Tussen Veurne en Sint-Winoksbergen ligt een grote waterpartij van zowat 4.500 hectare, zo uitgestrekt dat die wel op een zee lijkt. Genaamd de grote en de kleine Moere. De waterkundigen van die tijd stellen voor om die ondiepe plaatsen droog te leggen en te transformeren tot vruchtbare gronden. Uit die ondiepe waterpoelen rijzen nogal wat slechte dampen die naast stank vooral zorgen voor besmettelijke ziekten bij de bevolking. Het droogleggen van de Moeren heeft in deze dubbele context dan ook alle zin. Een zekere Wenceslaus Coeberger, architect-kunstenaar en hydraulisch ingenieur uit Antwerpen beseft dat dit project best wel lucratief kan zijn. Hij krijgt in 1617 de toestemming van de aartshertogen Albrecht & Isabella om op eigen kosten aan de werken te beginnen. Ze zullen de gewonnen gronden fiftyfifty onder elkaar verdelen. De werken verlopen bijzonder moeizaam maar toch slaagt Coeberger er in 1620 in om via de nieuw aangelegde Moerevaart en de Moeresluis het water van de plas in de Noordzee te lozen.
Twee jaar later kan men nu beginnen met het aanleggen van vaarten en brede wegen. De hele oppervlakte van het gebied geraakt verdeeld in rechthoeken. Twintig windmolens trekken de rest van het water uit de laaggelegen sectoren. Het opgedroogde slijk wordt vervolgens bezaaid met koolzaad. Het blijkt al direct dat de grond uitermate vruchtbaar is. Vrij korte tijd later staan de Moeren bezaaid en geplant met alle soorten van houtgewas die er weelderig groeien. Hoven, hofsteden en boomgaarden schieten er uit de grond. Bij de verdeling van de Moeren komt het oostelijk deel ervan in handen van de aartshertogen, de ‘Coninx-Moere’. Het westelijk deel krijgt de naam ‘Coebergers-Moere’. Beide delen staan onder het toezicht van elk een magistraat met baljuw met griffier om de rechtspraak te regelen. Coeberger zal na enkele jaren zijn nieuwgewonnen land verkopen aan de heer van Noirmont die er in 1644 een kerk en veertig huizen laat bouwen en zo de parochie van Moerkerke sticht. Een wekelijkse markt biedt het perspectief om van Moerkerke een schone stad te maken, vooral omdat de rijke lieden van Sint-Winoksbergen en Veurne de Moeren bijzonder attractief vinden om er nieuwe lusthoven te bouwen.
Dat vooruitzicht wordt gekelderd door een oorlog die in 1644 heropflakkert tussen Frankrijk en de Spaanse Nederlanden. De Fransen veroveren de grenssteden van het Westland; Broekburg, Lens, Bethune. Twee jaar later staan ze te dreigen voor Sint-Winoksbergen. De Spaanse veldheer Don Antonio La Cueva die met 1.800 ruiters in de Moeren ligt, trekt zich noodgedwongen achteruit en laten daarmee deze vruchtbare streek open voor Franse roversbenden. Markgraaf de Leede, de bevelhebber van Duinkerke vreest door de Fransen bezet te worden en vindt er niets beter op om de sluizen open te zetten en zijn buitengebied weer onder water te zetten. Op 4 september 1646 loopt het zeewater ongestoord de Moeren binnen. De boeren ter plekke zien hun oogsten helemaal vernield en moeten zich op hun zolders reppen in afwachting dat ze met boten en schuiten aan land zullen kunnen worden gebracht. De Moeren zelf zijn teruggebracht tot de waterpoelen die ze ooit waren, een schandalige daad van de Leede die er maar weinig profijt mee haalt. Duinkerke, Veurne en zelfs het hele Westland worden door Lodewijk XIV overmeesterd.
Een poging van de Antwerpse koopman Jan Van Strype in 1664 om de drooglegging opnieuw te realiseren valt letterlijk en figuurlijk in het water door de troebele tijden. Vier jaar later belandt het Westland door het verdrag van Aken (2 mei 1668) weer in Franse handen. Colbert en markgraaf de Louvois krijgen het verdronken land in eigendom als ze er in slagen om het weer droog te leggen. Toch gaat ook deze poging opnieuw de mist in. Het zal nog duren tot aan de Oostenrijkse regering van Maria-Theresia vooraleer het Moereland weer tot leven zal komen. De Moeren verrijzen uit de dood. In 1750 herhalen nieuwe ingenieurs de oude technieken van Coeberger en verdwijnt het meeste water uit de Moeren. De laatste plas verdwijnt door toedoen van Herwyn van Veurne.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


