Het jaar 1294. De voortdurende ontwaarding van het Vlaamse geld en de handelsboycot zorgen voor grote ellende bij het volk. Daar bovenop krijgen de Vlaamse steden nog eens een extra belasting van 2% op al hun inkomsten aangesmeerd door de Franse koning. Oude beloftes worden verbroken. Alle rechtszaken, verzoekschriften en beroepsprocedures van Vlaamse burgers worden eenzijdig geannuleerd door het Franse parlement. Het leidt tot een nooitgeziene vijandschap van de Vlamingen tegen de Franse terreur.
Ook politiek loopt de situatie helemaal uit de hand. Filips bezorgt een koninklijk bevel aan de Dampierres dat ze Valenciennes moeten ontruimen. Gwijde, die zich voor de zoveelste keer bedrogen voelt, is woedend en weigert op dat bevel in te gaan. Maar Gwijde is niet opgewassen tegen de macht van de Franse koning. Wanneer deze verneemt dat Gwijde weigert zijn bevelen op te volgen wordt hij in juni 1296 als graaf van Vlaanderen geschorst en krijgt hij van de koning een dagvaarding om zich voor het parlement van Parijs te komen verantwoorden.
Ondertussen hebben de Vlaamse steden het bezoek ontvangen van een Franse gezant van de koning die de macht overneemt van de ambtenaren van de graaf. De vrijheden en keuren worden behouden maar ridders en stedelingen worden formeel verboden zich buiten de grenzen van het graafschap Vlaanderen te gaan. Voor Gwijde die oorlog voert in Henegouwen en in Holland betekent dit een catastrofale maatregel.
Gwijde van Dampierre weigert in te gaan op het verzoek van de koning om zich te verantwoorden in Parijs. Volgens hem is het niet aan het parlement om een oordeel te vellen over de Vlaamse graaf. Volgens een oud feodaal gebruik is het enkel een college van de belangrijkste Franse vazallen (de Pairs de France) die recht kan spreken over hem als gelijke. Filips gaat in op zijn vraag en Gwijde wordt uitgenodigd om te verschijnen voor de “Pairs de France”.
En opnieuw laat Gwijde zich vangen aan de sluwe praatjes van de koning. Hij vertrekt naar Parijs. Tot zijn verbazing is er geen sprake van een ontvangst door de “Pairs de France” en moet hij zich toch verantwoorden voor het Franse parlement. Hij protesteert heftig en krijgt voor antwoord: “que veut le roi, ce veut la loi”.
De ontmoeting ontspoort in een juridisch steekspel en eindigt uiteindelijk met een totale vernedering van de Vlaamse graaf. Gwijde kan geen kant meer uit. Hij moet het beheer over Gent afstaan aan de koning en in de vier andere steden Brugge, leper; Kortrijk en Douai wordt de macht van de graaf zodanig ten voordele van de Franse koning uitgehold dat alle grafelijke macht bijna volledig wordt geknakt.
Tot op het bot vernederd, keert Gwijde naar Vlaanderen terug. Eind september 1296 ontvangt Gwijde een nieuwe dagvaarding om zich voor andere kwestie voor het parlement te komen verantwoorden. Hij weigert. Gwijde en zijn zoon Robrecht kiezen op te komen voor de belangen van de Vlaamse burgers in de steden en het platteland. In september leggen Gwijde en Robrecht willens nillens bevelen van Filips naast zich neer en gaan ze zelf over tot intimiderende en vijandelijke acties tegenover de Franse souverein.
Tijdens die periode krijgt Gwijde in zijn kasteel van Wijnendale het bezoek van Hugues Despenser, een belangrijke adviseur van de Engelse koning Edward I. De Engelsen stellen een bondgenootschap voor en zijn bereid de graaf met grof geld te ondersteunen. Met die wetenschap in het achterhoofd roept Gwijde van Dampierre zijn edelen samen te Geraardsbergen met op de agenda de vraag om een anti-Franse coalitie te vormen. Deze bijeenkomst loopt uit op een formeel militair verbond met Engeland dat op 7 januari 1297 door beide partijen (de Engelsen in Ipswich, en Vlamingen in Wijnendale) worden ondertekend. Ook Robrecht van Bethune en zijn broers treden toe tot het Vlaams verbond.
Voor de eerste keer in 80 jaar zal het oorlog worden in West-Europa. De “eeuwigdurende” alliantie van Vlaanderen en Engeland tegen de machtige Franse koning is een conflict van hard tegen onzacht. Vlamingen en Engelsen beloven elkaar militaire steun telkens één van de partijen er om vraagt. Wol en koopwaren kunnen weer vrij ingevoerd worden in Vlaanderen. Oude schulden worden gezuiverd. De graaf van Vlaanderen zal op verscheidene tijdstippen voor het astronomisch bedrag van 325.000 pond aan steun krijgen van de Engelse koning, met daar bovenop nog eens jaarlijks 48.000 pond. Ettelijke schepen volgeladen met munten maken de oversteek naar het Europese vasteland.
Robrecht en Willem loochenen met deze megadeal hun eed en de beloftes die ze aflegden aan de Franse koning om Gwijde vrij te krijgen omdat die niet rechtsgeldig was en onder druk van de gevangenschap afgelegd werd. Twee dagen later breken Gwijde en Robrecht definitief met Filips de Schone. Het is een nooit geziene daad van rebellie.
Ze richten een schrijven aan de Franse koning waarbij ze de onafhankelijkheid van Vlaanderen uitroepen. Gwijde verwijt de Franse koning als Vlaamse graaf door hem op een onwaardige, schandelijke en schadelijke manier behandeld te zijn en de aantasting in zijn rechten hem ertoe gebracht heeft een alliantie aan te gaan met de Engelsen. Het is een opsomming van een hele reeks grieven, zoals handelsbelemmering, moedwillige devaluatie, ondermijning van zijn gezag, schandelijke heffingen, intriges allerhande, de gevangenneming van zijn dochter Filippina, het opjutten van de steden tegen zijn gezag
Het is een hele waslijst. Tot slot verklaart Gwijde zichzelf ontlast van “elke ban, elk verbond, elke verplichting, elke overeenkomst, van alle volgzaamheid, alle dienst en alle cijns die hij de koning verschuldigd kan zijn”. Deze leenopzeg zal tot de Frans-Vlaamse oorlog leiden die Vlaanderen zal teisteren tot in 1320.
Op 20 januari bezorgen de abten van Gembloux en Floreffe de onafhankelijksverklaring aan het Franse hof. Net op het moment dat Parijs door een verschrikkelijke overstroming wordt geteisterd. De oorkonde wordt met verbijstering en ongeloof ontvangen. Op 12 februari 1297 volgt er een ontmoeting in de grafelijke burcht te Kortrijk. Twee gezanten van de Franse koning ontmoeten er de graaf die vergezeld is van zijn zonen en enkele Vlaamse ridders. De leenopzeg van de Vlamingen ligt zwaar op de maag van de Fransen.
De Franse afvaardiging leest een uiterst beledigende brief voor en omschrijven Gwijde als iemand die zich “durft de graaf van Vlaanderen te noemen”. Ze geven te kennen dat hun koning Vlaanderen beschouwt als zijn eigen kroondomein. De Vlamingen beraadslagen welk mogelijk antwoord ze kunnen meegeven met de gezanten
Uiteindelijk luidt de repliek: “Zeg aan uw koning dat hij ons antwoord zal vinden aan de grenzen van Vlaanderen”. Robrecht en zijn broers treden hun vader bij en verklaren zich ontslagen van alle verplichtingen die de koning van Frankrijk van hen, als erfgenamen van de grafelijke troon, mocht opeisen. Dit alles wordt vastgelegd in een proces-verbaal dat de prelaten aan de koning zullen overhandigen. De oorlog tussen Vlaanderen en Frankrijk is hiermee nu onafwendbaar geworden.
Wat ook de redenen mogen zijn: de Vlaamse graaf heeft de vrede van Melun geschonden. Binnen 40 dagen dreigt nu de excommunicatie uit de kerk. Dat zou betekenen dat in heel Vlaanderen geen enkele mis meer zou kunnen worden opgedragen. Gwijde wil dit ten allen prijze voorkomen en laat al op 25 januari 1297 op alle Brugse preekstoelen een brief aan de Heilige Stoel voorlezen waarin hij de verschrikkelijke wandaden van de Franse koning beschrijft.
Aanvankelijk heeft paus Bonifatius VIII begrip voor de graaf en deelt hij mee aan Gwijde dat een excommunicatie niet aan de orde is. In een tegenreactie die Filips laat voorlezen in de kerken van de Noord-Franse steden eist hij de uitsluiting van zijn ontrouwe leenman. Het hele voorjaar gaat er een welles-nietes spel door in alle kerken van Vlaanderen en Frankrijk. De excommunicatie hangt als een zwaard van Damocles boven de hoofden van de Vlamingen. Op 22 juni besluit Gwijde tijd te winnen en beroep aan te tekenen tegen een mogelijke excommunicatie. De Vlamingen kunnen voorlopig verder naar de mis.
De inwoners van Vlaanderen reageren trouwens met gemengde gevoelens op de oorlogsdreiging. Het kan moeilijk anders bij een situatie waarbij zowel Filips de Schone als Gwijde van Dampierre elk van hun kant aan de mouwen van de mensen en stadsbesturen trekken. Een groot aantal Vlaamse edelen ondersteunen hun graaf, maar velen zijn de neerbuigende arrogantie die Gwijde vele jaren heeft tentoongespreid niet vergeten. Tijdens de onlusten van 1280 hebben velen zich gewend tot de Franse koning en heeft die er bijvoorbeeld voor gezorgd dat de stadskeuren van Brugge in ere werden hersteld. Ook de Gentse burgerij stelt zich positief op tegenover Filips de Schone.
De twee partijen komen met de dreigende oorlog lijnrecht tegenover elkaar te staan. De “Leliaards” zijn koningsgezind. Het zijn enkele Vlaamse edelen, het rijkere en begoed volk en de patriciërs die de schepenambten in de steden bekleden. De naam Leliaard is afgeleid van de gouden lelies op het blauw veld in het schild van de koning.
De mensen die de graaf goed genegen zijn noemen zich “Liebaards” naar de afbeelding van de luipaard op de grafelijke vlag. (in die tijd wordt nog geen onderscheid gemaakt tussen een leeuw en een luipaard). Later in de geschiedenis zal de term Liebaards vervangen worden door “Klauwaards” als symbool van een klauwende leeuw. Tot de Klauwaards behoren de meeste Vlaamse edelen aangevuld met de meeste ambachtsmensen en de plattelandsbewoners. Wordt vervolgd in de episode ‘Oorlog met Frankrijk’.
Dit is een fragment uit boek 2 van De Kronieken van de Westhoek


