Er ontbreekt water te Poperinge en de gezondheidstoestand van onze stad lijdt erbij dat er geen drinkbaar water genoeg is, noch water genoeg om te schuren en te wassen.
Dat er tyfus heerst in de streek moet men achter geen stoelen steken. Dat tyfus zich voortzet via het water zou iedereen moeten weten. Dat tyfus en andere ziekten ontstaan en voortzetten, daar waar men niet proper en net is, dat kan iedereen begrijpen. Dat het onmogelijk is om proper en net te zijn als men geen water heeft om huizen, kleren en zichzelf te reinigen, dat is ook klaar.
Hewel, zeg mij, waar moeten de mensen te Poperinge water halen?
Voor de oorlog was het reeds moeilijk; dagelijks zag men, in de zomer, rond de stadspompen troepen huismoeders wachten tot men de keten losdeed – dan kijven en vechten om een vracht water – en soms ook ijdelhands huiswaarts keren. En elke dag was de pomp afgepompt. Nu ziet men zoveel niet meer de pompen belegerd, voor de goede reden dat een groot aantal omver gereden werden onder de oorlog en dat die pompen dom genoeg zijn om daar vanzelf terug te keren.
De vraag blijft: er zijn nu te Poperinge 6.000 inwoners meer dan voor de grote oorlog. Waar halen die mensen water? Belet wel dat er bovendien nog veel waterputten in de huizen, ofwel vernield door obussen, ofwel door soldaten onherstelbaar bezoedeld werden. Dus minder water en meer nood dan voor de oorlog.
Onze huisvrouwen vragen niet beter dat hun huizen grondig te steperen – elke week de was te slaan – en de jongens gildig af te spoelen. Maar waarmee?
Men kloeg onlangs in ‘Den Poperinghenaar’ dat jongens ten uitkante in obusputten gaan baden, tot ergernis van voorbijgangers en alleszins met gevaar voor de zedelijkheid onderling. Maar wat wilt gij? Ze zijn bezweet en bemorst, anderen komen van hun werk op ’t front, zwart bestoven, en in hun huis of hun barak hebben ze noch plaats noch water om zich te verschonen. Bestond er hier een welingerichte zwemplaats, het ware al gewin voor netheid, gezondheid en zedelijkheid.
Er zijn nu, ten allen kante reken houten huizen, blikken villa’s, ijzeren tunnels en lemen koten uit de grond gerezen. Waar halen de bewoners hun water? Uit een gracht of uit de vaart, ofwel moeten ze een einde ver een emmerke gaan schooien, en dan is het te sparen, te sparen!
In de grote steden berekent men het verbruik van water op 50 liters (vijf seulen mensen!) per persoon en per dag: het is niet te veel als ge rekening houdt met wassen en schuren. Hewel, ik zeg dat er zoveel niet is, alhier voor een hele straat, bijvoorbeeld voor de Mesenstraat of het nieuw gebuurte bij de Kom, enzovoort.
Water moeten ze halen uit grachten of uit de vaart! Foei! Iedereen weet dat al het vuil sop van onze keukens, na langzaam door onze greppen voortgestuurd te zijn, tot pap gedikt, eindelijk terecht komt in de vaart. Moeten wij daarmee bier, soep, koffie maken en ons daarmee wassen?
En waar dat er nog water is, opgepast! Het water in heel de streek is verdacht: voor de oorlog mocht men het niet betrouwen, maar nu is het nog een slag erger.
Nopens het water van de stadspompen weet ik het volgende te vertellen: juist voor de oorlog had het stadsbestuur, door ernstige vermoedens bewogen, het water van onze stadspompen doen ontleden. Het antwoord kwam onverwijld: ‘niet drinkbaar, al de putten moeten gedempt worden!’.
Maar kon men die putten dempen? Nu, om wel te doen, men deed een keten met maalslot aan de pompen, aangezien het toch ongezond water was. Maar dan was er hoegenaamd geen water! Het volk morde: het was omwenteling aan de pompen… En ze dronken een glas, en ze …….. lieten de zaak gelijk ze was! Al het water van de stadspompen en meestal het water van de bijzondere huizen is slecht: dus geen water gebruiken zonder het wel te koken.
Dat er toch goed water te vinden is, en water genoeg om voor alle noodwendigheden (bereiden van spijzen, wassen en schuren, baden, brandweer) moet voorzien zijn, dat zullen we naaste week zien.
–
Uit de krant van 1920 – www.historischekranten.be –


