11 juli 1588. Om 2 uur in de nacht staat een bode aan de Mesenpoort te roepen en te schreeuwen dat de wachter de poort moet openen. Korte tijd later wordt de man binnengelaten, een boodschapper met brieven gericht aan de commissaris van de bevoorraders die zich blijkbaar in Ieper bevindt. Wat is er zo dringend dat de afgezant niet kan wachten tot aan de ochtend? Zijn bericht stelt ons allerminst gerust. Gisterenavond zijn er vrijwel uit het niets zes- of zevenduizend Duitse soldaten voor de poorten van Wervik opgedoken. Aan de Leie blijven de stadspoorten begrijpelijkerwijze potdicht. De Wervikanen zijn niet gek. Gevolg is natuurlijk dat heel dat Duits leger nu op weg is naar Ieper. Ook hier wordt voorzichtigheid gepredikt.
Om 7u gaan de Boezingepoort, de Torhoutpoort en de Mesenpoort open maar de wacht wordt in elk geval versterkt. De eerste tekenen van de komst van het leger bemerken we een uur of twee later. De koeien die grazen in de buitengebieden worden binnen de stadsmuren geleid. De nervositeit stijgt met de minuut, rond de middag beginnen de kerkklokken al gekken te luiden. Het gelui houdt koppig aan, de gealarmeerde poorters haasten zich naar de vestingen ter hoogte van de Mesenpoort om niets van het schouwspel te missen. Aan de Boezingepoort bij ‘De Katte’ vertrekt Olivier de Kerele. Hij kreeg van onze wetsheren de opdracht om naar Langemark te reizen. Hij is in het gezelschap van onze ‘geweldige’ baljuw, een kloeke vrome man zolang je niet tegen zijn kar rijdt. Dat zal ongetwijfeld het geval zijn voor de acht geketende gevangen die achter hem aan mee sukkelen. Ze worden gevolgd door een dozijn gerechtsdienaars en een groepje kapiteinen en luitenanten te paard.
Aan de Mesenpoort begint stilaan de doortocht van het grote Duitse leger. Vooraan vallen vijftig à zestig hellebaardiers. Hun uitrusting fonkelt uitbundig in de julizon. Daarna volgen de musketschieters, kruisboogmannen en erg veel lansiers. In de verte komen acht schone vendels aangestapt. Ze worden voorafgegaan door de kloekste mannen die enorme zwaarden met zich meedragen, zeker honderd man. En tussen de diverse vendels door zien wij Ieperlingen ook nog sterke fiere paardenlieden, fraaie ruiters, ja de Duitsers zijn een fier volk, dat zien we zo. Het zijn deze ruiters die de voetknechten van de vendels zonder ophouden langs de stadsmuren sturen. De zwaardmannen worden op hun beurt gevolgd door een schijnbaar oneindige groep lansiers en een uitgebreide achterhoede van handboogschutters. Na de doortocht van de acht vendels is het de beurt aan de vrouwen en een hele stoet van karren en paarden. We komen werkelijk ogen tekort om al de details te begluren. Zo veel wagens en de meeste ervan zijn overspannen met een ronde huif, de Duitse stijl beweren hier enkele van de toeschouwers. In zowat elke wagen zien we een levende haan, zittend of staand en brutaal om zich heen kijkend zoals alleen een haan dat kan. Die Germanen voeren verdorie hun ‘urenslag’ met zich mee. Dat vermoeden we toch.
En die massa vrouwen dan. Vuile, lelijke vrouwen op blote voeten, wel met kousen aan maar dan zonder voetlingen. Aan de zijkant van de wagens prijkt een ladder om het opstijgen gemakkelijker te maken. De karren lijken haast onmogelijk volgeladen met pakken en lasten. Hoe hebben ze dat kunnen regelen om zo’n massa in hun vehikels te wurmen? Voor ons Nederlanders lijkt dat een onmogelijke opgave. De hele karavaan oogt sensationeel, zo veel wapens, wagens en spiesen. De soldaten en de mensen lopen ongelooflijk gemonteerd met hun tuig en wapens. Geen enkele soldaat draagt nog korte geweren, ze hebben allemaal hun eigen hoofdwapen, een ‘wijffels’-zwaard en een lans. Ze dragen allemaal harnassen en hun hoofdwapens, schitterende helmen. We vergapen ons op dit impressionante stroom van soldaten en munitie. En als ze dan allemaal voorbij gekomen zijn en we stilaan beginnen te denken om naar onze woningen terug te keren, en hier en daar wel eentje naar zijn staminee, passeren dan nog eens zeven vendels. Allemaal weer identiek als wat we al voorbij zagen komen. Een eindeloze sliert van soldaten, vijf naast elkaar. Wanneer de laatste soldaten van deze zeven vendels uiteindelijk voor onze ogen voorbij marcheren hebben de eerste vendels al Langemark bereikt.
Er zijn heel wat koebeesten achtergebleven op het land maar de pachters moeten voor één keer niet bang zijn om die te verliezen. Geen man, geen vrouw komt uit het keurslijf van de voorbijtrekkende legerparade. Typisch Duits denk ik: ordnung en discipline. Wat voor verschil toch met het zootje ongeregeld dat om de haverklap dood en verderf zaaide en het gewend was om de bevelen van hun kapiteinen te negeren. De Duitsers hebben het beter op. Ze voeren zelf hun eigen hoornbeesten met zich mee. Vijftig vette ossen, rood als die van het Normandisch ras, maar veel grover, met korte, vette gespierde nekken. Ze brengen die mee van hun eigen land, hun gegarandeerde provisie van levensmiddelen, best slim gezien. Daarnaast ook hele kuddes schapen, kleine beesten met afgezaagde hoornen.
Het valt ons op dat al dit volk, zowel de mannen als de vrouwen zo’n enorme krop hebben, precies grote vuisten. Ze blijken afkomstig uit het graafschap van Tirol, het merendeel is katholiek, afkomstig uit de buurt van Trente. Hun grote kroppen hebben ze niet van het drinken van water of gesmolten sneeuwwater in het gebergte, maar het is een volkje dat het gewoon is om droog brood te eten, zonder vlees of boter. En nochtans zijn het allemaal vrome mannen, hun overste luistert naar de naam van Don Ferdinand, van het huis van Oostenrijk en dat kunnen we rijkelijk zien aan de vlaggen van al de voorbijkomende vendels, allemaal rood-wit geschakeerd met rode kruisen.
Hun lansen zitten beschermd in soort muts, gemaakt van rode saai met tinten van wit wat ook het geval is voor de handvatten van de hellebaarden. De slagzwaarden, de harnassen en de wapens tonen allemaal die typische Zwitserse stijl. Zo komt dat verbluffend leger hier vier uur aan een stuk hier voorbij te Ieper, zonder onderbreking en dat allemaal tijdens deze prachtige zonnige dag. De Ieperlingen kijken massaal toe. Langs de straten en door de ramen, buiten en binnen vergapen we ons allemaal op al dat voorbijkomende volk. Zonder twijfel tienduizend man, soldaten die morgen brood zullen nodig hebben. Na hun passage schieten onze bakkers aan het werk want morgen zullen ze massaal veel brood moeten leveren.
12 juli 1588. Onze Duitse vrienden brachten de nacht door in Langemark. In de loop van deze voormiddag keren velen op hun stappen terug en zijn ze op bezoek in Ieper. We verwonderen ons erover dat de burgemeester het aandurft om zoveel vreemdelingen in één keer toe te laten in onze binnenstad. De handelaars zijn er in elk geval niet kwaad om. Ze doen gouden zaken. De Duitsers hebben veel waren nodig en betalen met echt geld. In de dichte omgeving van de stad is er hier en daar sprake van plunderingen. Niet van de Duitsers maar van Waalse landlopers. Daar kan Jan Rijssen de oude van meespreken. De brave man wordt door die Walen overvallen rond het ‘Ecken’ buiten de Antwerpse poort. De schoften stropen hem af tot op zijn naakt lijf. Ze laten de onthutste sukkelaar achter zonder kousen, schoenen of hemd. De bastaards gooien hem gelukkig nog een versleten jutezak toe om zijn naaktheid te bedekken. Het voorval bewijst nog maar een keer dat het geen lolletje is om zich buiten de stadspoorten te begeven. En dat is zeker al een understatement voor wie er moet wonen.
13 juli 1588. De Duitsers vertoeven nog altijd bij onze Langemarkse buren. Geruime tijd voor het openen van de stadspoorten vanmorgen staan ze al in drommen te wachten om weer bij ons binnengelaten te mogen worden. Ze hebben geld bij zich, Spaanse munt en franken waarmee ze bier kopen. In ongelooflijke hoeveelheden en echt goed komt dat niet uit voor de inwoners zelf. De voorbije weken konden de molens amper grondstoffen produceren door het ‘windeloze’ weer en kan er voorlopig niet echt veel gebrouwen worden. Terwijl de poorters hun laatste bier aan de horizon zien verdwijnen drinken de huurlingen zich een breuk. Omstreeks middernacht breken de Duitsers hun kamp op in Langemark. Aan de schele hoofdpijn van hun mannen storen hun officieren zich allerminst. Bij het eerste ochtendlicht blijken ze allemaal verdwenen, op weg naar Beerst boven Diksmuide en daar in de buurt waar ze de rest van hun landgenoten vervoegen.
Het leger telt nu al twintigduizend koppen en voorlopig ziet het er niet direct naar uit dat ze hier snel zullen verdwijnen. Daar zorgen de schepen van Holland en Zeeland wel voor. De hele geduchte geuzenvloot is tot stilstand gekomen voor de haven van Nieuwpoort en houdt de Noordzee geblokkeerd. De vaart tussen Ieper en Nieuwpoort ondervindt er grote hinder van. Vooral omdat ook de haven van Sluis ook al in een calvinistisch keurslijf zit. Onze soldaten moeten er voorlopig niet aan denken om de Vlaamse havens te gebruiken. Het blijft wachten op de komst van de aangekondigde Spaanse vloot. Van de onderhandelingen tussen de Engelsen en de Spanjaarden daar in Broekburg horen we weinig of niets. We moeten er naar mijn mening ook niet op rekenen dat daar iets positiefs uit de bus zal komen.
–
Uit deel 8 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – Dagboek van Augustijn –


