Kontekeeraafs (verkeerd)
Kontekontraarie (andersom/verkeerd)
Kontraarie (integendeel)
Koofr (beddenbak)
Koovulschn (stuipen/vallende ziekte)
Die uitdrukking wordt gebruikt met een licht spottende inslag als men het heeft over huishoudens en meer bepaalde keuken waar het een beetje gesparig aan toe gaat.
Kassiene (vensterbank)
Kastaar (krak)
Katjeduuk (vestoppertje)
Kattebeiers (braambessen)
Kattievig (ziekelijk)
Gardeboe (spatbord)
Garjoole (vogelmuit)
Gartn (plaats maken)
Geirn (graag)
Geirnaars (garnalen)
Eegde (eg) Eeketesse (salamander) Eenbolg (alles voor hem zelf) Eetekonte (geile vrouw) Egerre (een kier) […]
De Bucht (maandstonden)
Deefln (bepotelen)
De piest in (hazenpad)
Derlansn (er neven)
Der neffen (ernaast)
Desschn (dorsen)
– Blutse (zonder geld)
– Blutse (deuk in de auto)
– Blutsekakr (blootaard)
– Blutsekakr (vogeljong zonder pluimen)
’t Is è rute uut uus uus
’t Is tied dat ‘uut is (es)
Me goan nog nie noar uus (me=wij)
’t Is lik è puut up è sliepsteen
Gerytsel: gerij, verkeer: ‘Wuk è gerytsel, ’t is voo zot te komm’n – Wat een druk verkeer, om gek van te worden.
Hoe dat een koe een haze vangt! zegt men schertsend om zijn bewondering uit te drukken nopens een lukslag die een dwazerik doet, enz.
Zijn noagelbak is stief èdind (hij heeft niet veel geen tanden meer)
Hoe oud ziejje? E joar oeder of min taans!
Brugge: zotten
Damme: zuipers
Beernem: beren
Lombardsijde: duinkonijnen
‘Holde als een aalkarteel’. Een aalkarteel was een groot houten vat dat op het ‘snak’ van de driewielkar lag en waarmee de ‘aal’ (mestgier) naar het veld werd vervoerd. Als het leeg was klonk het vreselijk hol.
Kulten was in mijn jonge tijd nog heel gebruikelijk voor ‘kleren’. We hadden allemaal onze beste en onze weke kulten. Als ik een handje toegestoken had op het land of in de stallen en terug naar mijn kamer kwam om te studeren, dan zei mijn moeder gewoonlijk; ‘doe je vuile kulten af en trek propere kleers aan’.
Daar klommen uit de rook, half gebrand, papieren
die zag men door de lucht, als zwarte walmen zwieren,
en vliegen hier en daar zo dat men na de brand,
ze tien uren verre van Belle vond, in het Artesische land.
De mensen zijn familie van Alexander, alles voor zich en niets voor een ander.
Hangen tussen hemel en aarde heeft ook iets van het moment van de uiteindelijke keuze, het moment van overgang tussen leven en dood. Zoals iedereen weet is hinkelen een populair kinderspel, waarbij de kinderen al hinkelend een steentje of houtje volgen dat zij van het ene vak van de hinkelbaan naar het volgende voortschoppen.
E goat de kèse uutbloaz’n, Hij gaat de boete moeten betalen. Heeft dit misschien te maken met een verdwenen verkoopsritueel uit de 17e eeuw. Er werden opeenvolgend drie kaarsen aangestoken. Bij het uitgaan van de derde kaars was de koop gesloten. Wie toen het laatste bod had gedaan, werd de nieuwe eigenaar en moest betalen.
Zijn eigenlijke naam was Sissen Voorde; hij kwam ter wereld op Passendale, binst een gruwelijke dondervlaag en hij kreeg al wijwater van eer hij gedoopt werd, wijl ’t kraakte buiten, dat het daverde. – Louize, zei Warden Voorde aan z’n wijf, we zullen ’t nooit vergeten, dat we vandaag onzen kadet indeden.
+ endeklokke: doodsklok
+ kerkegank: kerkgang voor vrouwen na een bevalling, zuiveringsritueel.
+ knechtebrokke: meisje met jongensstreken.
+ knechteschole: jongensschool.
KRUISBEK. m. Soort van groote vink met grauwe pluimagie, en met eenen snavel wiens bovendeel nevens ’t onderdeel overslaat op wijze van een kruis, fr. bec-croísé. De kruisbekken zingen niet, en daarom heeten zij ook strontvogels.
bougvuldre: zijn buikje rond eten.
bedorven’n stront: een verwend iemand.
boejemers: bohemen, zigeuners.
blieken schijtre: persoon met bleke huidskleur.
allee, de neistighied : véél werklust(naarstigheid) toegewenst.
al tooppe : alles in eenmaal.
allabros : à la brosse, kort geknipte kapsel, borstelkapsel.
an joen flassche : dat doe ik niet hoor
an joe buzze, reken er maar niet op dat ik dat doe.
goat da ne kier moet’n zien: je had dat eens moeten zien.
goat goan joat: denk je dat het je lukt, een beetje rustiger daar.
Een ketsekar is een kar waarmee een voerman, als beroep, zakken graan ophaalt bij de boeren, die vracht naar de molen rijdt om die later als zakken meel terug te bezorgen aan de boer. Iedere boer bakte zelf zijn brood. Iedere zaak meel noemde men een bakte. De voerman noemde men ketser, zoals met heden de ophaler van eieren te lande ‘eierkutser’ noemt.
niewe petat’n, iesterleeg’n : vroege aardappelen, eesterlingen
Koosnaampjes van de Westhoek
kee jookte : ik heb jeuk.
kiekhoeste : kinkhoest.
kinnebak : kin.
kluut’n, buzze : kloten, teelballen.
knoesle, knoesels : enkel, enkels.