Die tegen heuge en meuge haar pint uitdrinkt, zit aan haar pint te ‘zuigen’ en zal een ‘klik’ of een ‘klak’ verschaald bier laten staan; krijgt ze echter het laatste glaasje uit de kan, dan lacht het gezelschap: ‘Kannegeluk is mannegeluk’.
Drinken zit een Vlaming in ’t bloed, in wel en wee wordt een glazetje gedronken, doop en koop en overeenkomst moeten ‘begoten’ worden, want ‘droge knopen en binden niet wel’.
- Hebben ze een kind laten dopen, de doop moet ‘begoten’ worden en de ‘wijnkom’ werd vroeger op tafel gezet: gesuikerde warme wijn met citroensap en pijpkaneel gekruid. ’t Is nog spreekwoordelijk gebleven met de betekenis we gaan dat vieren: ‘Zet maar de wijnkom op tafel’.
- Na een begrafenis gaan ze herberg in herberg uit, al de ‘kapelletjes’ worden bezocht want ‘we gaan ons verdriet deurespoelen’. Vandaar: ‘uitvaart, zuipvaart’.
-
Zaken worden liefst in een herberg of café besproken ‘tussen kannen en glazen’.
-
Is de zaak hoegenaamd niet gevorderd, dan zegt men:
Ze dronken een glas,
Ze pisten een plas
en de zake bleef lijk of ze was.
- Is de bespreking integendeel goed gelukt, dan gaan ze er ‘een pot op pakken’. En de koopman trakteert al de klanten, hij geeft ‘een rondetje’ ten beste. Zij heffen het glas op en drinken:
‘Santee! op de gezondheid!’
In een ‘sosseteit’ klinkt de heildronk: ‘Op de gezondheid… van den nieuwen deken, den ouden was ook ne goe’n’.
6: Een zeispreuk te St-Kruis van ten tijde dat men eerst een slokje, een ‘zuipje’ van zijn pinte te drinken gaf: ‘Santee, à vous confrater! God zegen je, zei Cauwels, en hij dronk de pint alleen uit.’.
- Te Beernem was het juist omgekeerd: ‘Santee! een beetje mee, zei Claaisetje, en ze dronken met vieren aan een halvetje’.
-
En in ’t refrein zingt men:
Santee santee santatere
’t is beter bier of watere.
9. Als ge zegt: ‘’k heb du(r)st’, dan rijmt het antwoord: ‘Maak da’je ’t gat van de kanne kust’.
- Wie grote dorst heeft klaagt: ‘Mijn lippen plakke t’hope van den durst. ‘k Ben versmacht (ook: opgereên) van den durst.’ En ’t ergste is: ‘k Zou de zee uitdrinken’.
-
Iemand die dikwijls zijn dorst moet lessen heeft ‘een droge lever’. Sterker nog: ‘hij is in oestmaand geboren’.
-
Water is de drank van iedereen, vandaar het schooiersgezegde: ‘Om water te drinken en buiten te slapen moet ge niemand schone spreken’.
-
Pompewater is klaar water, en als lastige kinderen om een slokje bier zagen, zegt moeder: ‘Drink pompewater, je gaat daar klaar van schuifelen!’.
-
De groten zullen daarop antwoorden: ‘Water is goed voor de puiden. – Water is puidewijn. – Water is veugelwijn.’
-
Wie moet er niet af en toe ‘water in zijn wijn doen’? Moet men al te veel toegeven, dan voegt men er aan toe: ‘’t Zal bijkans meer water als wijn zijn’.
-
We gaan een keer rechtuit zeggen hoe de zaak ineenzit: ‘We gaan ’n keer klare wijn schenken’.
-
’t Gebeurt dat we met tweeën tegelijk hetzelfde zeggen: ‘We gaan nog te gare wijn drinken’, zegt men dan.
-
’t Vat geeft uit wat het in heeft, anders gezegd: ‘Uit een olievat en kunt ge geen wijn tappen’. Nog anders: ‘Uit een azijnvat kunt ge geen olie tappen’.
-
Fijnproevers smekken als de drank zoete naar binnenvalt: ‘’t Is gelijk een engeltje dat op mijn tonge pist’.
-
Ze moeten echter oppassen want:
Als de wijn is uit de kan
is de wijsheid uit de man.
21. ‘Ja, ja, is het antwoord, maar de wijn is toch zeker niet voor de ganzen gemaakt.’
- Bier is de echte volksdrank. Het volk is overtuigd van zijn kracht. Aan kwijnende kinders geeft men een ei in bier geklutst te drinken: ‘Van bier krijg je warm bloed. Bier is kloek. Bier verslaat honger en durst.’
-
Wie profijtig wilde drinken kocht bier in een kan, een moor, een kruik, een kitte of een stoop, in de bierhuizen waar ze tapten ‘in den uithaal’. Te Brugge, op de hoek van de Wulfhagestraat en de Moerstraat, in de ‘Kannekens’ verkocht men ook bier in den uithaal.
Een gezegde op de Gevaerts te Beernem van iemand die bedronken van de Bruggemarkt kwam: ‘Hij heeft zijn dikte in de Kannekens gepakt’. -
Onder de talrijke biersoorten was ‘klein bier’ ’t goedkoopste, maar het kon niet lang bewaren, er kwamen ‘kaantjes’ op. Een vergelijkende spreuk zegt: ‘’t Slacht van ’t klein bier, ’t kan tegen ’t lopen niet’.
-
Die tegen heuge en meuge haar pint uitdrinkt, zit aan haar pint te ‘zuigen’ en zal een ‘klik’ of een ‘klak’ verschaald bier laten staan; krijgt ze echter het laatste glaasje uit de kan, dan lacht het gezelschap: ‘Kannegeluk is mannegeluk’.
-
‘Haring is goe’ garen om bier te vernaaien’. Dit beginsel werd dikwijls toegepast ter gelegenheid van een herbergkermis of ‘pintje-dek’, dan gaf de herbergierster soms haring met kazakken ten beste.
-
‘Dronkaards zijn kwanselaars’. Kwanselen is al drinkend sturten.
-
Is er voor het gezelschap niets uitgeschonken, dan lacht men: ‘We zitten hier gelijk zo droge’.
-
Van iemand die gaarne drinkt:
Hij heeft de vinger niet meer nodig (gelijk de kalvers).
Hij spuwt er niet in.
Hij mag ze rauw.
Hij kan ze lampetten.
Hij kan ze niet zien leeg staan en hij kan ze niet zien vul staan.
- Van iemand die veel drinkt:
Hij drinkt gelijk een Tempelier, – gelijk een Zwitser.
Hij drinkt gelijk een snoek, – gelijk de kalvers, – gelijk een koe.
Hij kan bier drinken gelijk een koe spoel.
Hij drinkt gelijk een zimperpit.
Bedekt gezegd: Hij heeft een kostelijk keelgat.
31. Drinken zonder proeven:
Hij giet het in zijn keelgat lijk in een molshol.
Hij giet het al in zijn leerzen, – in zijn liere.
Hij heeft het al binnengeleersd.
Hij giet het al in zijn tunne.
- Een bierdrinker heeft ‘een buik gelijk een tunne’; ‘zijn buik is een biervat’. Brouwersknechten herkent men aan hun ‘bierbuik’. Te Moerkerke mochten ze ‘met een putterken uit Berten scheppen’ (naam van de daartoe bestemde ton). Wie niet verzadigd was boorde met een zwikboor een gaatje om ‘strootje te zuigen’. En ‘van strootje zuigen wordt ge dronken’.
-
Van de kuipers die allerlei vaten en kuipen en brouwersalaam vervaardigen, zei men ook: ‘Kuipers zijn zuipers’.
-
Onverschillig wordt van een dronkaard gezegd:
Hij is van brouwers hond gebeten.
Hij is van stokers hond gebeten.
Hij kwam met een natte kazakke thuis.
En als hij in de regen thuiskomt: Hij is nat van buiten en nat van binnen.
- Men is echter van het eerste glas niet dronken. Zo zijn er allerlei uitdrukkingen om te zeggen dat iemand niet nuchter maar ‘bij dranke’ of ‘bedrankt’ is.
-
Lichtjes bedrankt: ‘hij is verblijd; hij is aangeschoten; hij is door de neus geboord; hij heeft een kantje aan; hij heeft een vliegje in zijn oge’.
-
Is hij een brokke dronken:
Hij staat rood in zijn kam.
Hij staat vierig.
Hij heeft te veel omhoge gekeken.
Hij heeft te diepe in ’t glas gekeken.
Hij heeft babbelwater gedronken.
- Nog een graad verder:
Hij heeft een stuk in zijn krage, – in zijn botten, – in zijn leerzen.
Hij heeft een sabel aan.
Versterkend: Hij heeft een ferm stuk in zijn krage enz: Hij heeft een ferme (gildige) sabel aan.
Hij begint te zeveren. ’t Is al prietpraat.
- Is hij goed dronken:
Zijn tonge slaat dobbel, – slaat ijz(d)er, – slaat flikke.
Hij klapt gelijk een gebroken spa.
Hij ziet er twee voor een.
Hij is van zijn huis.
Hij heeft de mazels.
Hij is gelaân. Hij heeft zijn ladinge, – zijn vracht.
- Is de grens bereikt en overschreden:
Hij weet van geen wereld meer.
Hij is in dolorum.
Hij is poereloere (ook: toereloere).
Met zat: Hij is sterrezat, poepzat, hoerezat, oliesteenzat.
Met dronke(n): Hij is steendronke, smoordronke, peerdedronke, krimineeldronke, moordenaarsdronke.
Men weet niet hoe gezegd: Hij is peerdekrimineeldronke, stomonnozeldronke, ezelsteendronke. Hij is peerdebataljon. Hij is stomonnozelpoepzat, perelmoerpoepzat.
- Hoe men dan naar huis gaat:
Hij zakt door zijn benen, heeft strooien benen, kan op zijn benen niet staan.
Hij loopt op zinders.
Hij komt al zwikzwakkend af, al sikkelend, al zeilend af, al dieselend af.
Hij komt over strate gezeild. Hij meet de strate. Hij kan de strate niet passen.
- Wie ‘per botten’ drinkt: ‘Hij is weer in zijn oktave’.
Als Heintje in zijn oktave was, zei hij: ‘Als ik thuiskom krijg ik van mijn wijf vier soorten vis: stokvis, knabeljauw, steur en blekkaard’. (Hij wilde zeggen dat zijn vrouw hem ontving op stokslagen, kijven, zwart kijken en blekken.)
43: Een gepatenteerde dronkaard is een ‘herbergpilaar’.
- Kinders en dronkaards zeggen de waarheid.
Een dronken mond
zegt zijn hertegrond.
Met uitleg daarbij: Nuchter gepeisd is dronke gezeid. (Ook omgekeerd: Dronke gezeid is nuchter gepeisd).
- Bij al dat is er één troost: ‘’t Is beter zat of (dan) zot, ’t en duurt zo lange niet’.
.
.
Uit Biekorf van 1956
Spreuken en zegswijzen uit de omstreken van Brugge
M.C.


