We brengen vandaag een sage, opgenomen door wijlen Jozef Doise (geboren te Westvleteren op 13 maart 1908 en aldaar overleden op 3 december 1965) gewezen schoolhoofd van Westvleteren, uit de mond van Romain Gruwier, landbouwer te Westvleteren.
De macht van de paters
We brengen vandaag een sage, opgenomen door wijlen Jozef Doise (geboren te Westvleteren op 13 maart 1908 en aldaar overleden op 3 december 1965) gewezen schoolhoofd van Westvleteren, uit de mond van Romain Gruwier, landbouwer te Westvleteren.
Romain Gruwier (Westvleteren, 14 juni 1891 – 4 januari 1966) was de zoon van Leopold Gruwier (Oostvleteren, 7 december 1851 – Westvleteren, 27 maart 1951) en Octavie Maes (Westvleteren, 17 juli 1856 – 7 mei 1938).
We geven hier de sage weer zoals Jozef Doise ze optekende op 16 november 1960.
Petrus Maes, moeders vader, woonde met tien kinderen in de broeken. Dat huis is daar verdwenen. Het werd laatst gekocht door Jules Vandewalle om afgebroken te worden. Het was een klein boerderijtje.
Nu om voort te vertellen, om de kost te verzekeren voor zijn bende kleuters ging Pee in dienst bij boer Schoonaert die woonde over d’ Heebeke in Stavele, waar Vanengelandt nu woont.
Pee was er ‘carton’. Zo als het hoorde stond zijn slaapstede in de paardenstal, waar twee paarden thuis hoorden.
Al op een nacht waren de paarden onrustig. Ze klauwen en stampten op de grond. Pee stond op en ging naar zijn paarden. Die stonden me daar te trappelen, te klauwen, steigeren en zweeten lijk dassen.
Pee klopte zijn boer op aan ’t voutevenster en vertelde de historie van zijn paarden. Is ’t weeral zo zei de boer. Hij stond op en ging met Pee in de paardenstal.
De beesten waren één onrust en hun zweet druppelde in het stro.
Je zei boer: is ‘ t weeral zo. Gebeurt dat wel meer vroeg Pee.
Ja’t zei Boer Schoonaert en ‘k heb al twee maal de peerdemeester geroepen die iedere keer zei: uw paarden hebben geen letsel ze zijn noch ziek noch krank,
Pee Maes gaf de boer een raad: ge moet gij naar de paters gaan. (Westvleteren) Die zullen u wel helpen.
Pee trok naar de paters en sprak vader Abt over die herhaalde gebeurtenissen met zijn paarden. Vader Abt geloofde boer Schoonaert op zijn zeggen. Hij zou morgen een pater zenden. De pater stapte het af naar boer Schoonaerts hof. Niet lang op weg of hij had last in zijn benen. Hij geraakte moeilijk vooruit, zweette en moest het ten lange leste opgeven en weer naar zijn klooster gaan.
De volgende dag ging een pater te peerde naar ’t hof. Hij gerochte daar en vertelde ’t einde asem dat het veel moeite gekost hadde. Hij was wel 10 keren bijna van zijn paard gesmeten.
Dat moest wel een serieuze zaak zijn bij boer Schoonaert.
Allen die thuis waren moesten mee naar de paardenstal om te lezen : de boer, de boerin, de kinderen, de knechten en de meid. Allen moesten lezen en de pater las luidop uit een boek. De pater verflauwde in zijn lezen, zijn stem werd hees, hij was soms verstrooid. Hij deed maar voort en wakkerde het volk aan duchtig door te lezen.
‘k Gaat meester kunnen zei de pater, tussen in.
En al meteens zagen ze iets in de gedaante van een pop van de paarden rollen en in stro verdwijnen. ’t Ging zo rap als de bliksem en niets was er in stro te zien.
En de paarden zijn van dan af van de kwade hand gespaard gebleven.
–
Uit ‘Vlietmara – Heemkring van Vleteren – van 21 maart 1979


