeie · kallesong · karrewaat · kassiene · kastaar · keiseroet · kenArticle Categories:
naar de bronnen van onze taal

