12 april 1916. Toen Ieper nog Ieper was. Volgens de jongste Franse officiële berichten werd de actie weer hernomen in het Ieperse: Langemark en Middelkerke werden heftig beschoten. Toen Ieper nog Ieper was en de zondag kwam, gingen de Ieperlingen die de traditionele wandeling van de heuvelende oude vesten versmaadden, langs de gesloopte Diksmuidepoort, volgden ze de brede, nieuwerwetse en eentonige Kalfvaart tot in het gehucht Brieke, van waaruit ze dan het kleine dorpje Sint-Jan bereikten.
Verder gingen ze niet. Tenzij ze ‘joenge benen’ ‘an’. Dan lokte hen een beetje hogerop, het bekende Langemark. Te Sint-Jan stonden ze dan voor de keuze tussen de ‘ommetoer’ langs ‘Sintjeliens’ – Sint-Juliaan – en de baan die rechtstreeks, zonder aarzeling of grillige kronkelingen liep. Beide wegen gingen noordoostwaarts door de ‘blakke’, zwartbruine, van vruchtbaarheid zware akkers van West-Vlaanderen.
Hier geen glooiingen, geen heuvels zoals ten zuiden van Ieper. In gewone tijden zouden er nu de velden liggen vol pril lentegroen, zouden in de kalme weiden de abelen hoog klateren bij het minste windje dat over Leie of zee zou komen aanwaaien. De hoppeboer zou er reeds zijn slanke hoppestaken in de grond duwen, vijf, zes meter hoog en de hoppevelden zouden zich ontwikkelen tot grote, eigenaardige kampen met reusachtige geweren in rotten. Boven de kruinen van de bomen zouden de vriendelijke torens van Bikschote, Zonnebeke en Passendale oppriemen.
En zouden de grijze houten molens van op hun aarden berm en hun houten onderstel, hun blijde kruisen slaan, terwijl de mulder, wit bestoven, af en toe aan de deur, hoog in de ‘karkas’, boven de zinderende molentra, zou komen kijken hoe schoon en stil het in Vlaanderen was. Zo schoon en zo stil dat er geen oorlog kon komen. Het Ieperse land deinde daar open, kalm en vredig, onder zijn kalme hemel. Men kende er de vliegmachines ternauwernood bij naam. Op een kermisdag, amper vijf of zes jaar geleden, vertelden de huisjes het als een oergewichtige gebeurtenis aan elkaar dat er een vliegenier zou komen.
Geen ervan had ooit zo’n vogelmens gezien. Maar de vliegenier kwam toen niet. Nu hing hij er des te vaker boven de streek. Maar ja, de kermisdag was er al lang gestorven. Maar ik sprak u van de dagen toen Ieper nog Ieper was. Toen was het de Ieperlingen een onuitsprekelijke weelde daar op die baan van Langemark te wandelen. Niets stoorde hem. Schoof er al fluitend een trein noord- of zuidwaarts, het ratelende tuig was gauw weer weg.
En het vervoerde alleen maar blij-reizende mensen. Langemark onthaalde gul en eenvoudig de stedeling. Daar lag iets aandoenlijk-goedigs in dat grote dorp, van echte landelijke aard, met zijn vijfduizend inwoners, met zijn oude ‘bonke’ van een kerk, met zijn voornaam kasteel waar de burgemeester verbleef, met zijn bierbrouwerijen waaromheen steeds een heerlijk frisse geur van hoppe en bruinbier hing.
Een lust was het voor de Ieperling dan, het kostte maar ”n dikken’, een stuiver, om ‘een pinte te pakken’ van dat schuimende, stralende bruinbier, in de gezellige klantenkamer, onder de blik van dat specifiek Vlaamse kadertje, de waarschuwing omlijstend dat ‘het vloeken’ verbood: er was een oog dat alles zag! En dan een partijtje te gaan spelen op de ‘bolletra’. De bolletras! Dat was het geliefde spel van de man uit de stad en van de man te lande. Dat gebeurde op een twintig meter lange, licht uitgeronde, brede geul, met een dunne laag ‘zagemulle’ bestrooid.
‘Rijze’ de grond stak, aan beide uiteinden van de baan een ijzeren bout. Dat was de ‘stake’, het doel, om welke de schijven, na even vlug over de bolletra gezoefd te hebben, neersmakten, zo dicht als het maar kon. Langemark! Het eigenaardige Langemark, met zijn nog eigenaardiger buitenwijk, de ‘Buschkant!’. Voorheen lag er, van Langemark tot Torhout een uitgestrekt woud: het Vrijbusch. Een naam die klonk als een klok, voor de Vlamingen. Het Vrijbusch!! Waar de bomen opschoten uit Vlaamse bodem en in de vrije, zingende lucht, hun armen wijd openspreidden om het leven te vangen, het rijke leven dat door Vlaanderen stroomde.
Daar woonde een braaf en eerlijk volk. Een volk dat de vrijheid bovenmatig liefhad, en tevens de trouw aan het gegeven woord. Dat volk woonde er nog. Eén voor één viel menige kloeke boom uit het kloeke bos, dat daar nu nog maar ‘groende’ in verscheidene percelen; kloeke organen dan een lichaam dat – gehakt en gekorven – toch niet sterven wilde. De bomen vielen. Maar de stoere wil, het onbuigbaar gemoed van de mannen was er niet gevallen. De Buschkanters huisden in wrakke, lemen hoevetjes, met strooien kap. Ze leefden van hun landerij en met hun landerij. Hun manieren waren niet verfijnd. En de rode doek die ze om hun hals knoopten, was niet van zijde.
Maar hun hart was edel en het rode bloed dat onder hun ruwe huid in dikke aderen zwol, was zuiver en gaaf. Dat volk leefde nu onder de druk van de vijand. Dat volk! Kende ge de blauwe bibliotheek? Heel Vlaanderen kende ze. Daar was geloof ik, geen hutje of ge vond er een paar boekjes. Beduimeld, grauw en geel geworden, de blauwe omslag haf weggesleten: de Historie van Malagijs, Fortunatus, De Vier Heemskinderne, Tijl Uilenspiegel, Backlaud en zijn Bende. Van deze laatste wou ik u even vertellen. Backlaud was de Cartouche van Vlaanderen geweest, een beruchte baanstroper wiens gruwelijke herinnering nog voortleefde in het geheugen van onze boeren. Hij hokte met zijn bende in het Vrijbusch, bezocht de hoeven bij donkere middernacht, stal, moordde….
If using fertility medications, there find for source cheapest viagra uk may be possible side effects of sildenafil (raises in some condition). Bad effects of excessive hand practice include erectile dysfunction, low sex drive, page cialis cipla low energy levels, irritability and mood swings, loss of lean muscle mass with increases of body fat. There is also a complete loss of sex drive and faster recharge capability while taking free viagra tablet this drug. Apart from maintaining complete fitness, sexuality is also a component of blood vessels, so it keeps them healthy. cialis tablets india
Ik zag het nog immer voor mijn ogen, een suggestieve prent uit dat boek: die brede eenzame baan door het Vrijbusch, nacht, een ruiter, zijn paard steigerde voor een hoop takkenbossen en bladeren waaronder een rover verscholen lag. Backlaud en zijn Bende. De gedachtenis aan die sombere booswicht zou nu sterker opleven dat ooit, bij de Buschkanters. In hun Vrijbusch hadden de Belgen gevochten met de Duitsers. De Belgen hadden een paar dagen de overhand gehad. Nu waren daar geen Belgische soldaten meer. Duitse Feldgraven hielden er zich schuil… Backlaud en zijn bende. Met moest me vergeven dat ik zo van Langemark wegdwaalde. De herinneringen uit het verleden en die beelden uit Vlaanderen welden onweerstaanbaar op…. Arm Langemark. Het was er nu allemaal puin, hels gedonder.
De Fransen beschoten het weer dezer dagen…De Duitsers zou er van gebruikmaken om de Buschkanter op te hitsen tegen onze geallieerden. Maar zou daar niet in slagen: Vlaming en Duitsers werden nooit als ‘Hakke en zijn Makke’… Dubbel wreed echter de oorlog voor hen die hun huisje zagen branden, aangestoken door vriendenhand. Maar men zag het gelaten aan. Hopend dat uit al die duizenden branden één groots ideaal zou geboren worden: de vrijheid!! Er zou nu wel geen enkele bolletra meer gaaf zijn in Langemark. De pannendaken waren ingestort en de huisjes lagen neer.
De mensen zouden er eigenlijk niet meer om geven. Hun zorgen waren elders en ze waren nu al over zoveel ellende heen. Maar toen Ieper nog Ieper was. Toen zagen de Ieperlingen als ze terugkeerden van Langemark, boven de velden één voor één de toren van hun schone, grijze stad oprijzen. De plompe Sint-Maartenstoren die even hoog wou uitsteken als de naald van de vierkante massa van ’t carrillon van ded lakenhalle, de oude Romaanse Sint-Pietersspits te midden van haar vier kleine hoektorentjes, de stevige reus die eens de Sint-Jacobskerk was en de even onder het kruis bolvormig zwellende naald van Sint-Niklaas.
De jongste tijding die me uit Ieper bereikte was, dat alles er nu definitief plat lag. Het allerlaatste huisjes dat zich nog rechtop gehouden had, was gevallen als een laatste wacht op het slachtveld. De ’torren’ waren eerst neergestort, de grijze hoofden die onverdelgbaar leken. En geen mens mocht er binnen, in het Vlaamse, droevige Pompeï. Toen ik gisteravond thuiskwam, zat daar een oud moedertje uit Ieper. Wat een klein miezerig vrouwtje was het! Heel ineengestopen, met een zwart halsdoekje om het oude hoofd. Ik had ze in de halve duisternis eerst niet eens opgemerkt. Ze leek op een hoopje zwart in de grauwte van de avondschemering.
Ze was pas overgekomen uit Noord-Frankrijk en had gehoord dat hier een Belg woonde. Ze wilde kennismaken. Dat kleine, sombere wezen verpersoonlijkte voor me enkele momenten al de Vlaamse oudjes die bukten onder het gewicht van de oorlog. Haar uitgemergeld gelaat was één rimpel. Doorschijnend warne haar bleke, kneukelige handen.
Maar toe ze sprak, wat vloeide het zachte en zeer schone, haar zoete, onverbasterde West-Vlaams. ‘Ik zin ekomme om joen te bezoeke, meneire. En ’t doe mi toch zukke plezier ne Vlamink te zien… Peinsde ki, mi zin toch zoo verre van ‘us. En dat a min oede! Ga’k nog van me leven Iepre werezien? Olles is er plat nu. ’t Latste uzetje is innestort. Wuk è ruïne! Zukke schoon steetje lik dat Ipre wos. ’t Is nu heel dood… De utklinker van de pest op de schilderinge van Pauwels is nu zelve dood … hij ga nu nooit mi bellen …’
Terwijl dat moederke sprak, zag ik voor mij rijzen de fantastische figuur van een zwarte man die, door de lucht luidde: ‘Vlaanderen! Breng uw dode steden buiten!’. En daar kwam Vlaanderen aandragen met een droeve baar. Daar op rustte een lijk. Niet huiveringwekkend groen als dat van de pestlijders van Ieper die, in de lakenhalle op het schilderij van Pauwels afgebeeld stonden… Nee. Het was heel zwart en deerlijk: het lijk der stede Ieper. En ik hoorde aldoor de klok van de gedachtenis luiden over de kloeke, oude Vlaming die voor haar land gestorven was.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw –


