Karel of keerle betekende eertijds een grote kloeke manspersoon, ’t geen wij nog noemen `met een woord dat tweemaal ’t zelfde zegt, een manskerel.
Karel of keerle betekende eertijds een grote kloeke manspersoon, ’t geen wij nog noemen met een woord dat tweemaal ’t zelfde zegt, een manskerel. Bij sommige noordse volksstammen, zoals bij de Hunnen, zegt Kiliaen, betekende Carl zelfs de man bij uitstek, de koning.
Maar Kaerle of Keerle betekende ook nog een lang bovenkleed. Dat woord is ons nog overgebleven in nacht- of slaapkerel en in wetkerel dat gezeid wordt van het ceremoniekleed van rechters en kerkbaljuws.
Quene betekende vroeger vrouwe, uxor, mater familias. Dat woord is in het Vlaams overgebleven, maar niet meer in die zin; de betekenis ervan is heel ‘minderachtig’ geworden.
In het Engels is het ook nog bewaard en de betekenis ervan gerezen; want gelijk de Hunnen Carl zegden tegen de kerel bij uitmuntendheid, zo ook zeggen de Engelsen Oueen tegen de eerste vrouw van het land, de koningin.
Maar Quene, in het oud Vlaams was ook een wollen bovenkleed. In het jaar 1379 droegen de vrouwen froks die men omschreef als ‘kwenen’.
Karel en Kwene betekenen zo tezelfdertijd een persoon en een kleed.
–
Uit ‘Rond den Heerd’ van 1880


