Wonderdokteurs, wel jongen, Burgrave (Deburgrave), dat was een. Dat was een geestelijke die zijn kap over de haag had gesmeten en dat was een dokteur.
Boerinne, ‘k’n kan niet meer. De boerin hoort diepe, lastige snikken en ziet Fluppe voort trakelen, de poort uit. Ze weet niet waar het haar houdt en ze schreeuwt lijk een kind. ’s Anderendaags komt Fluppe niet terug en de boer gaat naar ’t woonstje
Daar waren ne keer twee soldaten, Crabbe en Sparre, die te oud waren om nog in het leger te dienen en te lui om te werken. Daarom gingen zij bedelen; maar ze werden omtrent overal slecht ontvangen; ze en kregen bij kan niet: men zei hun dat ze kloek en gezond waren en maar en moesten werken om de kost te winnen
In de chronike van ’t bisdom van Kamerijck vindt men het volgende zeisel over zekere Boudewijn, grave van Vlaanderen. Vermoedelijk Boudewijn IX vertelt de kroniek. De koning van Vrankrijk, die te dien tijde de machtigste vorst van Europa was, had een dochter met name Beatrix, en hij wrocht met handen en voeten om Boudewijn met haar te doen trouwen.
Ik zal u een vertelderke vertellen, dat ik gehoord heb in mijn jongste jaren, en dat ik nog nievers geboekt en hebbe gevonden; ’t is het vertelderke van Ko Lukkeboone. Luistert:
‘k En zal noch dag noch jaar noemen, maar hetgeen ik hier vertel, heb ik bij het Vlaamse volk gehoord. Zekere Tisten hield herberg in ‘De Kromme Krinkel’ maar, ik weet niet aan wie of waaraan het loog, de verkoop wat bitter klein. Menigmaal had Ciska de bazin daarover haar beklag gemaakt aan de weinig klanten, die nog van tijd tot tijd in ‘De Kromme Krinkel’ hun dorst kwamen lessen: maar het was allemaal boter aan de galg, niets een baatte.
Hoeveel werd er niet geschreven en verteld over varende vrouwen, ’t is te zeggen spoken of heksen, onder de gedaante van vrouwen, die over de aarde zweven of varen, zo snel en zo zacht, alsof zij de grond niet aanraken. Soms veroorzaakte hun stille vaart draai- en dwarrelwinden, die straten ver meedraaien. Vandaar kregen die draaiwinden, die zand en bladeren al wemelen omhoog drijven, de naam van varende vrouwen.
‘Hie zé’, antwoordt den docteur; ‘alle ure een lepel, maar wel opletten van hem te schudden voor te nemen’. ‘Goed, meneere, zei Mitje’.
Etwien ’t ei uut ze gat vragen, (iemand uithoren)
–
En n’is zo plat of e fige. (vals, kruiperig, vleierig)
–
Dinne doen (dwaas doen)
–
Iemand ‘bie ’t veertienste zetten’ = Iemand ‘bie de buk doen’ (in ’t ootje nemen, foppen)
Je had toen ook overtijd, de heksen waren nogal tamelijk wel vertegenwoordigd op de boerhoven. […]
Mijn grootvader al mama’s kant heeft nog een keer verteld van een moordzake, gebeurd in […]