Kloek en gezond Kloek en gezond zijn was, bij manier van spreken, het statussymbool van […]
Er ontbreekt water te Poperinge en de gezondheidstoestand van onze stad lijdt erbij dat er […]
Got seegie! Gezegd tegen iemand die niest. Vandaag de dag zijn er velen die een beetje […]
Rode baard, Duivelse aard. Men zei dat Judas een rode baard gehad heeft, en hield daarom een rode baard voor een merkteken van een kwaadaardige mens.
Een huismoeder op Sint-Pieters, die aan de kraan van het stadswater een pot water getapt had om soep te koken, stond niet weinig verbaasd er een grote dikke paling in te zien krinkelen.
Handdoek en zakdoek zijn vertrouwde gebruiksvoorwerpen uit het dagelijks leven die overal thuishoren. Ze zijn sedert jaren in bepaalde vormen en kleuren vervaardigd en het zijn slechts technische fabricatiemogelijkheden, die er soms een wijziging aan brengen. En toch hebben beide een brok geschiedenis achter zich liggen, die ouder is dan men het zou vermoeden.
De eigenliefde is de grootste vleiege van de weireld.
’t Is moeilijker om geluk te verdragen dan ongeluk te verdragen.
Nu volgen eenige regels, hoe men zig aen de taefel behoort te draegen.
Het is een genot voor de geschiedvorser, in tijden van opstand en vervolging een geleerde man te ontmoeten, die moedig in de bres durft springen, om het recht en de waarheid te verdedigen. Zulk een man was Jacob tSantele, pastoor te Kortrijk van 1556 tot 1576, later deken van het kapittel in dezelfde stad. Aan hem worden deze bladzijden gewijd.
Gerytsel: gerij, verkeer: ‘Wuk è gerytsel, ’t is voo zot te komm’n – Wat een druk verkeer, om gek van te worden.
In de eerste plaats moet de wielrijder in het oog hebben, met geringe inspanning te werken, zonder in het zweet te raken. De grens van de gewone snelheid is reeds overschreden, als versnelde ademhaling en hartkloppen aanvangen.
– Beter één biertje aan de bar, dan tien in de krat
– Goede wijn….is nog geen bier!
– Drinkt nooit zonder dorst, kust nooit zonder lust
Hoe dikker ’t gat hoe groter de broek.
Den dezen die ’t onderste ut de kanne wil, krijgt ’t deksel up zinne kop.
Ge moet uplett’n van ’t achterste van è peird en ’t voorenste van è vrouwe.
Die tegen heuge en meuge haar pint uitdrinkt, zit aan haar pint te ‘zuigen’ en zal een ‘klik’ of een ‘klak’ verschaald bier laten staan; krijgt ze echter het laatste glaasje uit de kan, dan lacht het gezelschap: ‘Kannegeluk is mannegeluk’.