banner
feb 27, 2026
29 Views
Reacties uitgeschakeld voor Vreemd volk in Alveringem

Vreemd volk in Alveringem

Written by
banner

De winter 1677-1678 komt er aan. De militaire kosten van het Frans leger swingen de pan uit en inspireren Lodewijk XIV om zijn veroverde gebieden in de Nederlanden extra te belasten met het logement van zijn mannen. Hij stopt alle steden, dorpen en regio’s die het aandurfden om contributies te betalen aan de Spanjaarden nu vol soldaten. Dat heeft als voordeel dat hij op 24u tijd een leger van 100.000 mannen in actie kan doen treden om een eventuele opmars van de Spanjaarden af te stoppen. Het gevolg van die strategische keuze ondervinden de Veurnenaars op 22 november 1677.

De Fransen komen binnen met 3.000 soldaten, zowel ruiters als voetvolk. Ze worden vergezeld van 1.200 pioniers die de kasselrijen van Veurne, Bergen en Broekburg moesten leveren. De bouwvakkers mogen direct aan het werk gaan. De Fransen geven hen de opdracht om langs de vestingen borstweringen te bouwen en die te voorzien van palissades. Het garnizoen veroorzaakt grote overlast aan de burgers en dat terwijl de Fransen dan nog in goede discipline blijven door luitenant Moumont die nu aangesteld is als nieuwe gouverneur van Veurne.

In die periode krijgt de kasselrij ook de komst van twee bataljons voetvolk uit een Elzasser regiment te verteren. Zowat 1.200 mannen die hun winterverblijven gaan zoeken in de kerken en sterke huizen van Alveringem, Pollinkhove en Lo. Aan de Fintele bouwen ze een fort. De Elzassers herstellen nu de overdracht die twee jaar geleden door het garnizoen van Diksmuide werd afgebroken. Ook in Elzendamme ligt er veel volk in een door hen versterkte hofstede. De kastelen van Stavele en Krombeke zitten barstensvol militair volk.

Roesbrugge is bezet door vermoedelijk 1.000 soldaten die de parochie beveiligen met een gepalissadeerde borstwering. Ik zie identieke scenario’s in de kerken van Adinkerke, Bulskamp en Steenkerke die ook vol soldaten zitten. Al deze parochies moeten de soldaten aan hout, licht, bedden en huishoudmateriaal helpen en dat ook allemaal bekostigen.

Poperinge krijgt een bezetting van 4.000 mannen onder het commando van hun luitenant-generaal, de graaf van Monbron. De kasselrij moet er assistentie verlenen (300 pioniers) om in bepaalde doorgangen en straten enkele borstweringen aan te brengen. Het onbeschutte Hondschote krijgt 1.200 soldaten op logement. En ook Cassel, Steenvoorde, Haezebrouk, Belle, Waasten, Menen en andere plaatsen op de Leie liggen vol huurlingen.

De Fransen verbieden formeel aan de parochies ten westen van de Lovaart om nog contributies te betalen aan de Spanjaarden. Soldaten uit de vijandelijke garnizoenen van Nieuwpoort, Ieper en Diksmuide reageren op hun beurt met nachtelijke raids waarbij ze massaal paarden wegleiden. Het noodzaakt de eigenaars om stiekem toch verder te gaan met het betalen van de Spaanse contributies, ondanks alle grote verliezen die ze al leden.

Begin maart 1678 verhuizen 5.000 soldaten van Duinkerke, Sint-Winoksbergen en omgeving naar Veurne waar ze logement moeten vinden in surplus van het bestaande garnizoen. Die overlast is gelukkig maar van korte duur. De volgende dag trekken al de troepen uit de regio en de diverse parochies van de kasselrij weg. In de buurt van Ieper centraliseren ze zich tot een leger van 20.000 eenheden die nu de opdracht krijgen om het Spaanse Ieper in de tang te nemen.

Voor hun vertrek breken ze weer hun pasgebouwde fort en de overdracht aan de Fintele af. Het houtwerk ervan verdwijnt richting Duinkerke. Terwijl de Fransen hun posities innemen rond Ieper doen hun Waalse collega’s en die van de Leiekanten hetzelfde met Gent. De Spanjaarden moeten niet denken om er nu nog extra soldaten in te plaatsen.

De verovering van Ieper moet trouwens nog even wachten. Eerst Gent. De concentratie van 100.000 Franse soldaten rond deze stad is bepaald indrukwekkend, Gent wordt nauwer en nauwer ingesloten. Na enkele stormlopen met weinig verlies van volk geven de Spanjaarden op 10 maart 1678 de stad en de citadel en tot algemene verwondering van de hele wereld in handen van Lodewijk XIV.

Een weekje voordien krijgt Veurne het bezoek van 1.200 pioniers uit de kasselrijen van Veurne, Sint-Winoksbergen en Broekburg. De vestingswerken en de borstweringen die ze in november nog opgetrokken hadden moeten ze nu alweer afbreken. Dat heeft alles te maken met het vertrek van het garnizoen uit de stad. Al de volgende dag staan er 2.400 mannen voetvolk uit drie compagnies dragonders klaar om met hun oorlogsmunitie te vertrekken.

Ook het hout van de palissaden en de paardenstallen zal meeverhuizen. Monsieur Du Bonné die het vertrek regelt krijgt echter een waarschuwing dat de Spanjaarden plots ongewoon actief zijn. Er zijn nogal wat ruiters vertrokken van Nieuwpoort en ze werden ’s ochtends gespot in de duinen van Veurne-Ambacht. Du Bonné stelt het vertrek dan maar uit. Vooral als hij verneemt dat de Spanjaarden zeker drie keer zo sterk zijn als zijn eigen troepen. De gouverneur stuurt zijn dragonders direct naar de Duinkerkse dijk om er de brug van Adinkerke af te breken.

Wanneer ze ter plekke arriveren zal dat moeilijk lukken want de vijanden liggen er al op apegapen om deze plannen te beletten. Na enkele kleine schermutselingen keren de dragonders terug naar Veurne. Daar aan de brug in Adinkerke hebben ze drie doden en verscheidene gekwetsten moeten achterlaten. Monsieur Du Bonné is er absoluut niet gerust in.

De inwoners van Veurne evenmin. Ze zijn ervan overtuigd dat de Spanjaarden hier in hun stad een aanval op de Fransen zullen wagen. Met plundering en verwoesting als nefaste bijwerking. Zover zou het zeker gekomen zijn indien Du Bonné hier gebleven zou zijn.

Met 300 ruiters en een minderheid van voetsoldaten achtte hij het wijselijk om zich toch maar dringend terug te trekken in Duinkerke. Ze keren met hun hout en munitie terug zonder ook maar één vijand tegen het lijf te lopen. De Spanjaarden laten de duinen in Veurne-Ambacht al eveneens achter en keren zonder iets noemenswaardig te verrichten terug naar Nieuwpoort.

Na zijn succes in Gent bijt Lodewijk XIV zich nu vast in de belegering van Ieper. Op 14 maart nemen de Fransen hun standplaatsen in. Het eigenlijke kanonvuur start op 21 maart. Twee dagen later geven de bezetters van Ieper zich over. Dat gebeurt pas na vele ‘dappere’ stormen en met veel verlies van volk. Pauwel blijft heel erg summier met zijn info, ik beloof alvast aan mijn lezers dat ik dat beleg later ook vanuit een Ieperse bril zal toelichten.

Die verscheidenheid van achtergronden maakt onze geschiedenis net zo boeiend. Ook in Veurne zet Lodewijk de puntjes op de i. Nog voor de verovering van Ieper krijgt Veurne al 1.200 voetsoldaten en twee regimenten dragonders in garnizoen. Weer die belasting voor de inwoners. De borstwering op de vestingen lijkt mijns inziens een beetje op een jojo want de soldaten dienen die nu opnieuw op te bouwen, weliswaar zonder gebruik te maken van palissaden. Het fort en de overdracht aan de Fintele worden hersteld.

Te Lo, Pollinkhove, Alveringem, Oeren, Bulskamp en andere parochies stromen nog twee andere regimenten dragonders toe. Ze controleren de vaart van Lo om te beletten dat de Spanjaarden het zouden wagen om contributies te komen opeisen ten westen van de Lovaart. De inwoners weten trouwens maar al te goed dat ze niet mogen ingaan op deze eisen.

Anno 1678. De kroniekschrijver heeft het nog maar eens over de kost van al die troepen in de kasselrij en dat ze in Veurne weer al eens die paardenstallingen moet bouwen voor de dragonders die er in garnizoen liggen. Na de verovering van Ieper stuurt Lodewijk XIV zijn soldaten in garnizoen. Dat gebeurt al op 26 maart. Zo kunnen ze herstellen van de vele ongemakken van de voorbije winter.

Een dag later zijn ze al aan de slag aan de Knokkebrug op de parochie van Reninge. Vierhonderd pioniers uit de kasselrij van Veurne beginnen aan de bouw van een nieuw fort, niet op dezelfde plek waar het vorig exemplaar gestaan heeft maar op de zuidhoek van de Ijzer en aan de westkant van de Iepervaart. Het fort van de Knokke groeit na een lange bouwperiode uit tot een schone sterkte met voldoende ruimte voor een groot garnizoen Franse soldaten. Ook het fort van de Fintele krijgt extra versterkingen en zal plaats bieden aan een gelijkaardig garnizoen.

Die massale aanwezigheid heeft uiteraard zo zijn repercussies voor de Spanjaarden van Nieuwpoort en Diksmuide die er nu niet moeten aan denken om de westelijke zijde van de Lovaart af te lopen zoals ze dat gewoon waren. Ze hebben zich de hele winter moeten tevredenstellen met het Blootte waar ze beschermd zijn door de vele grachten en waterlopen.

De Fransen slagen er in het voorjaar van 1678 in om de inwoners ten westen van de Lovaart en de Iepervaarten te vrijwaren van Spaanse contributies. Ook langs het Ieperleekanaal tussen de Knokke en Ieper zijn ze actief aanwezig in een aantal nieuwgebouwde forten. Toch zitten ze met een logistiek probleem. In geval van nood kunnen ze nooit tijdig bijstand verlenen aan Sint-Winoksbergen en Duinkerke. Om die reden beslist de Franse legerleiding op 11 mei 1678 om al het volk in de garnizoenen van de stad en de kasselrij nu weer naar het leger te sturen.

Voor hun vertrek van Veurne demonteren ze opnieuw de borstweringen en breken ze de stallen af. Daarna trekken ze met het hout en hun munitie naar Duinkerke. Tegen die tijd zijn een groot aantal pioniers druk bezig met het graven van de ‘Nieuwe Gracht’ geflankeerd door een hoge borstwering. De werken zijn aangevat in de Moeren op de grens van Houthem en Hondschote.

Van daar strekt de gracht zich uit langs de Houtgracht voorbij de Grogniaert, en loopt hij voorbij de Clachoore naar Leisele. Van deze parochie loopt die dan verder tot de Brouckmolen in Beveren-aan-den-IJzer om daar te eindigen aan de Ijzer. Langs de Nieuwe Gracht komen er nu een heel reeks forten en redoutes, bezet door soldaten. De kerken van Bulskamp, Houthem en Leisele krijgen extra versterking en manschappen.

De Fransen huizenieren eveneens in Roesbrugge en Hondschote. In die laatstvermelde parochie liggen er 1.400 mannen om hun gracht te beschermen. De Spaanse legerbenden mogen het echt wel op hun buik schrijven om die linie over te steken in hun zoektocht naar contributies.

De belasting van die militaire ontplooiing in de kasselrij van Veurne is immens. Het is nog nooit zo erg geweest als in 1678, beweert Pauwel. En dat betekent toch wel wat als ik zie wat hier de voorbije 40 jaar al voorgevallen is! Naast de hoge prijzen voor al die garnizoenen is er vooral de ongelooflijke kost om al die pioniers te betalen.

De Franse projecten vergen voortdurend aanzienlijke groepen werklieden. Altijd wel tussen de 400 en 600 pioniers die moeten betaald worden door de kasselrij zelf. Daarnaast is er sprake van wel dagelijkse opeisingen van paarden, wagens en schepen die opdrachten moeten uitvoeren in dienst van de koning. In mei 1678 maken de diverse parochies hun rekeningen op en concluderen ze dat de kost al opgelopen is tot 22 gulden per hectare.

In het Blootte is dat door de aanwezigheid van de Spanjaarden al 30 gulden. Diezelfde Spanjaarden hebben aan de kasselrij, met inbegrip van de Acht Parochies’ op één jaar tijd de fabelachtige som van 1 miljoen gulden gekost. Niet moeilijk dat de kroniekschrijver het heeft over dit ‘uitgeput’ land.

Het ergste van dat allemaal is natuurlijk de wetenschap dat het einde van die tunnel van ellende nog niet in zicht is. De uitwassen van deze oorlog blijven maar groeien, ik heb het over actie en reactie. De Fransen stellen vast dat de Spanjaarden de burgemeester van Veurne en andere notabelen gevangen houden in Nieuwpoort. Als represaillemaatregel starten ze al van in april 1678 met het oppakken van de rijkste lieden in het Vrije en in andere streken van Vlaanderen, wel te verstaan op Spaans grondgebied.

Ze gaan zo door tot de gevangenissen van Rijsel en Oudenaarde letterlijk uitpuilen van de gevangenen. Het regent klachten bij het hof van Brussel. De eis om vrijlating van die onschuldige Vlamingen gaat niet meer uit de lucht. Dergelijke eisen komen ook vanuit Veurne. Wanneer denken de Spanjaarden hun burgemeester eindelijk op vrije voeten te stellen?

Einde mei zwichten de Spanjaarden en laten ze de Veurnse schepenen vrij, in de hoop dat de Fransen hun voorbeeld zullen volgen, maar die eisen eerst de vrijlating van de burgemeester. De kwestie sleept nog aan tot de 8ste juni vooraleer hij eindelijk op vrije voeten komt. Pas dan tonen de Fransen zich bereid om al hun gevangenen te lossen.

Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 10
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.