banner
mei 17, 2018
1447 Views

Bruintje Berlaert van ’t Torrebusch

Written by

’t Waren slechte boerenjaren en een boer van ‘De Brabant’, een wijk te Poperinge, hing aan de balie. Ze waren zwart van d’armoe en een gebuur zou een zwijn gaan stelen.

banner

Vertelsels uit het Westland – A. Bonnez

In het tijdschrift ‘Biekorf’ – Westvlaams archief voor geschiedenis, oudheidkunde en folklore – verscheen in de Nieuwjaarsmaand 1962 een artikel van A. Bonnez onder de titel van ‘Vertelsels uit het Westland’.

En twee van deze verhalen neem ik hier graag over. Het eerste speelt zich af in Poperinge.

’t Waren slechte boerenjaren en een boer van ‘De Brabant’, een wijk te Poperinge, hing aan de balie. Ze waren zwart van d’armoe en een gebuur zou een zwijn gaan stelen.

In de put van de nacht ging hij op weg en, bij de balie gekomen, zag hij licht op de vaute. Spijtig, dacht hij alzo, ’t zal nog verloren moeite zijn. Maar meteen kwam het hem te binnen dat ze daer een kind verwachtende waren.

Zijn ogen begonnen door den donkeren te zien en het docht hem dat hij daar, onder de vautvensters aan de huisgevel, lijk twee donkere schauwen zag roeren. Hij kwam op zijn tenen dichter en dichter, en waarlijk, ’t waren er twee in kapmantel, twee vrouwmensen …

Hij stond en horkte en hoorde ze zeggen tegen malkaar: ‘ … We moeten opletten dat we niet te late zijn, van als ’t kind ter wereld is moeten we gereed zijn.’

Twee toveressen! Zo flitste ’t door zijn hoofd.

Geen moment te verliezen.

‘Chè-è-è-è … ‘ hoorde hij almeteens en ‘God zeegje en bewaar je … ‘ zei hij.

En weg waren ze, alle twee, weg en deure lijk vliegende vendels, hij voelde de wind in zijn aanzichte.

En ’t docht hem dat er, in ’t wegvliegen een stemme zei: ‘We zijn gefopt’.

Ge moet weten dat , als een nieuwgeboren kind ter wereld komt en dat het de eerste keer gewassen is, de toveressen er geen kwaad meer aan kunnen doen.

Hij had zelf verschoten en peisde op geen stelen meer.

De voordeur was gesloten, hij klopte en wat doe je gij hier, vroeg de boer die opendeed, wat hapert er?

Ewel boer, ik moet je entwat zeggen …

En de man deed zij ngevarenesse uiteen en dat hij gekomen was om een zwijn te stelen. En zo kontent was de boer, dat hij zei: ‘Je moet geen meer stelen, je krijgt er een voor niet, ’t is er aan verdiend.’

Het tweede vertelseltje speelde zich af in de bossen van West-Vleteren.

’t Begon te donkeren en Bruintje Berlaert, een oude boswerker, kwam van den Torrebusch gegaan nar huis tewege.

In een boswegeltje schopt hij daar lijk tegen iets, ’t was lijk een slunse, zo sluts, hij stoop en raapte het ding op, het had lijk de vuwe van een grote rode neusdoek. En dat kan nog al te passé komen, meende Bruintje en hij prommelde hem maar in zijn vestebeurze.

Hij weerde hem om thuis te zijn en gaan was gaan. Waren dat nu gedachten of was ’t maar toegeven, maar ’t docht hem dat hij zo zwaar begon te wegen al aan één kant en tegen dat hij aan de steenwegel kwam die naar zijn huis leidde, was hij in schuim en zweet.

Hij staat om te tasten in zijn beurze, zijn hand voelt daar lijk entwat zachte … en verraads in een wip, springt er daar een ronde knuiste lijk een katte uit zijn beurze.

Hi jhad nooit de tijd van te verschieten als hij daar een schetterlach hoort en lijk iemand die op zijn handen kletst, en een stemme: ‘Maar ik zijn zo blij dat je me zoverre gedregen hebt.’ En hij naar binnen zonder de grond te genaken en de deure op slot.

En Bonnez schrijft hierbij:

Gehoord van een zestigjarige Westvletemaar die het in zijn jonge jaren hoorde vertellen van een oude boswerker.

Uit Doos Gazette nr 2011-00 van Guido Vandermarliere

Article Categories:
sappige vertellingen
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *