Tussen Hazebroek en Kassel, aan de oude baan van Belle naar Sint-Omaars, ligt de landbouwgemeente Hondegem, reeds in 1152 vermeld als Hundingehem, van het Germaans Hundinga Haim of woonplaats van de lieden van Hundo.
Pieter Treutenaere, de vrome pastoor van Hondegem
Tussen Hazebroek en Kassel, aan de oude baan van Belle naar Sint-Omaars, ligt de landbouwgemeente Hondegem, reeds in 1152 vermeld als Hundingehem, van het Germaans Hundinga Haim of woonplaats van de lieden van Hundo.
De gemeente kwam onlangs nog in de kijker, bij de viering van het honderdvijftig jaar bestaan van de nieuwe kerktoren. Hier werd in het begin van de 16de eeuw, Jaak de Buyzere geboren, apostaat van het klooster der Augustijnen te leper. Als protestant moest hij naar Engeland vluchten waar hij gedurende enkele jaren het ambt van protestantse minister te Sandwich bediende. Ondertussen zou hij er getrouwd zijn met de weduwe van Pieter Beun, Katerine de Raedt uit Nieuwkerke.
In de zomer van 1566 kwam hij uit Engeland terug, predikte voor een talrijke menigte te Poperinge en op 4 augustus te leper. Hij leidde de eerste beeldenstorm te Steenvoorde, hield menige sermoenen in de kasselrijen Belle en Kassel; was bij de slag van Austruweel op 13 maart 1567, predikte nog te Amsterdam en ontkwam naar Engeland. Hij werd verbannen evenals zijn vrouw en werd van het Algemeen Pardon in 1574 uitgesloten.
Een tegenbeeld van voormelde afvallige zou men pastoor Pieter Treutenaere kunnen noemen. Hij werd in 1803 op de plaats ’t Eygernest te Hazebroek geboren en stierf in geur van heiligheid te Hondegem.
Hij was de zoon van een landbouwer. Zijn eerste schooljaren brengt hij door te Kaaster, daarna volgt hij de lessen op het college te Hazebroek, onder het bestuur van Pierre Messue. Hij volbrengt zijn rhetorica te Kamerijk en treedt in het seminarie aldaar. Op 17 juni 1825, wordt hij priester gewijd en benoemd tot onderpastoor te Kaaster. De parochiewerkzaamheden beletten hem niet zijn kennissen uit te breiden o.m. door het aanleren van het Engels, het Duits en het Italiaans en ook de muziek.
Hij leefde in een volstrekte nederigheid en armoede. Meermaals vertoefde hij in de Trappistenabdij van de Katsberg.
Op 17 augustus 1834, wordt hij pastoor benoemd te Terdegem. Daar wordt hij door hardhorigheid aangetast. Wetende aan welke heilige hij zich moet toevertrouwen, doet hij een noveen tot Sint Vincentius aan wie hij een zilveren oor oor opoffert. Op het einde van de ‘negen dagen’, zijn gebeden verhoord zijnde, verkrijgt hij wederom zijn gehoorvermogen.
Pastoor van Hondegem in 1846 geeft hij volle uiting aan zijn edelmoedigheid. De armen wachten hem iedere dag op na de kerkelijke diensten. Men vertelt dat hij eens, bij gebrek aan het toekennen van enige aalmoes, aan een arme vrouw die blootsvoets liep, zijn schoenen uittrok alsook zijn kousen en deze aan de arme vrouw schonk. Dicht bij het volk aanleunend streeft hij voor het behoud van de Vlaamse taal bij het onderwijzen van de Catechismus.
Pastoor Treutenaere was de mening toegedaan dat in de pastorij slechts bij drie wel bepaalde omstandigheden wijn mocht gedronken worden nl. na een ziekte, op het eetmaal ter gelegenheid van het bezoek van de bisschop aan de parochie en wanneer de deken of iemand van de burgerlijke overheid zich in de pastorie aanbiedt.
Geleerd, bezitter van een van de rijkste bibliotheken uit Vlaanderen, zal hij deze aan zijn parochianen nalaten om een parochiale bibliotheek in te richten.
Bij ·zijn afsterven op 18 juli 1858, neemt heel de parochie de rouw aan. Men gaat zelfs zo ver dat de mantels van de vrouwen tot rouwbehangsels worden verwerkt.
Zijn graftombe zal enkele dagen openblijven opdat de menigte hem een laatste hulde zou kunnen brengen. Hij zal daarna begraven worden om in een grafkelder in het kerkkoor plaats te nemen.
Een kruis zal naderhand te zijner nagedachtenis op het kerkhof opgericht worden.
–
J. Veys in ‘Bachten de Kupe’ van 1982


