Ik haast me naar Spanje. Naar het klooster van St. Joost. Het bobijntje van de oude Karel is bijna afgerold. De touwtjes van zijn leven hangen nog met haken en ogen aan het leeg bobijntje. Het milde klimaat heeft aanvankelijk voor een verbetering van zijn gezondheidstoestand gezorgd.
Het is keizer Karel zelf die er de brui aan geeft. De geplande krijgsactiviteiten worden opgeschort. Ik heb het persoonlijk ook gehad met de kronieken van dit leven. Karelmans heeft ondertussen ook al wel door wat voor zinloos parcours en leven hij heeft afgelegd sinds zijn benoeming als keizer in 1520. Het is genoeg geweest. ‘De keizer toonde het voornemen om zich van alle wereldse zaken en bezigheden te onttrekken en de rest van zijn leven in stilte en afzondering door te brengen.’ Robertson heeft het uitgebreid over de complexiteit van het vorstendom. Ik denk aan de honderdduizenden doden die ongetwijfeld knagen aan het roestig en eeltig geweten van deze Karel. Mijn man is moe en uitgeteld en wil zich nu voor de tijd die hem rest wijden aan God. De nazi Albert Speer zal in 1946 levenslang krijgen in het proces van Neurenberg. Meer verdient mijn hoofdpersonage in 1555 eigenlijk ook niet.
Allemaal de schuld van zijn jichtaanvallen, roepen de historici in rij. De kwaal was al vastgesteld in zijn jeugd en is er met de jaren alleen maar erger op geworden. De aanvallen komen steeds vaker voor en worden met de dag moeilijker om dragen. ‘De smarten die hij uitstond, ondermijnden niet alleen de kracht van zijn natuurlijke gesteldheid maar krenkten tevens de vermogens van zijn geest.’ De verwijzing naar de alles overheersende jichtaanvallen klinkt warempel als een soort van excuus voor de eindeloze reeks debiele daden tijdens zijn leven.
‘Onbekwaam om zich met staatszaken te bemoeien wanneer hij van de jicht werd aangevallen, kon hij zich enkel bij tussenpozen van verlichting met iets ernstig bezighouden. De rest van de tijd bracht hij beuzelend door en zelfs met kinderachtige bezigheden die dienden om zijn geest op te beuren die door de hevigheid van de pijnen afgesloofd en verzwakt was.’ Feitelijk laat hij al veel jaren het bewind over aan zijn staatslieden die in toenemende mate de scepter zijn gaan zwaaien aan het keizerlijk hof.
De rampen van de voorbije jaren zijn natuurlijk allemaal deels de schuld van zijn entourage. Maar als er te oorlogen viel, was Karel er wel altijd van op de eerste rij prominent aanwezig. Afrika, Spanje, Hongarije, Metz, Duitsland, Italië heeft aan den lijve ondervonden hoe onschuldig mijn arme hoofdfiguur door het leven ging. Hopelijk kunnen jullie mijn sarcasme vergoelijken.
Tja. ‘Oud geworden zijnde voor zijn tijd, oordeelde hij wijselijk dat het gevoeglijker zou wezen om zijn zwakheden elders in afzondering te gaan verbergen dan deze nog langer openlijk te laten zien. Hij besloot veiligheidshalve zijn roem niet op het spel te zetten om de faam van zijn vorige bedrijven op te offeren aan zijn trotse hardnekkigheid om de teugels van zijn regering in de handen te houden, iets waar hij eigenlijk niet meer toe in staat was.’
In de gedenkschriften van kardinaal Granvelle, de man die wel en wee heeft gedeeld met Karel, staat een andere reden vermeld. Zoon Filips, ondertussen achtentwintig, leeft al enkele jaren in vijandelijke modus met zijn vader en dwarsboomt diens plannen. Het afstaan van de macht in Italië aan hertog Alva is er zeer tegen zijn zin gekomen. Sinds zijn huwelijk met Mary eist hij het bewind van de Nederlanden op. Als Karel zich niet schikt naar Filips wil, zal hij niet nalaten om zijn titel met geweld op te eisen. ‘Iets wat zijn vader smartelijk en onaangenaam zou vallen en daarom het besluit nam om liever al zijn staten aan zijn zoon af te staan en zich van de wereld te onttrekken.’
Er komen nog andere mogelijke redenen voor de dag waarom Karel tot in 1555 gewacht heeft om zich terug te trekken. Op 12 april van dat jaar overlijdt zijn eigen moeder na een internering van 50 jaar in het kasteel van Tordesillas. De hele tijd is zij, weliswaar op papier, mede bewindvoerder gebleven en droegen Johanna en Karel gezamenlijk de vorstentitel over Spanje. De Spanjaarden hebben hun oude koningin tot op het allerlaatste met de nodige schroom gerespecteerd en aarzelden om haar kleinzoon Filips als nieuwe oppervorst te aanvaarden zolang ze in leven was.
De kust is vrij in Spanje om het land nu officieel over te dragen aan Filips. En het liefst zou hij ook een einde willen zien komen aan de oorlog met Frankrijk zodat hij zijn koninkrijken in volle vrede aan zijn zoon zou kunnen overdragen. Henri II en de nieuwe paus zorgen er tot zijn frustratie wel voor dat er verder in de Europese stront geroerd wordt. De vrede zal helaas nog niet voor direct zijn. Karel wil niet langer vruchteloos wachten en hakt voor zichzelf de knoop door om er dan toch de brui aan te geven.
De overdracht van de macht moet natuurlijk een evenement zijn waar de wereld en omgeving naar zal moeten opkijken. Een afscheid van zijn opperheerschappij met een overdosis aan luister en praal die diepe indruk zou maken op zijn onderdanen. En het hart van zoon Filips zou verwarmen. De hashtag #Filips zou ongetwijfeld een populair item zijn moest Twitter al bestaan hebben in de zestiende eeuw.
Filips wordt uitgenodigd om naar Brussel te komen voor de Staten-Generaal van de Nederlanden die zal doorgaan op 25 oktober 1555. Zoonlief verheugt zich om weg te muizen uit Engeland. Hij kan geen huis houden met zijn vrouw Mary, van kinderen of een spoor van bevruchting is er geen sprake. Zijn frigide del maakt hem niet bepaald gelukkig en enig perspectief op een machtspositie over de Engelse bevolking mag hij vergeten. Brussel wenkt hem glorieus toe.
Ik teken ook present bij de bewuste plechtigheid. ‘De keizer plaatste zich voor de laatste keer in zijn stoel van staat met langs hem aan de ene zijde zijn zoon en aan de andere zijde zijn zuster, de koningin van Hongarije en landvoogdes van de Nederlanden. De rest van het decor wordt opgevuld met het luisterrijk gevolg van Spaanse grootheden en prinsen van het Duitse rijk.’
‘De voorzitter van de raad van Vlaanderen gaf eerst een korte uitleg over de bedoeling van de zitting. Hij las vervolgens een geschrift voor waarbij Karel afstand deed van zijn staten, rechtsgebied en gezag aan zijn zoon Filips, zijn wettige erfgenaam.’ Filips de nieuwe sterke man van Vlaanderen. Een onvervalste Spanjaard met Vlaamse roots. Mijn gedachten dwalen af naar de voorbije jaren van mijn kronieken van de Westhoek. In het bloed van de nieuwe leider stroomt warempel nog het bloed van Gwijde van Dampierre en Robrecht van Bethune. Ik denk aan al die graven en hertogen die achteraf niet meer gebleken zijn dan figuranten, speelgoedsoldaatjes in de eindeloze arena van de verdwenen tijd.
Ik bekijk ze één na één. Filips vader Keizer Karel en diens vader Filips de Schone, omgebracht met gif. Die was het kind van Maria van Bourgondië, gevallen van haar paard, de dode dochter van Karel de Stoute, zelf gesneuveld op het slagveld van Nancy, kleindochter van Filips de Goede, achterkleindochter van Jan zonder Vrees, vermoord op een brug in Frankrijk. Ik denk nog eens aan die tomeloze Franse ambities van die Jan zonder Vrees en aan zijn ouders Filips de Stoute en Margaretha van Male.
Margaretha was de dochter van Lodewijk van Male, vermoord door een dolksteek. Zijn vader was Lodewijk van Nevers kind van Robrecht van Bethune en kleinkind van Gwijde van Dampierre. Al hun daden schemeren door in het verleden van Filips van Spanje. Gwijde is uiteindelijk niet meer dan een springplank naar een verder verleden. Zijn mama heb ik gekend als Margaretha van Constantinopel, samen met haar zus Johanna de in Frankrijk opgevoede dochters van Boudewijn van Constantinopel die rond het jaar 1200 zijn leven eindigde aan een boom in Marquette na een aanslag van zijn schoonzoon Ferrand.
Boudewijns moeder Margaretha van de Elzas stuurt me nog dieper in de bronnen van het verleden. Ik eindig bij de stamvader van het Vlaamse vorstendom. Bij Diederik van de Elzas, de papa van Margaretha, de man die Vlaanderen onder zijn hoede nam na de moord op Karel de Goede in 1127. Keizer Karel en zijn nageslacht zijn er dus gekomen dank zij de aanslag op de graaf in de Brugse Sint-Donaaskerk.
Mijn gemijmer wordt onderbroken door Karel die het woord neemt tijdens de ceremonie daar in Brussel. Vijfenvijftig is hij nog maar, een oud ventje die moet steunen op de schouder van de prins van Oranje om rechtop te blijven. Wat hij te zeggen heeft, is al vooraf op papier gezet. Hij kijkt terug op zijn eigen leven, de retrospectie van een afgeleefde vorst. Al van zijn zeventien heeft hij het bewind op zich genomen. Aan rust en vermaak heeft hij zijn tijd niet verspild. Doorheen tijden van vrede en oorlog heeft hij negen tochten naar Duitsland ondernomen. Zes naar Spanje, vier naar Frankrijk, zeven naar Italië en tien naar de Nederlanden. Hij is twee keer gereisd naar Engeland en naar Afrika en elf keer heeft is hij overzee gegaan.’
Nu is hij daar allemaal te zwak voor geworden. Natuurlijk heeft hij vergissingen gemaakt tijdens al die jaren. Hier en daar zal hij onderdanen verongelijkt en beledigd hebben en daar vraagt hij vergiffenis voor. Aan de wellicht miljoenen verspilde mensenlevens denkt hij niet. Hij richt zich nu tot zijn zoon die hij door en door vertrouwt en dat hier ook laat blijken. God wordt er nu uitdrukkelijk mee gemoeid. Filips moet er voor zorgen dat de zuiverheid van het katholieke geloof intact zal blijven en nog veel patati’s en patata’s.
‘Zo haast Karel deze aanspraken aan zijn onderdanen en de nieuwe oppervorst uitgesproken had, zeeg hij op zijn stoel neer, op het punt gekomen om door de vermoeidheid van zulk een ongemene poging te bezwijken. Terwijl hij sprak, smolt de hele vergadering in tranen weg, vol bewondering voor de tederheid tegenover zijn zoon en voor de liefde waarmee hij zijn volk bejegend heeft.’ Ik blijf er zelf onbewogen bij. Filips richt zich op vanuit zijn neergeknielde houding, dankt zijn vader en richt zich tot de aanwezige beau monde. Hij verontschuldigt zich dat hij geen Nederlands kent om zijn volk toe te spreken.
Bisschop Granvelle doet het in zijn plaats. Het traditioneel nietszeggend gepalaver. Doordravende welsprekendheid en dat allemaal met holle en lege woorden en zinnen. Ook Maria wil nog een laatste keer haar zegje doen. Filips zweert daarna dat hij de rechten van zijn onderdanen zal blijven respecteren en daarna is de ceremonie van de troonsafstand afgelopen. Op 6 januari 1556 volgt er een doorslag van deze ceremonie waarbij de kronen van Spanje en die van de nieuwe wereld eveneens worden opgedragen aan Filips.
Exit keizer Karel. Maar ik wil mijn hoofdfiguur niet zomaar achterlaten omdat hij van het publiek toneel verdwijnt. Ik was er bij ten tijde van zijn geboorte te Gent en wil ook wel zijn laatste jaren beleven. Karel wil de rest van zijn leven in het droge en warme klimaat van Spanje vertoeven, maar de winter houdt hem voorlopig vast in Brussel. Tijdens zijn laatste maanden probeert hij nog tot een verzoening te komen met Frankrijk. Een geste rond de uitwisseling van krijgsgevangenen en een vergadering in de abdij van Vaucelles bij Kamerijk resulteren in een tijdelijke wapenstilstand en een status quo in de veroverde gebieden, iets wat eerder in het voordeel van de Fransen pleit, maar Karel en Filips hebben er schijnbaar vrede mee. Er is maar één persoon, onze zeveraar in Rome, die er niet om kan lachen.
De vrede van Vaucelles brengt de hele pauselijke poppenkast weer in beweging waarbij het dit keer Filips is die in het oog van de storm terecht komt. Zijn vader Karel is nooit bang geweest om een robbertje te vechten met Rome. Filips is anders. Hij doet me denken aan Fabiola. Orthodox en puriteins katholiek tot diep in hun poriën. Oppositie tegen de pauselijke dada is totaal onbespreekbaar. Als Paulus in de beek springt, zal Filips wel mee springen. Ik vertel het in mijn eigen woorden maar laat jou mijn beste lezer zeker de vrijheid om zelf je conclusies te trekken.
‘Maar terwijl Paulus zich door de heftigheid van zijn wraakzucht liet vervoeren, toonde Filips een ongemene bezadigdheid. De Spaanse geestelijken die met zijn opvoeding belast waren geweest, hadden hem een diepe invloed voor de heilige stoel ingeboezemd. De jaren hadden die eerbied merkelijk vermeerderd in een ziel die peinzachtig en ernstig naar bijgelovigheid overhelde. Toen hij voorzag dat er een vredesbreuk tussen hem en de paus moest ontstaan, had hij zulke hevige wroegingen om de wapens op te vatten tegen de gemene vader van de christenen, dat hij de Spaanse godgeleerden er over raadpleegde.’
Het 18de-eeuwse Vlaams kent het woord ‘gemeenschappelijk’ nog niet en gebruikt er nog het woord ‘gemeen’ voor. De typering van paus Paulus als ‘gemeen’ slaat voor wat mij betreft meteen de nagel op de kop. Filips blijft ondertussen zijn beslissing uitstellen. Dat is niet naar de zin van de hertog van Alva die in Italië dan maar zelf de wapens opneemt en in de clinch gaat met de pauselijke armee. De ‘campagna Romana’ begint op 5 september 1556 en eindigt met een wapenstilstand op 19 november. Lang zal die niet duren met deze Paulus die niets anders uitademt dan wraak en oorlog.
Ik begin aan het twaalfde boek van William Robertson. Voor Karel is de avond al gevallen. Hij heeft nog één resterend ei te pellen. Dat van zijn opvolging in Duitsland. Hij mag zich dan wel teruggetrokken hebben, maar hij is nog altijd de keizer van het Roomse rijk. Het is die eretitel die hij absoluut zou willen overdragen aan Filips. Die kan toch onmogelijk de tweede viool spelen hier in dit land waar hijzelf zijn hele leven de oppervorst is geweest? De hele zomer van 1556 besteedt hij aan lobbywerk om zijn broer Ferdinand te overtuigen om de kroon af te staan aan Filips en die misschien om te wisselen met de macht over een Italiaanse provincie of eventueel zelfs over de Nederlanden. Uiteraard tegen een passende vergoeding.
Ferdinand doet niet eens de moeite om te antwoorden aan zijn broer. Er blijft voor Karel niets anders over dan toe te geven. ‘Hij ontdeed zich van het keizerlijk bewind en schonk aan zijn broer het oppermachtig gezag over het Duitse lichaam. Dit geschrift werd in handen gegeven aan Willem, de prins van Oranje, die gemachtigd werd om het over te dragen aan het college van de keurvorsten.’
William Robertson wordt zelf weemoedig bij het vertrek van Karel naar Spanje. Zijn woorden lijken wel te wenen. ‘Niets verhinderde Karel thans om zich op reis te begeven naar zijn rustplaats die hij zo sterk verlangde. Hij begaf zich naar Zuidburg in Zeeland waar zijn vloot zich verzameld had. Hij nam zijn weg over Gent waar hij enkele dagen bleef vertoeven om zich aan de zachte en aangename droefgeestigheid over te geven. Een ervaring die wellicht ieder mens in de afgang van zijn jaren gewaar wordt bij het bezoeken van zijn geboortestad en bij het opnieuw bezoeken van de plaatsen en de voorwerpen die hem in zijn vroege jeugd het sterkst hebben getroffen.’
‘Eindelijk vervolgde hij zijn reis.’ Ik blijf in het gezelschap van schrijver Robertson. Hoe omschrijft hij dit afscheidstafereel toch mooi. ‘Vergezeld door zijn zoon Filips, zijn dochter de aartshertogin, zijn zusters de koningin-weduwen van Frankrijk en Hongarije, zijn schoonzoon Maximiliaan en een talrijk gevolg van Vlaamse edelen. Alvorens zich aan boord te begeven, nam hij afscheid van hen. Hij omhelsde zijn zoon Filips met de teerhartigheid van een vader die zijn zoon voor de laatste keer ziet, en ging onder zeil op de 17de september, begeleid door een aanzienlijke vloot van Spaanse, Vlaamse en Engelse schepen.’
Zijn schoondochter, ‘bloedige Maria’ had hem nog graag op bezoek gehad, maar Karel legt de uitnodiging handig naast zich neer. Wat heeft een gewone edelman zoals hij nu geworden is nog verloren bij de koningin van Engeland? Elf dagen later meert hij aan in Laredo, waar hij de Spaanse grond kust.
‘Van Laredo zette hij zijn reis voort naar Burgos, door zijn lieden dan eens in een draagstoel en dan weer in een rosbaar gedragen wordend, de hevigste pijnen lijdende bij ieder stap.’ De ontvangst in Burgos is eerder koel. Een handvol Spaanse edelen komt hem verwelkomen. Geen macht, geen vrienden. Karel wordt er op een pijnlijke manier attent op gemaakt. Tot overmaat van ramp moet hij nog weken in Burgos wachten op een beloofde som geld die zijn kinderen hem zouden overmaken en die hij nodig heeft om het merendeel van zijn medewerkers te betalen voor hun laatste diensten.
‘Hij nam eindelijk afscheid van zijn twee zusters en vertrok verder richting Valladolid en van daar naar zijn eindbestemming het klooster van St. Just bij Placentia in Estramadura. Hier, op deze plek wil hij de laatste jaren van zijn leven slijten, in stilte en in complete afzondering. Zijn bouwmeester heeft er een gebouw laten optrekken in de stijl van het klooster. Zes vertrekken, waarvan vier in de vorm van monnikencellen. De andere twee kamers meten zes op zes meter en werden behangen met een eenvoudig bruin laken. Waar zijn twaalf overgebleven huisbedienden moeten slapen, wordt er niet bij verteld. ‘Daar begroef hij in stilte zijn grootheid, zijn staatszucht en al zijn reusachtige projecten die Europa een halve eeuw verontrust en in rep en roer gesteld hadden.’
Het contrast tussen Karel en Paulus is toch wel bijzonder te noemen. Karel is in de luwte teruggekeerd na een leven in de schijnwerpers en oud geworden voor zijn leeftijd. Paulus heeft zich pas ontbolsterd als man van de oorlog op een ouderdom en dit na een leven van studie en bezinning. Een driftige en verwaande fanaticus die er niet voor terugdeinst om de zaden van de tweedracht te verspreiden en het oorlogsvuur over heel Europa te ontsteken zonder zich hierbij aan de gevoelens van de mensen te storen.
Oorlog in Italië, de Fransen naderen Rome, de Spanjaarden verzwakken. Paus Paulus koelt zijn woede op Filips. Voorjaar 1557. Op Witte Donderdag laat de paus de vervloekingen neerdalen over alle vijanden van de kerk en allen die het hebben aangedurfd om de kerkelijke landen te bestoken. Hoe meer de Vaticaanse en de Franse troepen afzakken naar het zuiden, hoe moeilijker ze het echter krijgen. De hertog de Guise komt er zichzelf tegen terwijl Filips de Vlamingen mobiliseert en met 50.000 man uitbreekt in het noorden van Frankrijk.
Filips hoopt op de steun van de Engelsen. Zijn vrouw, koningin Mary, is daar wel bereid toe, maar het is ook voor haar een kwestie om het Engels parlement achter deze plannen te scharen. Iets waar ze duidelijk niet in slaagt waarop ze dan maar zelf het roer in in handen neemt en op 20 juni 1557 eigenhandig de oorlog verklaart aan de Fransen. Achtduizend Engelsen gaan het leger van Filips in de Nederlanden ondersteunen.
Filips zelf is geen oorlogsman. Hij geeft de leiding van het leger over aan de hertog van Savoye. Emanuel Filibert slaat zijn kamp op in Kamerijk en begint aan een succesvolle campagne tegen de Fransen. De veldslag in de buurt van St.-Quentin draait uit op een debacle voor de Fransen die er 4.000 soldaten verliezen. Parijs beeft onder zijn grondvesten terwijl Filips in de omgeving van de stad van St.-Quentin er als grote triomfator zijn intrede doet. Mijn droogstoppel blijkt nu plots zelfs te kunnen lachen.
Filips toont zich voorzichtiger dan zijn vader. Het lijkt er op dat Parijs klaar is voor verovering, maar de risico’s om dat te proberen, zijn veel te groot. Hij kiest ervoor om eerst in het noorden orde op zaken te stellen. Op 27 augustus 1557 valt de stad St.-Quentin in zijn handen. Koning Henri II roept zijn leger in allerijl uit Italië terug, de Fransen rechten de ruggen en kunnen na een zomer gevuld met oorlog de schade finaal beperken tot het verlies van twee steden.
Paulus is woedend om het vertrek van de Franse legers van hertog de Guise. Nu staat hij plots helemaal alleen tegenover een overmacht van Spaanse soldaten en kan er plots wel een vredesverdrag van af met Filips. Paulus maakt een einde aan zijn verbond met de Fransen en zal zich voortaan afzijdig opstellen ‘zoals dat een vader van het christendom betaamt’. Filips van zijn kant herstelt de vroegere situatie zonder nadeel voor de pauselijke stoel.
Alles gaat natuurlijk gepaard met de nodige kwezelachtige ceremonie. Nee, niet Fabiola in het wit maar wel de hertog van Alva die smeekt aan de voeten van de paus. ‘Zodanig was de bijgelovige eerbied voor het pauselijk karakter, dat zelfs Alva, de hoogmoedigste man van zijn eeuw amper durfde op te kijken in de nabijheid van deze kerkelijke idioot.’ Enfin, om een lang verhaal tot een strikt minimum te beperken: op 29 september is de terugkeer van de Guise en zijn leger in het Franse thuisland een feit. Hij neemt het opperbevel van de Franse troepen meteen op zijn schouders.
……
Ik haast me naar Spanje. Naar het klooster van St. Joost. Het bobijntje van de oude Karel is bijna afgerold. De touwtjes van zijn leven hangen nog met haken en ogen aan het leeg bobijntje. Het milde klimaat heeft aanvankelijk voor een verbetering van zijn gezondheidstoestand gezorgd. Hij kon eindelijk het rustig leven leiden dat hij zo gewenst had. Bidden en boeken lezen over godsdienstige onderwerpen. Werken van de heiligen Augustinus en Bernardus. Het eerste jaar van zijn verblijf brengt hem de rust die hij zo dringend nodig had. Lange gesprekken met zijn biechtvader en met de prior. ‘Hij stond op het punt om naar een andere wereld te verhuizen’ schrijft Robertson.
De verbetering van zijn jichtkwaal is niet van lange duur. Een maand of zes voor zijn dood herbeginnen de aanvallen. De voetstappen van zijn ziek lichaam en zijn bijgelovige geest slepen zich voort. Karels gekwelde en getormenteerde gedachten kunnen alleen maar worden gepaaid met een sober kloosterleven en met veel boetedoening. Het lijkt er op dat hij de ballast van zijn zondig en meedogenloos leven van zich wil afschudden. Precies zoals een afgetakeld dier die een plaatsje zoekt om te sterven.
‘Om voor zijn zonden boete te doen, tuchtigde hij zich heimelijk met zulk een gestrengheid dat de zweepkoord van welke hij zich bediende rood van het bloed werd teruggevonden. Zelfs met deze zelfkastijding was hij nog niet voldaan. De kwelling, angst en vrees die bijgeloof meestal vergezellen, hielden hem in gestadige onrust en porden hem aan voor verregaande vrome daden en handelingen. Zo besloot hij alvast om zijn eigen uitvaart te vieren. Hij liet een kerktombe oprichten in de kerk van het klooster. Zijn huisgenoten gingen in de lijkstaatsie met zwarte toortsen in hun handen. Hijzelf volgen gekleed in een doodskleed. Met veel plechtigheid werd hij in zijn kist gelegd. De lijkdienst werd gezongen en Karel bad al de gebeden die voor de rust van zijn ziel gedaan werden gewoon zelf mee. Zijn tranen mengden zich met die van zijn omstaanders die een droefheid etaleerden alsof hij inderdaad al overleden was.’
Mijn zielige hoofdfiguur gaat letterlijk en figuurlijk tot aan het laatste randje. ‘De plechtigheid werd afgesloten met wijwater dat rijkelijk besprenkeld werd over de kist. Pas daarna vertrekt Karel naar zijn privé vertrekken, moe en afgemat van de lange begrafenisceremonie en met het beeld van de dood nu definitief in zijn ziel geprent. De volgende dag krijgt hij een zware koortsaanval die er te veel aan is voor zijn uitgeput gestel. ‘Korte tijd daarna gaf hij de geest, op de eenentwintigste september van het jaar 1558, nadat hij achtenvijftig jaren, zes maanden en vijf dagen bereikt had.’
De loftrompetten steken op, nabeschouwingen op een complex leven. Ik distantieer me er een beetje van. Jazeker, hij was een mens van vlees en bloed met een onverzadigbare staatszucht om de alleenheerser te worden van heel Europa. Op het einde van de rit laat hij een verdeeld en uitgeput continent achter. Zijn dwangmatige verzuchting naar macht heeft de levens van miljoenen mensen geteisterd. Zijn territorium bleek veel te groot om te dragen voor één man. Jaloezie heeft de rest gedaan. Ik denk aan de roedel Franse en Engelse koningen en aan de cavalerie van pausen die net als de overledene dood en verderf hebben gezaaid.
–
Dit is een fragment uit deel 6 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


