Een fernijnig mensch (snakebloed, ijzegrim). Fernijnige tong. fr. wie langue venimeuse’ Noyt te gheenen daghe en was zulck een fenighe tonghe ghehoort.’ (J. Van de Velde.) Fernijnige oogen (waar slimheid, nijd en boosaardigheid in straalt). ‘Een fenineghe haet ende nyt.’
KWAKKELEN, kwakkelde, heb gekwakkeld, o. w. Traagzaam groote brobbels opwerpen, sprekende van iets dat kookt in een groot vat. Die hespeketel, die garenketel kookt dat hij kwakkelt. Gedurig regenen dat er de straten en de akkers van deefelen. Het heeft geheel den zaaitijd gekwakkeld. Het gaat niet wel op den akker werken als het kwakkelt.
Die tegen heuge en meuge haar pint uitdrinkt, zit aan haar pint te ‘zuigen’ en zal een ‘klik’ of een ‘klak’ verschaald bier laten staan; krijgt ze echter het laatste glaasje uit de kan, dan lacht het gezelschap: ‘Kannegeluk is mannegeluk’.
Irma en Zulma Van Puymbroeck woonden te gare, ’n beetje inneweerds, langs den binnenweg bij ’t Lulleke. Dat was’n kleine half uur gaans van de naaste herberg ’t ‘Kruiske’ en gildig dobbel zoo verre van de kerke. Dat is nu veranderd, want sedert ’t komen van de Paters Passionisten is daar ’n nieuwe parochie ontstaan. Daar stond ’n tweewoonst, maar ’t een huis was grooter dan ’t andere.
KATIJVIG (wvl. KATIVEG), adj. Ellendig, armzalig, slecht, (fr. chétif). Het wordt gezeid van menschen die veel armoede lijden, die krank en ziekelijk zijn, of die sukkelen van ouderdom. ‘Een arm ende cativich leven’
· Het wordt ook gezeid van gewassen die mager zijn zonder groei noch jeugd. Die tarwe staat katijvig.
· IJsterachtig, huiverig, die teer is van de koude, (fr. früeux). Hij is zoo katijvig. Kind, ge meugt zoo niet altijd bij ’t vuur zitten, ge zult katijvig worden.
· Ook van het weder, van de lucht die zuur en koud is. Het weder is katijvig. Eene katijvige lucht.
· Slecht, boos, wulpsch, zedeloos, ontuchtig.
SLUITERTJESDAG, m. De dag waarop men, naar oud gebruik, iemand buiten- of binnensluit, en maar in- of uitlaat als hij belooft bet huisgezin te vergasten. De sluitertjesdagen zijn de vier laatste dagen vóór aswoensdag. Den eerste dag sluit men de moeder: ’t is Wijvekenszaterdag. Den tweeden dag sluit men de vader: ’t is Mannetjeszondag. Den derden dag sluit men de dochters: dit is Meisjesmaandag. Den laatsten dag sluit men de jongelingen: ’t is Knechtjes-dijsendag.
’t Droogt hier zoo ongenadig dat de puiden vergaan van den dorst, en heet dat ’t is, brandend heet. De vlasschaards en bloote stoppels liggen hard lijk Judas zijn voorhoofd, op loof zaaien valt niet te denken, en dat is bitter jammer, want de tijd is er.
Clemansje Ze was geen meer van de jongste, Clemansje, zeker half veertig en nog altijd niet getrouwd. Een beeld van schonigheid was ze juist ook niet, alzo dozijnegoed. Maar fraai en kristelijk gene van meer. Ze was thuisgebleven, en intussen, na moeders dood, was ze buiten tand en de kanse verkeken. Ze gerochte zelfs verlegen met heur eigenzelven.
GAAPAARD, GAPAARD, m. Iemand die gedurig staat te gapen. Die brouwerij heet de Gaapaard omdat er een gaapaard geschilderd staat op de poorte..
Gapend aanschouwer, die met onnoozele verwondering iets aangaapt, fr. bayeur.
Gemak voor eere, zei de vint, en è reed terikke op ze zwijn deur de markt.
Hoe meer volk hoe meer neringe, zei Uilenspiegel en é zette z’n kraam in è fruttenierenest
Ha maar me kind Gods, zei Bogaert tegen z’n hoendje, je zijt gelukkiger of ik, je moe’ gij niet te biechte gaan.
Zich met prullen bezig houden. Zijn geld besteden aan prullen. Dat zijn al maar prullen. Al wat hij u daarover gezeid heeft zijn prullen. Een prulle van niet. Iets koopen voor eene prulle van niet. Zich gram maken en kijven voor eene prulle van niet. Een groote twist ontstond uit eene prulle van niet. Bekommerd zijn met eene prulle van niet.
Dat was een wuuvetje, Romanie Breyne, Romtje, Dat was een klein vernukkeld wuuvetje die alzo altijd hele nachten op straat zat. Iedereen was daar benauwd van. Als ze sprak, ze kon niet klappen lijk een ander, dat was lijk ‘albolalbelal’ dat zij zei.
Klinke trappelen, den voet stellen op de voeg van de samengeschoven einden van twee planken die op schragen of buisterhouten los liggen. Als men klinke trappelt, dan wippen de planken op, en de voet schiet door de klinke. De metsers op hunne stelling moeten opletten van geene klinke te trappelen. Hij trappelde klinke, en viel dood.
‘T wos e kè è man, en die man adde twee zeuns. Zegt den joenksten van die zeuns ezoo tegen ze voadere: voader! zegt en, gee’ me ’t part van ’t goet, die me toekomt. En de voader deelden ulder ’t goet. Eenigte doagen d’r achter, giink er de joenkste zeune van deure, noa è ver land, woar dat en ol lichte me’ zen ordjes èdoan makte, me’ in slichte kotjes te wareeren.
Over vele vele jaren stond er boven de grote ingangspoorte van het klooster van Eversam in grote letters: ‘Hier leeft men zonder zorgen’. ’t Gebeurde nu dat Keizer Karel, die in de streek wareerde, voor die poorte kwam en zijn ogen vielen op die letters. In een furte gaf hij order aan een van zijn mannen Vader Abt te gaan halen, het kon niet rap genoeg gaan. Een snak aan de klopper, en aan het tralievenstertje verschijnt de kop van broeder poortier die vraagt wat er de heren mocht believen.
Als de zurkel schiet
Al in de maand van Meie
Schieten al de boeren
In een grooten lach.
Weg de hutsepot
Karotten en poreie,
De gestampte taten
Komen voor den dag
Iemand het gat van de timmerman toogen’; hem de deur uitwijzen, buitenjagen.
‘Het gat schoon hebben, vinden of zien’; een voordelige gelegenheid hebben of zien om iets te doen. Hij had het gat schoon om te vluchten. Zohaast hij het gat schoon vindt, zal hij dat stelen, Ik zie ’t gat nog niet schoon om zo iets te beginnen.
De ale verschilt van het messingzop (mest-sap). De ale is het vloeibaar mest, de drek en de zeik die uit den stal wegvloeit of gedreven wordt langs eene grip in eenen gemetsten put; het messingzop is het vocht dat uit het strooisel zijpelt, welk strooisel, tot leger gediend hebbende voor het vee, en met mesthaken uit den stal getrokken zijnde, samengehoopt ligt in eenen kuil die niet gemetseld is. Het messingzop wordt dikwijls overgebracht in den aalput.
“E n’è d’er è ’n handje van weg” : hij is zeer handig, Weet hoe een delikaat zaakje aan te pakken.
“’t is è Godsblok” : hij is veel te braaf.
‘K voelen’t an de tute van m’n elleboge. (‘k heb het door).
Oude & vergeten spreekwoorden uit Frans-Vlaanderen
De weireld is an bolle, we droayen ol a litje
De West-Vlamingen en hun taal (geschreven in 1873) De taal van de West-Vlamingen is een […]
Tusschen bolloars, an ’n boörd van ê woaterpit wist ik vroeger ên huerke stoan Stroöi […]
Bulte Capron, dat is van mijn langste onthoud. Hij was eindelijk rijk. Hij was eigenaar […]
Mensen maken: wenken, teken doen van naderbij te komen Ter winkel gaan: klant zijn Uit […]
Je had toen ook overtijd, de heksen waren nogal tamelijk wel vertegenwoordigd op de boerhoven. […]