ancien : vanaf 6 maanden bij het leger.
biermarschang : bierhandelaar op ronde.
biestemarsang : dierenhandelaar.
bleu : recruut, eerste 6 maand bij het leger.
blommiest : bloemist.
doppre : werkloze, stempelaar.
Er op staan lijk een scheve zeven. Krom en scheef en met een vies gezicht.
Al van heel lang gelden, toen we nog groen achter ons oren waren, leerden we al snel een onderscheid maken tussen ‘seuten’ en ’toffe mokken’. En een ’toffe makke’ was een knap meisje.
Na een lange sneeuw- of vorstperiode is de dooi welkom: “me liggen met den dooi”. Maar dat kan ook ironisch in de zomer worden gezegd, om op het minder welkome van de regen te wijzen. De vieze papperige brij van half gesmolten sneeuw doet ons van “ne vuilen dooi” spreken, maar als de dooi zich niet doorzet, hebben we het over “nen (h)alven dooi”. Immers, “nen dooi zonder regen en win(d), en e(s) nie weer(d) dat ie begin(t)”.
Cursus Westhoeks voor gevorderden
Up d’hofstee loop’n der oens en kats en kweek’n ze keuns
Me moenter is stille gevoallen
De knechtjoengers en meisjoengers meugen nie te goare slaap’n
En de kraaie, preus lik viêrtig, gink ’n hitje rechter zitten ip euren tak en ze’n a ’t nog nie in de mot dat ’t voske ip de skuum gekommen wa. Ze wiste wel, da ’t ne liêlike, liêpe potter wa, ma je kostege ’t zo skoone zeggen, dasse’r gin dink in en a, dattie eur liêlik an ’t arranzeren was. En ’t lag zuste ip ’t puntje van zijn tonge om te zeggen : Kraaie, ‘k zie u toch zo gêren, ‘k zou u kennen ipeten. Ma j’a ’t nog ziêre ingeslik, want da gink te skurdig zijn.
Door het feit dat sommige van onze oude maten onder Engelse invloed op de wereldmarkt bleven gelden, horen we nog wel ‘ns spreken van: ‘ ’n kwartje (duime); nen (h)alven duime; drie k(w)art, vuf k(w)art, zes k(w)art; nen dume en (h)alf; teure, (h)aal ne pak nagels, tweeduims; slaat er liever nen tweeduimer in; ne voe(t) langk; ’n voetje bree(d) ; zes voeten verre ; j’ e( s) daar alle vuuf voete(n) gezet; g’ ê gij nog ’n voetje vooren ; tegen toen me liggen al lange zes voeten onder d’eerde; a’je ’n voetje gif je pakt ’n schree; es ’t juste? ‘
’t Schoon van een paard (nageboorte) wordt in de bomen gehangen om te teren (op te drogen) (bomen: bollaards) om geen onchance te hebben met het kachtel.
HERINNERING – Tusschen bolloars, an ’n boord van ê woaterpit wist ik vroeger ên huerke […]
Volksverhalen uit het oude Zandvoorde
We menen dat Lampernisse anders hoeft uitgelegd te worden. Wat we nu ‘lam’ of ‘schaap’ heten, noemde in het Gotisch, Oud-Saksisch, Hoogduits en het Engels nog altijd ‘lamb’. In het Diets van de middeleeuwen vindt men naast lam ook lamb en zlefs lamp. Lampernisse zal dus = lamphernisse zijn, of, als ge wilt, ‘lambhernisse, dat met de b voor de h , lamphernisse, lampernisse worden moet in de uitspraak. En een lampernisse betekent een hernisse voor lammeren, ’t is te zeggen, in de hierbovenvermelde gevallen, schaapweide, schaapwee. Dat zal precies zo zijn met de gekende dorpsnaam Lampernisse of Lampernesse, die het volk geeft aan een gehucht die het volk geeft aan een gehuicht tot West-Nieuwkerke in het Ieperse.
‘Dat er een blend peer in mijn huis kwame, ’t en zou voor geen kluite kunnen breken.’ Zoo schilderde een oude weduwken zijne armoe uit: ’t had al verkocht dat er in zijn huis was om ’t leven te houden.
Klap’n lik èn avekoat
Klap’n lik è kokkenoane
Kreveer’n lik èn hoent
Krysj’n lik è kleeèn kynt
Lach’n lik è zot
Verschenen in het jaar 1894: volgend overzicht van Westhoek-dialect. Wat is er toch al veel ’te kwiste’ gegaan!
’t Zag er droevig uit in ’t huisje. Vader was zoo even binnen gekomen al […]
Ieperse Woordetjes Mensen maken: wenken, teken doen van naderbij te komen Ter winkel gaan: klant […]
Die uitdrukking wordt echter te Poperinge zelf meer gebezigd in den zin van: een kledingstuk na een zekeren tijd omkeren en dan zo dragen tot het vuil is. Zo zegt men: ‘’k ga mijn schorte een Poperingsche waste geven’. (dus: ze buitenste binnen dragen)
Het jaar is in twee delen onderverdeeld: de winter en de zomer. De winter begint met de nachtevening van september. De kortste dag wordt halfwinter genoemd en dan wordt iedere keer het joel- of keerfeest gevierd. De zomer vangt aan met de nachtevening van maart. De langste dag vieren de oude Belgen met de midzomerfeesten. Die heidense feesten zullen later door de St.-Matheüsdag en de St.-Jansdag vervangen worden. De mensen rekenen niet per jaar, maar per winters en per nachten (ter ere van Pluto, de god van de duisternis). De langste nacht van het jaar wordt de moeder of haviksnacht genoemd. Het jaar is in twaalf maanden verdeeld, de maenlopen en elke maand is toegewijd aan een god. Elke maand heeft dertig dagen, het overschot aan dagen wordt bij de middenzomermaand gevoegd en gebruikt om feest te vieren. Hierbij speelt het Nodfyr een belangrijke rol.
Geheel het hoekig, gekapt wezen kwam te stuurder en te koppiger uit, doordien het voorhoofd in de muts verdween tot aan de oogen, die brandden onder de verstreuvelde winkbrauwen, met lang, wit koeihaar bezet. Anders was Seven altijd glad geschoren; geen haartje op geheel dat Bretoensch wezen, uitgezonderd in den neus en de ooren, alwaar de witte krullen in futsel uitboorden.
Wie zou er aan doodgaan peizen, als men zoo gelukkig is, zoo tevreden en met hetgeen men is en heeft, zoo bedorven in zijn eigen gedoente, ongemarteld van de menschen en weeldig van gezonden kost: ’s morgens, zuiver terwebrood met boter bedaan en daarmee geurende ‘k zal-u-gaan-hebben van koffie; ten acht ure, nog eens klijfen terwe-brood, dikke met smout bespreid; ’s noens, ferme kernemelkpap en pataters met vele papsopsaus; ten vier ure, al naar gelang de getijden, een stuk gezoden vleesch, of fruit, of andere mikmak, en, ’s avonds, voor de afwisseling, pataters en pap.
Alover het witbedoomde veld, dat nog stil te togen lag in den ongestoorden vrede van de nachtelijke rust, ontglipte in het Oosten, de teere klaarheid en de verlangende blijheid van den nieuwen zomerdag. Ginder, Westwaarts, hier, daar, alom en door de landerijen, stonden de machtige boomen onberoerbaar, nog onduidelijk in hun vormen, hoog, op de bijna-onzichtbare stammen; de zware kroonen van de oude populieren hingen donker in de nog-donkere lucht, als dreigende gevaarten boven het blakke veld, dat blekkend uitsloeg aldoor de donkerte, die uit de hoogte viel. Daar zat het nieuwe leven nog niet; daar bleef nog de stramheid en de stijfheid van de dood met hare tastbare geruchteloosheid en hare droeve somberheid.
Fluppe was juist de oude van den populiereboom nevens zijn huizekotje, én, die was een kerel! Ge moet, weten, Fluppe’s vader had een plantsoen op zijn eigendom geplant juist den dag van Fluppe’s geboorte, én:
– ‘k Weet ’s wonder, wie er langst zal leven, mijn boom of mijn jongen, zei hij tegen Wieze, zijn wijf.
– Dat boomtje vliegt uit, al wij willen, loechWieze, maar ons jongentjes leven is in Gods handen.
Wie minder vertrouwd was met die medikamenten, wist altijd waar naartoe; er woonde minstens in ieder dorp een persoon die raad en remedie wist voor elke kwaal, en te kleine koste. Ze toverden met ongezouten boter en wonderzalven, met ‘Adelems-olie’ (Haarlemse olie) en fessatie olie (olie van boemtrankiel). Dan waren er nog baden: in gruiszop, assenloog en koeimest; pap van lijnzaadmeel voor verzworen wonden, steenzweren en zevenogen; en vooral allerlei afkooksels van kruiden: peerdezurkel, dokkewortels, pappewortels, robarbewortels, leiwortels of karremoes en wat weet ik al…..
Dien ’t niet en deert den naam te voeren
van Vlaming, waar, waar heeft hij g’hoord
een woord dat hem aan ’t hert kan roeren
gelijk zijn eigen Vlaamse woord?
– Zeg docteurke, vanwaar kommen de kindjies nu eigentlijk?
De Dokter krabde eens duchtig in zijn dikke krullebolle.
– Ba, zei hij, in de vaart komt er zo nu en dan ’n schip kinders toe. lederen dokteur krijgt er zijn part van. We leggen ze dan goed ingeduffeld in onzen kelder en bestellen ze aan de mensen die er geld genoeg voor geven. De kindjes zijn duur den dag van vandaag en de vraag te Roeselare tamelijk groot.
– En hèè je da nog dikkers ten uptelle?
– Ba! dat zou gebeuren.
– Zeg docteurke. mag ik nekeer kommen kijken naar joenen kelder?
– Kom maar af, maar ‘k en ben niet altijd thuis zulle.
– ’t Mishandt niet, riep Peegie achterna. Zou je geen verkopen aan den inkoopprijs?
– M’en heen geen solden, mannegie! En de dokter verdween.
De tweede maand wordt Solmonath genoemd, verwijzend naar de koeken (sollen) die tijdens die maand aan de goden worden geofferd. Andere plechtigheden die de Latijnse schrijvers ons tijdens deze maand hebben leren kennen is onder andere de benaming Sprorcalia, dat later zal evolueren tot sprokkelmaand. De derde maand draagt de naam Rhedmonath van de godin Rheda, eveneens opgedragen aan Thor. Die maand blijft onder het volk de naam Dorre- of Rostemaend dragen.
Over uitpeuren, uitpinsen en uitrakelen
Een tuin leeft drie jaar
een hond leeft drie tuins
een peerd leeft drie honden
een mensch leeft drie peerden
In oude sprookjes vindt men nog een andere verklaring. Daarin wordt verteld, dat de duivel een groot boek heeft, waarin de namen van alle mensen staan. Als hij op zoek gaat naar nieuwe slachtoffers, begint hij uit dat boek luid namen op te lezen en telkens wanneer hij de naam van een persoon uitspreekt, moet deze niezen. Omstanders moeten dan gauw zeggen ‘God zegen je! en het gevaar is geweken.