Anno 1931, op de 15de juni, maandag aanstaande, zou in Voormezele de processie van het Heilig Bloed doorgaan. Niemand zou ontkennen dat Brugge de kostelijke religie van het Heilig Bloed bezat. Deze trok alle aandacht op zich, en zo werden de andere overblijfselen van Christus’ bloed die hier en elders berustten doorgaans minder gewaardeerd. Wat ons bisdom Brugge betrof bezaten we een prachtig drieluik waarvan het hoofdtafereel in Brugge’s bloedkapel te vinden was. Daarna kwam Gistel met een stukje laken doortrokken van het Heilig Bloed en uiteindelijk Voormezele met het zand van de Calvarieberg vermengd met het kostbaar bloed van Christus.
Voormezele was een klein dorpje op een uurtje zuidwaarts van Ieper. De tram van Ieper naar Kemmel voerde u tot op een tiental minuten van de dorpsplaats. Voormezele was inbegrepen onder de 800 parochies die omstreeks 774 in het bisdom van Terwaan lagen. In het jaar 1100, onder Robrecht van Jeruzalem werd er een klooster van reguliere kanunniken gesticht. De tweede proost, Isaac stond in hoog aanzien bij het Hof van Vlaanderen. Hij reisde drie of vier keer naar de eeuwige stad waar hij door de paus zelf ontvangen werd en veel weldaden en voorrechten mocht ontvangen. De kostelijke gift die hij van Rome meebracht was de relikwie van het Heilig Bloed. Dat Isaac in de jaren 1100 die schat aan Voormezele bezorgde konden we opmaken uit een zeer oud document van de voormalige abdij van Voormezele en ook uit de archiefstukken van Ieper die verklaarden dat het Heilig Bloed, van Rome naar Ieper overgebracht werd door de proost Isaac, op 29 juni 1152 stoetsgewijze van deze stad naar de abdij van Voormezele werd overgevoerd.
De monniken waakten over de relikwie en deden veel om ze aan het gelovig volk kenbaar te maken. Het dierbaar overblijfsel was nauwelijks overgebracht in het klooster van Voormezele of het verwekte een grote toeloop van gelovigen die hun hulde en eerbied kwamen aanbieden. Met de verspreiding van de goede tijding kwamen steeds meer bedevaarders op bezoek. Vooral op vrijdag was er een grote toevloed. Hoe het Heilig Bloed bewaard werd in de 16de eeuw konden we lezen in het verslag van de heren vicarissen van het bisdom Ieper: ‘Daar was een klein kofferke met koperen slot, versierd door allerlei gekleurd glas. Daarin stond een doos of ciborie met gele zijde overdekt en waarop geschreven was “Jesu”.
In deze doos lag een pakje met de grootte van een kleine noot, in een perkamenten band gewonden waarop geschreven stond: “De pulvere Sanguine Christi inteneto”, wat betekent “stof doortrokken met bloed van Christus”’. In 1566 werd de proosdij de prooi van de beeldenstormerij. Slechts in 1620 was het klooster heropgebouwd. In 1667 werd het tot abdij verheven met de naam van ‘Lopulente’. De abdijkerk diende voor de klooster- en parochiediensten tot op 10de mei 1794, de datum waarop de Franse republikeinen het klooster verwoest hebben. De parochiekerk werd in 1807 heropgebouwd in 1811 maar werd tijdens de oorlog totaal vernield.
Na de oorlog verrees ze in neo-romaanse stijl, het werk van bouwkundige J. Coomans. In de loop van de eeuwen moest het Heilig Bloed van Voormezele meermaals in veiligheid gebracht worden. Zo onder meer tijdens de Franse overheersing op het einde van de 18de eeuw toen de kerk van Voormezele helemaal afbrandde. De kostbare relikwie werd in veiligheid gebracht op een geheime plaats van de refuge van de paters te Ieper. In 1802 werd het Heilig Bloed met veel plechtigheid naar Voormezele teruggebracht. Tijdens de oorlog 1914-1918 werd Voormezele helemaal vernield en omwoeld. Men metste de relikwie van het Heilig Bloed eerst in de kelder van de pastorie van Voormezele. Gedurende de nacht van 12 februari 1915 werd ze daar uitgehaald door pater Keam, aalmoezenier van het Engels leger.
Hij bracht ze naar Dikkebus. Daar werd ze ter verering van de gelovigen uitgestald op zondag 14 en 21 februari 1915. De 22ste februari werd de relikwie door de zorgen van onderpastoor Vantemsche van Voormezele naar Reningelst gedragen waar hij haar toevertrouwde aan de zusters van het klooster van Voormezele. Deze zusters verhuisden eerste naar Frans Abele waar ze het Heilig Bloed lieten vereren. Ze trokken daarna met hun schat naar Lourdes in Zuid-Frankrijk. Daar bleef de kostbare schat goed bewaard tot aan het einde van de oorlog. Met dank aan de zorgen van pastoor Desmet van Voormezele en aalmoezenier van de vluchtelingen in die streek. In 1920 bracht deze pastoor het Heilig bloed terug naar Voormezele en op 6 juni van datzelfde jaar vond er een processie plaats onder toeloop van een groot aantal bedevaarders.
Dat aantal groeide nog jaarlijks aan. Vroeger werd het Heilig Bloed jaarlijks op de derde Paasdag en op de feestdag van de Heilig Kruisvinding op 3 mei in plechtige processie rondgedragen door de abt van het klooster, vergezeld van al zijn monniken en gevolgd door een grote menigte parochianen en inwoners van Ieper en de omliggende gemeenten. Te Voormezele bestond er nog een broederschap van het Allerheiligste Bloed waarin iedere gelovige kon opgenomen worden. Dit broederschap werd op 17 mei 1664 ingesteld en met menigvuldige aflaten verrijkt door paus Alexander VII.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


