banner
dec 21, 2019
761 Views

Het waardig voorspel van 1302

Written by
banner

Te Cassel op die roemrijke grond

22 februari 1071. Vlaanderen was in deze 11de eeuw aan Henegouwen gekoppeld. Gravin Richilde van Henegouwen verdrukte op de krenkende manier het Vlaamse land. Het vrije Vlaanderen van het noorden stond op met Robrecht de Fries en rukte tegen het zuiden op. Cassel 1071, het waardig voorspel van 1302. Wij verhalen u deze memorabele slag.

De paardenruggen huiveren van de straffe koude, maar de man die weet wat er gebeuren zal, de kerel en de boer, de ridder en de horige, die hier verenigd en verijzerd staan, voelen geen koude. In polsen en slapen klopt het koortsige vuur van geestdrift en verlangen. Verlangen!….

Waarom moet Robrecht dan nog aarzelen? Waarom wacht hij? Denkt hij nog even na? Of wat bindt hem zo stil en stom als een beeld in het zadel?

Zij, die dicht naast de graaf staan, zwijgen en buigen het hoofd. Want de ruwe Robrecht de Fries bidt. Daarboven immers woont de Heer die het heil van alle volkeren in zijn gebenedijde handen draagt.

Gisterenavond heeft hij gevraagd aan de monniken van de Gentse Sint-Pietersabdij die de legertros volgen tot heil van ziel en lijf.
‘Welke dag hebben we morgen?’
‘De 22ste dag van de kortemaand anno domini 1071: Sint-Pietersstoel in Antiochië’.

En nu denkt Robrecht, in dit beslissend moment aan de bonte tijd terug, toen hij te Rome voor het bronzen Pietersbeeld knielde en deed als de duizenden en duizenden pelgrims te Rome: de bronzen tenen van het dierbare beeldeke kussen.

Nu bidt de Fries. En zo bidt hij: ‘Sinte Pieter, tot wie de visser van dit land in nood komt klagen, sta me bij, en de visser die hier is, de kerel, de ridder en de wever, opdat ik voor hen en voor hun kinderen de vrijheid en deze van onze grond moge veroveren en behouden tot meerdere eer en glorie van God en tot het benedijden van uw grote naam. Geef ons kracht en zegen het zwaard in het welke een stukje van uw relikwie steekt. Maak dat ik er mee geen enkele vijand mis. Gij, grote Sinte Pieter!’

Nu gaat de graaf Robrecht de Fries, de man uit het noorden, recht in de stijgbeugels staan, steekt zijn zwaard in de hoogte en brult één enkel woord: ‘Ja!’.

Geen enkele bazuinstoet, alleen dit korte woord, klaar en vol, galmens als een klokkenslag. De Casselberg dreunt donker en somber in het weifelende licht van de prilste dageraad. Het dichte heir schiet de berg af, een dreigende orkaan gelijk, die alles zal wegvagen.

Een half dozijn waaghalzen zijn tijdens de nacht in de stad geslopen en zoek de weg naar de poort, doorheen de zwarte duisternis. Er zijn alleen een paar zeldzame wachters op straat.

De nacht is om, de dag rijst, het gevaar is weer achter de rug. Zo denken de wachters bij de zware poort. Maar dan valt de bijl van de kerel op hen neer. De poorten slaan open en de brug zakt neer. Robrecht, aan het hoofd van zijn leger dondert de brug over. De verrassing is volkomen. Koortsachtig bazuingeschal roept Richildes leger wakker, maar het regent reeds van ver Gentse pijlen op hen neer. Daarna hagelt het slagen.

De kerel mokert als een demon op de versufte Walen. Elk gewonnen ogenblik is een stap nader naar de zegepraal. Robrecht is tot het hart van de stad doorgedrongen. Op de markt golft het al dooreen.

Een hese kreet slaat door de rangen van zijn heir dat de markt bestormt; ‘Richilde!’ Ze voert zelf haar soldaten aan. Robrecht wil er op af, maar nu wordt achter zijn rug geroepen!;

Fitosbern!’

Robrechts hart bonst van wilde krijgsmansdrift. Hij wil Fitosbern te lijf gaan. Fitosbern, de onoverwinnelijk ridder van de westerse christenheid. Robrecht rukt zijn paard om en jaagt naar Fitosbern toe. Een ogenblik kijken deze twee elkaar in het staal van hun ogen: ze hebben elkaar herkend! En weten dat het hard tegen hard zal gaan.

Fitosbern komt met gevelde speer naar Robrecht toe, Robrechts paard doet een reuzensprong in de richting van de speer! De speer stoot op het onwrikbaar schild van de graaf af en breekt als een stok. Nu schiet Robrecht met getogen zwaard toe en slaat met volste kracht op Fitosbern. Zijn zwaard gaat door de ijzeren kegelhelm en klieft het hoofd van de hertog.

De strijd gaat door zonder pozen en met stijgende verbetenheid verder. Robrecht jaagt zijn beste ridders op de Normandische heldenruiters af. Er wordt lang en heldhaftig gevochten. Niet één Noorman geeft zich over. Ze liggen uitgestrekt over de lijken van tien Vlaamse krijgers.

Daar roert door de straat een hoog gejouw: ‘Richilde, Richilde’. De gravin werd gevangengenomen en wordt op een wagen buiten de stad gevoerd. Ja, zo moest het eindigen met een vrouw die het er op aan gelegd had om met de Vlaming te sollen.

Nu is Robrechts zegepraal zo zeker als de dag. Zijn mannen zijn niet meer te houden. Huilend als een wolventroep vliegen ze naar het Franse tentenkamp. Het zegezingende getier van Robrechts mannen is tot de vorstelijke oren van koning Filips doorgedrongen. Zijn hazenhart siddert.

Geen mens weet precies hoe het gebeurt, maar daar zwaaien de tenten als vodden de lucht in, andere geraken in brand, en eer de Franse ridder goed weet wat er gaande is, rijzen aan alle zijden Vlamingen op, ruiters en kerels, roepend en zwaaiend met het zwaard. Het Franse ridderschap geeft het paard de sporen om uit dit bloedig geharrewar te ontsnappen…als ratten die van het zinkende schip springen.

Anderen zouden wellicht het hoofd verliezen in deze zegeroes, de Fries niet!

‘God, daar vlucht Frankrijk!’, Robrecht voelt dat hij de toekomst van land en volk, op dit bewogen ogenblik in handen heeft. ‘Vooruit, de koning achterna’, klinkt zijn bevel.

Op de wiegelende wegen naar het zuiden wordt een duizelingwekkende achtervolging ingezet, de wedren tegen de Franse achterhoede. De hardgevrozen grond klettert onder de snijdige paardenhoeven. Het krakende ijs speerst rondom en het schuim vlokt uit de paardenmuilen. De zon stijgt. Ze beglinstert de wegen en de zweetnatte paardenschonken. Robrecht voelt zich weer hartstochtelijk jong en monter. Het is als een dolle jacht, toen hij twintig jaar oud was.

‘Vooruit!’, roept hij luid en lustig. Vooruit, en zijn beste ruiters kunnen hem nauwelijks bijhouden. Blijven tenslotte achter. Robrecht heeft zich van hen losgewerkt en rent moedermens alleen de Franse achterhoede achterna. Hij wint aldoor maar veld op de Fransman, en op zijn eigen volk.

Cassel ligt reeds uren achter de rug. Aan de klare horizon doemt Sint-Omer op. Nog een paar boogscheuten en Robrecht heeft de Franse hazen bij hun oren. Hij hoort reeds het scherpe klabetteren van de paardenhoeven der Franse ridders. Maar dan komt het uit dat hij zich te ver afgezonderd heeft van zijn leger.

De Fransen lokten hem in het net en de grote Zeger van Cassel zit gevangen. Ze voeren hem naar Sint-Omer. Doch het volk stroomt samen om de graaf te verlossen en de Waalse kastelin lost hem uit tegen Richilde.

Graaf Robrecht rijdt naar het noorden terug. Hij zal zijn volk vrij en groot maken.

Robertus Magnus! Robrecht de Grote!

Uit de krant van 1949 – www.historischekranten.be –

Article Categories:
vergeelde krantenknipsels
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *