Het is een lange, treurige bladzijde in het boek van ons verleden het verhaal van de hongersnoden, die in vroegere eeuwen ons land en ons volk geteisterd hebben.
Het is een lange, treurige bladzijde in het boek van ons verleden het verhaal van de hongersnoden, die in vroegere eeuwen ons land en ons volk geteisterd hebben. Deze rampen opzoeken en beschrijven ware gewis belangwekkend. Maar, nader onderzocht, kunnen ze nog een hoger belang opleveren. Hongersnood ontstaat, weliswaar, meestal toevallig ten gevolge van onweders, overstromingen, van het mislukken van de oogst, allemaal oorzaken die in de natuur zelf liggen en onafhankelijk zijn van de wil en het werk van de mensen.
Als men echter bedenkt dat dergelijke onheilen, hun toe- en afnemen, hun uitgebreidheid, hun gevolgen, dat de pogingen, aangewend om ze te voorkomen of te keer te gaan, in nauw verband staan met den huishoudelijke en maatschappelijke toestand, dan is het gemakkelijk te begrijpen hoe een geschiedenis van den hongersnood, aldus opgevat, van aard is een blik te laten werpen op het leven van ons voorgeslacht en kan bijdragen tot het beter kennen van de volksontwikkeling.
Behalve de capitularia van de Frankische koningen, zijn er geen oorkonden die rechtstreeks gewag maken van hongersnoden. We beschikken dus enkel over verhalende geschiedenisgronden. En dan nog mag men de heiligenlevens onverlet laten. Zelden wordt er een geval van hongersnood aangestipt en doorgaans is het zeer onduidelijk voorgesteld, zonder bepaling van tijd en plaats en oorzaak.
Natuurlijk moet hier uitzondering gemaakt worden voor de gewichtige levens van Graaf Karel de Goede. Blijven nog over de annalen en kronieken, vooral deze die in de kloosters zijn opgesteld geworden ; de andere immers houden bijna uitsluitend hun aandacht gevestigd op het staatsleven van hun tijd. Wat in de annalen aangestipt staat is echt en nauwkeurig, Maar zeer bondig.
Zulk jaar: ‘f’ames valida’, een hevige hongersnood, en wat ze er soms bijvoegen is iets wonderbaar. Maar van weinig belang. De kronieken zijn uitvoeriger en weiden uit over omstandigheden die de hongersnood voorafgaan of vergezellen : Annalen en kronieken vervolledigen elkaar.
Ontstaan van de hongersnood.
De mensen uit die tijd wisten, zowel als wij, dat regen en hagel, vorst en hitte, storm en overstroming de hongersnood voorafgingen en teweegbrachten, maar in hun geest van geloof speurden ze dieper naar de hoogste oorzaak en zagen in die rampen het werk van Gods handen; ze zegden en schreven: ‘het zijn allemaal straffen van net zoals in de hutten van de armen. Ze worden allemaal door de hongersnood getroffen.
‘De Heer zond dus zijn geselen van hongersnood en sterfte uit over allen die in ons land woonden’. Jan de Klerk in ‘Brabantsehe Yeesten’ beschrijft de hongersnood van 1315 en besluit:
‘Dus wrac God onze Here
In ertrike des mensen zonden
Daer si met weelden in stonden’
God sloeg nochtans niet onverhoeds toe. De mensen werden vooraf verwittigd door verschrikkelijke voortekenen en wondere luchtverschijnselen, zodat voortijdig boetedoening voor hun zonden zou kunnen gebeuren. Zo dachten ze toch.
Zo bijvoorbeeld de zonsverduistering. We lezen bij Galbertus: ‘maar vooraf behaagde het de Heer de mensen door verschrikkelijke tekenen tot boetvaardigheid op te roepen; ..Ten jare 1124 in de oogstmaand, verscheen rond de noen een verduistering in de zon. En omdat de mensen, hetzij heren, hetzij dienstlieden, hun leven niet beterden, brak plotseling een hongersnood uit gevolgd door sterfte.
‘Dit jaar, 1310’, schrijft Li Muisis, ‘was het zonsverduistering de laatste dag van januari en ditzelfde jaar was er schaarsheid aan graan en wijn’.
Het zijn vooral de staartsterren die rampen voorspellen. ‘Daar verscheen een steertsterre en de hongersnood volgde’, lezen we in verscheidene jaarboeken op het jaar 941.
De grote hongersnood van 1316 werd aangekondigd door een staartster: ‘Visa est stella comata’, aldus de jaarboeken van Park; ‘en dan volgden: pest, hongersnood en sterfte’. Voor ditzelfde jaar dicht Jan de Klerk in ‘Brabantsche Yeesten’ over ‘die drie plaghen..die God sende den menschen ieghen… (te weten : regen, sware dieren tijt en sterfde) .. en hij besluit:
‘Ende onlanghe, eer dit ghevel
Sachmen die cometen fel
In die lucht die hat den staert
Rechte staende Noord-West waert,
Die van naturen altoes bedieden
Doot van princen ott plaghen van lieden.’
Een ander wonderlijk verschijnsel, te weten het Noorderlicht staat vermeld bij Baldwijn van Ninove ‘Te dien jare (1192) zag men bij nachte een vier in de lucht zodat iedereen dacht dat het brandde in de nabijheid’.
En een ander schrijver: “Den 18sten van de kalenden van Februari (15 Jan.) bij het vallen van de nacht, zagen velen een verschrikkelijk vuur, dat laaide over geheel het aardrijk al de noordkant’. En onmiddellijk daarop voegt Bald. van Ninove daar aan toe; ‘En daar volgde een hongersnood van ongeveer zeven Jaar.’
Die volksopvatting over de hogere redenen van het ontstaan van de hongersnood nu daargelaten, welke waren eigenlijk de werkelijke dichte oorzaken van den hongersnood? In de bronnen uit die tijd vinden we, dat in de meeste gevallen de onmiddellijke oorzaak was: het mislukken van de oogst.
Daartoe werd veelal aanleiding gegeven door lange, harde winters. Een treffend voorbeeld daarvan is de winter die de grote hongersnood van 1125 voorafging. Reeds in 1124 vermeldt Anselm van Gembloux een buitengewone strenge winter met verschrikkelijk veel sneeuw.. Daarop volgde gestadig slecht weer: overhands sneeuw, regen en vorst en dat duurde tot halverwege maart. En het was maar in mei dat er bloei en wasdom te bespeuren was. In zulk geval kon het zaaien niet op zijn tijd geschieden; zodat reeds van in het begin van het jaar de akkerbouw ten achter stond. Was nu daarbij de zomer ongunstig of volgde daarop een nieuw slecht jaar, dan moesten de gevolgen onvermijdelijk noodlottig zijn. Hetgeen inderdaad dit jaar gebeurde. De regen die regelmatig iedere maand bij stortvlagen viel, verzwolg om zo te zeggen het zaad in de grond, zodat de rogge en de haver bijna niets opbrachten.
Dit jaar reeds was er een algemene hongersnood. Deze toestand verergerde nog het volgende jaar, daar de winter opnieuw streng en langdurig was. Geen wonder dat Walter van Terenburg, in het leven van Graaf Karel, boekte: ‘het was nu twee jaar dat de grond onvruchtbaar was en de oogst uiterst gering, ook was er grote schaarscheid aan levensmiddelen’
Voeg daarbij dat het vee, dat in de winter veel buiten bleef, toen eveneens erg te lijden had. Dit ook werkte noodlottig mee, vooral in onze streken, waar de veekweek zeer uitgebreid was en in ruime mate moest voorzien in het levensonderhoud van de bevolking.
Wat het meest nog slechte oogst en vervolgens hongersnood veroorzaakte, was het ongunstig weer tijdens de lente en de zomer: grote droogte, aanhoudende regen, herhaalde zware hagelvlagen.
Andere oorzaken zijn er die meer zelden voorkwamen en wier uitwerking doorgaans minder uitgebreid waren, zoals.
Stormen. De 30ste juni 1185, ontstond er een storm vergezeld van zware hagel, in de omstreken van Anchin. De oogst lag verwoest en er volgde hongersnood.
Overstromingen. Ten jare 1183, ten gevolge van de aanhoudende regen, ontstond er overstroming langs verscheidene watervlieten en was de oogst bedorven. In 1309, na een harde vorst overstroomde de Schelde en vernielde de vruchten in de omstreken van Doornik. In 1287, grote zee-overstroming, die langs de kust grote schade aanrichtte.
Ziekte en sterfte onder het vee, al zijn ze op hun eigen niet rechtstreeks oorzaak van hongersnood, maar eerder het gevolg ervan, helpen er toe om de ramp te verergeren, omdat het vee toendertijd een voornaam levensmiddel was en een groot deel uitmaakte van de have der landelijke bevolking.
Een heel bijzondere en buitengewone oorzaak vinden we eenmaal vermeld, te weten de verwoestingen aangericht door sprinkhanen. Het was in 873. Bij hele zwermen kwamen ze uit het oosten afgezakt al over Duitsland, Frankrijk. Ook hier werden zo gezien en overal brachten ze grote schade teweeg. Het jaar daarna was er hongersnood. Hoe nauw echter het verband is tussen beiden kan men moeilijk uit de toenmalige schriften opmaken, temeer dat die verschijning voorafgegaan is door grote droogte en gevolgd door een harde winter.
Eindelijk dienen nog vermeld de menigvuldige oorlogen en rooftochten tijdens de hogere middeleeuwen. Dat de invallen van de Noormannen hongersnood tot gevolg hadden, valt niet te betwijfelen, omdat we weten hoe ze vee en vruchten roofden en de velden verwoestten.
Of nog hoe de bevolking weggevlucht of met vrees geslagen het land onbebouwd liet. Daarover echter hebben we weinig of geen berichten, immers in die woelige dagen werd weinig geschreven. Er zijn nochtans voorbeelden. Zo lezen we in de ‘Historie van Richer van Reims’, hoe in 889, na een lange strijd, de Noormannen verdreven werden en hoe dan een hongersnood ontstond. Omdat de aarde drie jaar lang onbewerkt was gebleven.
In 882 woedde aan de Nederrijn een plaatselijke hongersnood ten gevolge van de inval van de Noormannen. Men mag hetzelfde vermoeden hier, na de aanvallen in 879 en 880.
Wat de kleine inlandse oorlogen aangaat en de rooftochten van de edelen onder elkaar tijdens de leenroerigheid, is het algemeen bekend hoe talrijk ze waren en hoe die strijdlustige lieden hun vete koelden door onderling het vee te ontvoeren en de velden te verwoesten, zodat de arme plattelandsbewoners nog maar eens het meest te lijden hadden.
Zelden nochtans vernemen we dat ze hongersnood veroorzaakten. Het Is wellicht dat, zo er nood was, deze op een kleine uitgestrektheid beperkt was en zich niet liet gevoelen in de nabijheid van kloosters, waar de kroniekschrijvers leefden, en die van dergelijke aanvallen en stroperijen gevrijwaard bleven. Een keer lezen we hoe ten gevolge van inwendige oorlogen en verwoestingen; ‘vastante passim cuncta raptore’, de mensen op veel plaatsen plaatsen genoodzaakt waren aarde te eten, gemengd met wat meel en in vorm van brood gekneed.
Onder de gevallen die we in de bronnen uit die tijd aantreffen en die aangestipt zijn als min of meer aanleiding gevend tot hongersnood, zijn er die, zooals stormen, overstromingen, oorlogen, minder sterk op hun ontstaan schijnen ingewerkt te hebben.
Het is dat ze meer zelden voorkwamen en doorgaans geheel plaatselijk waren, zodat hun invloed zich in kleinere omvang en minder beduidend liet voelen. De gewone, de gebruikelijke aanleiding was het ongunstig weder. In onze streken komt dat zo vaak voor en alleszins waren de gevolgen ervan noodlottig en uitgebreid; immers ze strekten zich uit over een heel grondgebied, waar grond- en luchtgesteldheid en levensaard dezelfde waren. Het onmiddellijk gevolg van het ongunstig weder en de rechtstreekse oorzaak, de eigenlijke oorzaak dus van de hongersnood was het mislukken van de oogst ; het noodzakelijk gevolg hiervan was schaarsheid of volkomen gebrek aan wat het hoofdzakelijk bestanddeel uitmaakt in de voeding van den mens.
Vervolgt….
–
E. Van Cappel in ‘Annales de la Société d’Emulation de Bruges’ in 1906


