De eerste kerk die ze van in de verte van op zee ontwaren blijkt de Sint-Walburgakerk van Veurne te zijn. Enige tijd na de triomfantelijke aankomst van de graaf in Brugge, worden de burgemeester, de magistraat van Veurne, Heribertus, de proost, zijn kanunniken en de edelen van Veurne ontboden bij Robrecht die zijn belofte nakomt en het kruisje schenkt aan de parochie van Veurne.
Het broederschap van het heilig kruis wordt opgericht. Vanaf nu zal de jaarlijkse processie en de kermis niet langer doorgaan op de 4de augustus ter gelegenheid van Sint-Walburga maar wel op 3 mei die de dag van ‘de heyliche Cruysvindinge’ zal blijven.
Garenbertus is anno 1106 een tweeëntwintigjarige man afkomstig van Wulpen. Zijn ouders Baldranus en Ragenilde zijn diep gelovig en stuurden hun zoon van jongs af aan naar de abdij van Sint-Walburga in Veurne om er een christelijke opvoeding te krijgen. De jongeling is sterk gedreven om zijn leven in eenvoud te slijten en vertrekt naar Noord-Frankrijk, naar de streek van Cambrai (Kamerijk) en St. Quentin. Aanvankelijk werkt hij enkele jaren als knecht maar uiteindelijk komt hij terecht bij de broers Oylard en Baudouin.
Zijn droom komt uit als Garenbertus een bos cadeau krijgt van Oylard. Het bos ligt verscholen op kleine afstand van het dorpje Bony. Op die plek wil de dertigjarige Garenbertus zijn leven verder slijten in totale devotie en wil hij afstand nemen van de realiteit van elke dag. Hij krijgt geleidelijk aan gezelschap van andere mensen en stilaan ontstaat er in Bony een klein klooster met Garenbertus als abt. Ook zijn zuster Raganildis sluit zich aan bij de orde.
De monniken zullen later een nieuw klooster bouwen in Mont-Saint-Martin op zowat honderd km van Bony. Garenbertus zal op 31 december 1141 overlijden op zijn negenenvijftig. De tweehonderd gemeten grond met hun ouderlijk huis ‘De Ommeloop’ te Wulpen zullen worden geschonken aan zijn abdij van Mont-Saint-Martin.
Op 1 mei 1109 krijgen de Veurnenaars als eerste stad van Vlaanderen een stadskeure met eigen stedelijke wetten en privileges. De overhandiging van de eerste stadskeure van Vlaanderen gaat gepaard met een grote plechtigheid in aanwezigheid van gravin Gertrude, Heribert de proost van Veurne, Thomas de proost van Eversam en Bernaert de proost van Waten. Dat eerste stadscharter dient als voorbeeld voor de stadskeuren die Poperinge, Lo, en Woesten later zullen verwerven.
Gravin Gertrude, de weduwe van de overleden graaf van Vlaanderen Robrecht de Fries, sterft in 1113 na een verblijf van twintig jaar in Veurne. Ze wordt met alle pracht en praal begraven in de Sint-Walburgakerk. Zich onthechten van de aardse dingen is blijkbaar populair in die periode. Dat is ook het geval voor de Franse broeder Ligerius die in 1107 op zoek gaat naar een afgelegen plek om er verder te gaan met een leven vol contemplatie en bezinning.
Niet zo ver van de zee, in de verlaten duinen van Veurne-Ambacht, bij de verzandende Schipgatkreek tussen Duinkerke en Nieuwpoort vindt hij een ideale plek. Hier gaat Ligerius zich vestigen in het naar de zee luisterende land van zand, wind en stormen. De eenzaat bouwt een hut uit vakwerk, met het hout en de takken van de bomen en bedekt die met turf. Hier vindt de abdij Ter Duinen zijn oorsprong. Hij bakt zijn eigen brood en doet wat handwerk.
Met de jaren vormt zich rond de kluizenaar Ligerius een kleine kloostergemeenschap. Door toedoen van Johannes, de bisschop van Terwaan, wordt de plek officieel tot abdij uitgeroepen met Ligerius als eerste abt ‘van Duynen’. De groep sluit zich aan bij de Orde van Savigny. De toestroom van nieuwe monniken zorgt ervoor dat de abdij al snel uit zijn voegen barst. Maar er is een groter probleem ontstaan: de abdij heeft het in 1127 zwaar te verduren gekregen door een zware storm en dreigt te verzanden.
Er wordt besloten om een nieuwe abdij te bouwen. In een grotere vallei, een panne, midden in de duinen iets meer naar het westen. Op drie boogscheuten van de getijdenrivier die Nieuwpoort met de Noordzee verbindt. Die schitterende ligging ter hoogte van het levendige Nieuwpoortse havenkwartier, zal de abdij de volgende eeuwen geen economische windeieren leggen. Tot dat de havengeul uiteindelijk in de 15de eeuw zal uitdrogen en de neergang van de abdij zal worden ingeluid. Maar daar zijn we in 1127 nog lang niet aan toe.
In 1128 overlijdt abt Ligerius. Hij wordt begraven in de kapel die hij en zijn kompanen hebben gebouwd in het zeezand van de duinen. Terwaan stelt op vraag van de monniken de Fransman Fulco aan tot nieuwe abt. De Duinenabdij wordt beschouwd als een onuitputtelijke berg van zilver, als ze maar door wijzen wordt bestuurd. In datzelfde jaar wijdt bisschop Johannes van Terwaan de abdijkerk in en regelt hij de verhouding met het Sint-Walburgakapittel van Veurne, aangezien de abdij gelegen is in de parochie van dit grafelijk kapittel.
De Veurnse kanunniken van Sint-Walburga kopen een grote schuur die ze verplaatsen naar de nieuwe locatie van Ter Duynen en die wordt verbouwd tot nieuwe kapel van de abdij. In 1129 wordt stichter Ligerius er herbegraven. Het oude klooster van Ter Duinen wordt afgebroken en zal tot op vandaag bekend blijven als het oude kerkhof. In 1131 krijgen Brugge, Ieper en Veurne het hoge bezoek van Bernard van Clairvaux, aanvankelijk ridder en vanaf zijn 20ste monnik geworden, een machtig man die beschouwd wordt als ‘het geweten van de kerkelijke leiders’.
Dank zij zijn hoog bezoek verkrijgen de Ieperse tempeliers hun marktrechten. Ook voor Veurne en omgeving blijft het bezoek van Bernard van Clairvaux niet zonder gevolgen. De strikte levenswijze van de monniken van Ter Duinen sluit perfect aan bij zijn zienswijze. Hij besluit het klooster onder zijn hoede te nemen en het verder uit te breiden.
In 1138 treft een verschrikkelijk onweer de streek van Veurne-Ambacht en Artois. Regen, wind, donder en bliksem zijn zo overweldigend dat de mensen vermoeden dat het einde van de wereld aangebroken is. In Sint-Omaars wordt een stadsmuur van ‘zestig voeten’ lang door de stormwind verwoest. In Veurne wordt de middelste van drie naast elkaar galopperende ruiters door de bliksem gedood. Zijn kompanen komen er met de schrik van af.
Te midden van de perikelen in verband met de kruistochten, wordt abt Fulco gevraagd om een nieuw klooster te bouwen in de moerassige omgeving van Sint-Omaars, meer precies in Clairmarais. Ook de bouw van een nieuwe abdij in Lissewege, Ter Doest, vindt zijn oorsprong in het bezoek van de abt van Clairvaux aan de Westhoek. Vooral Sybilla, de dochter van de koning van Jeruzalem en de vrouw van Diederik van den Elzas, zorgt er voor dat alle kloosters uitgebouwd en uitgebaat worden volgens de regels van de abdij van Clairvaux.
We leven in de ontstaansperiode van de orde van de tempeliers en de schaduw van de fanatieke tempelridders zal ook wel vallen binnen Ter Duinen. Dank zij de steun van de graaf van Vlaanderen Diederik van den Elzas en de rijke edelen in zijn zog slaagt Fulco er voor de eerste keer in om voldoende financiële middelen te vergaren om de abdij van Ter Duinen op een degelijke manier uit te bouwen.
Rond 1140 schenken de lokale nijveraars Alnotus, zijn moeder, zijn twee zusters en de erfgenamen van zijn overleden broer Herbrecht een stuk grond met duinen van ongeveer zesenveertig hectare aan de Duinenabdij. De nieuwe abdij evolueert al snel tot een vrij gesofisticeerd handels- en activiteitencentrum. De monniken leggen kanalen aan waarmee ze het water uit de rivier via waterpoorten, een soort van sluizen of wateringen, leiden tot binnen in de abdij. Van daaruit vertrekken diverse buizen richting de diverse nutsgebouwen van het klooster.
Bernard van Clairvaux is dé kerkelijke goeroe van zijn tijd, de man die de orde van de Cisterciënzers oprichtte en de spirituele vader van de onlangs gestichte orde van de tempeliers. Bernard van Clairvaux verzoekt Fulco om de abdijen van Ter Duinen, Ter Doest en Clairmarais te laten aansluiten bij het Europese netwerk van Cisterciënzerkloosters.
Dat verzoek wordt ingewilligd in 1149. Fulco, de abt van Clairmarais en Ter Duinen, overlijdt en wordt opgevolgd door Robertus van Brugge, een monnik van Clairvaux. Hij stuurt meteen een nieuwe lading geestelijken naar Ter Duinen om de leer van Bernard van Clairvaux te laten naleven. De abdijen volgen vanaf 1149 de regels van de Cisterciënzers i.p.v. die van de orde van Savigny.
Abt Albero komt aan het hoofd van Ter Duinen. Hij wordt verkozen uit een lijst van zevenhonderd kandidaten die opgesteld werd door Clairvaux. De nieuwe abt krijgt het al snel moeilijk met het zilte zeeklimaat en wordt ziek. Hij blijft ziek en moet noodgedwongen vertrekken, weg van de kust. Hij overlijdt kort na zijn afscheid in november 1161. Idesbaldus komt nu door het afsterven van Albero aan het hoofd van de welvarende abdij.
De vermaarde Lionius, de grote baas van de abdij van Sint-Bertinus die de scepter zwaait over het hele gebied tussen Sint-Omaars en Poperinge, overlijdt in 1163. Lionius werd ooit geboren uit gegoede ouders binnen de stad Veurne. In 1176, korte tijd voor Filips van den Elzas opnieuw zal vertrekken naar het Heilig Land, krijgt Veurne een interessant geschenk van de graaf. De stad verkrijgt een eeuwigdurend tolgeld op alle goederen die in de nabijgelegen haven van Sandthove (Nieuwpoort) zowel te land als op het water worden ingevoerd. Eerder al, in 1163, had Filips de uitstekende ligging van Nieuwpoort bemerkt en had hij de zeegeul naar de zee laten rechttrekken, verbreden en met havenmuren laten versterken.
Op die manier kan de Ijzer als volwaardige rivier aangewend worden en kan Nieuwpoort fungeren als belangrijkste zeehaven van Vlaanderen. Ook Ieper vaart er bijzonder wel mee. Het rechttrekken van de Ijzer betekent een hele verandering voor Veurne-Ambacht en Nieuwpoort. Sinds de grote overstroming van 270 volgde de oude Ijzer een bochtig en moeilijk bevaarbaar traject via Nieuwendamme voorbij Lombardsijde. Al het land ten westen van die Ijzer was van oudsher onderdeel geweest van Veurne-Ambacht.
Zo spreekt ook het oude gezegde: ‘Lobaertzije ligt in ’t Vrije. Ware ’t wel ondersocht, ’t lage in Veurnambocht!’ (’t Vrije is het gebied van Brugge). Sandthove, het oude haventje ten westen van de oude Ijzer behoorde dan ook tot in 1164 tot Veurne-Ambacht. In datzelfde jaar krijgt Nieuwpoort zijn eigen stadsrechten en worden de inwoners officieel ‘poorters’ genoemd.
Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek


