Messchendenat (doornat)
Messing (mestvaalt)
Mestoop (mestopper)
Mette (doopmeter)
Mettekoo (zotje)
Maajn (knikkerspel)
Maajs (knikkers)
Machelaare (woerd of mannetjeseend)
Maksche (distelsteker)
Mannemens (man)
Manooft (bruidegom – hoofd gezin)
Marbels (knikkers)
Mardjok (doorknede modder)
Marmiete (kookketel)
Meesejonges (meisjes)
Meevoozn (mee neuriën)
Meis (meers)
Mèk – Malk – Maaik (melk)
Men (wij hebben)
Messchn (stal reinigen)
Messchendenat (doornat)
Messing (mestvaalt)
Mestoop (mestopper)
Mette (doopmeter)
Mettekoo (zotje)
Meuzl (boodschappentas)
Mezienke (waarlijk)
Moeie (tante)
Moestikekekee (moest ik eens)
Moksche (lief meisje)
Mommenstoch (verwondering)
Moordenaarsgeld (onethisch verdiend geld)
Mooschn (iets verkeerd doen)
Mooze (modder)
Mostekee (moest er eens)
Mottesiekl (moto)
Mullepeire (kaakslag – val)
–
Westhoekse dialectwoorden verzameld door Adhemar Vandroemme
Article Tags:
boodschappentas · kaakslag · meesejonges · meevoozn · melk · messchendenat · messing · mesthoop · mestvaalt · meuzl · mezinke · moeie · moksche · moordenaarsgeld · mooschn · mottesiekl · muilpeer · tante · waarlijkArticle Categories:
naar de bronnen van onze taal

