In het gebied tot ver onder de Aa wordt er een onterechte ‘Gallo-Romaanse’ mythe opgebouwd alsof de hele regio wel van oudsher Romaans moet geweest zijn. Na de Franse Revolutie krijgen de heren van de ‘Midi’ massaal de politieke macht in handen en ze leveren alle inspanningen om de ‘Frankische’ roots te verduisteren. Iets wat zich afspeelt in het onderwijs van hoog tot laag. De Frank Arbogast wordt door de ‘Petit Larousse’ omschreven als de ‘Gaulois’, en Aétius zijnde ‘général Romain née en Moesie’. Ik krijg nieuwe voorbeelden op mijn bord.
Met de Franse schrijver Albert Demangeon als boosdoener. Zijn werk in ‘La Picardie’ rond 1909 draagt flink bij tot deze mythe. Demangeon heeft het daarbij over het stadje Poix ten zuiden van Amiens. Nu trouwens Poix-en-Picardie genoemd. ‘De naam van Picardië komt van Poix’, beweert hij zonder gêne. Rond 1100 heet het plaatsje nog Piceium. Toch is Poix van Germaanse origine. Mijn schrijver somt enkele redenen op. Behoorlijk ingewikkeld allemaal, ik probeer zoals altijd de complexe materie eenvoudig te omschrijven.
Aan jullie lezers te oordelen of ik daar in slaag. Poix ligt in het gebied waar de Germanen zijn binnengedrongen. Tja, zal wel. Komt daarbij dat de inwoners zichzelf als Pohier of Pouhier betitelen. Die uitgang ‘-ier’ is zuiver Germaans en zal vroeger zoiets geweest zijn als ‘pikwarja’. Een erg karakteristieke Frankische naam. Zoals het geval is bij de stad Anglure waar de inwoners zichzelf Anglurier noemen. Pikwarja laat met zekerheid veronderstellen dat de bevolking er volledig Germaans is. De term ‘pikaard’ is ook al zo’n Germaanse term.
Algemeen gezien kunnen we uit de plaatsnamen onmiddellijk afleiden of die ontstaan zijn uit Romaanse of Germaanse stichters. Alles met -court of -chatel, -chateau, -ville zijn dubbele namen. Ze duiden aan dat de Romaanse vorm gebouwd is bovenop de oorspronkelijke Germaanse naam. Neuenburg verandert in Neufchateau, Neufchâtel. Diedenhofen in Thionville. Bellenhove wijzigt in Belincourt. De bevolking moet er dus overwegend Germaans geweest zijn. Moest Pollinkhove in Frankrijk gelegen hebben zou het nu Pollinkville genoemd zijn. Of Poulainville. Die systematische aanpassing van Germaanse plaatsnamen gebeurt niet spontaan door de bevolking zelf maar door de klerken die intelligent genoeg zijn om de oude termen voor hof en dorp systematisch te vertalen in court en ville.
Vreemd genoeg kan er niet zomaar een eeuw op geplaatst worden. Die vertalingen zullen doorgaan tot diep in de 19de eeuw. Een perfect voorbeeld hiervan is inderdaad de naam van het stadje Audruicq in de Pas-de-Calais. Ouderwijk is rond 1800 nog altijd Vlaams. Rond 1100 spreken de akten over Olderwic. Vandaar gaat het naar Ouderwich en in 1200 Audrewic en Alderwic. In de oude akten staan de uitgangen ‘-ignies’ of ‘-igny’ naast hun Germaanse voorlopers ‘-ingen’. Ik denk meteen aan Vlamertinge en Elverdinge. Of Reninge. De Franse klerken zouden er gegarandeerd Flamingnies, Elverny en Renignies van gemaakt hebben. Of iets dergelijks. Al die plaatsen, ontstaan te midden van de ontgonnen bossen hadden Germaanse stichters. Vandaar ook de inghem of ingheim. Mijn thuis in de bossen. Poperinge was ooit Poperingheim en zou door de Fransen Popignies herdoopt geworden zijn. Maar daar kregen ze de kans niet toe.
Het gebeurt al te vaak in het verleden dat die ‘-inghem’ in een eerste stap vertaald wordt in het Latijn als zijnde ‘-iniacum’. Er zijn waarlijk veel voorbeelden te vinden waarbij gelijklopende namen met verloop van tijd helemaal geromaniseerd raken. Tussen Halle en Ninove vinden we Bellingen. Tussen Bavay en Valenciennes ligt er ook een Bellingen. Alleen heet die hier Bellignies. Buizingen heet in de buurt van St.-Quentin doodleuk Bussigny. Guerbigny, Becquigny zijn allemaal voorbeelden die ooit ontstaan zijn met -inge in hun naam. De onderzoekers komen tot de vaststelling dan de toponymie van Westfalen en Noord-Frankrijk verrassend goed met elkaar overeenstemt. Men schrijft dat fenomeen toe aan de Franken, maar ook de Saksen hebben daar hun rol bij gespeeld. De kwestie van Saksen of Franken brengt Van Es weer in Picardië en bij zijn inwoners Picards of Picaards. Die ‘-aard’ of ‘-aart’ is opvallend. Vormen als Klauwaert en Leliaert duiden de partijgangers aan van Vlaanderen en Frankrijk.
Een Spanjaard of een Picaard duidt een soort volk aan. Ik denk aan de woorden lelijkaard, luiaard of de Vlaamse dialectnaam vuilaard. Die achterzetsels zijn duidelijk van West-Germaanse oorsprong. De Engelsen hebben het over Spaniard terwijl de Duitsers verwonderlijk genoeg over Spaniers hebben (uit -warja afkomstig). Van Es komt nu opeens aandraven met zijn theorie over de Saksen die nog tijdens de era van de Romeinen zuidwaarts binnendringen in Gallië en zich gaan vestigen ten zuiden van de Somme. Onder hen een geslacht waar de naam ‘Pica’ veel moet voorkomen.
Het stamhoofd gaat het bruggenhoofd Paquigny bezetten en wordt daarmee de voornaamste grootgrondbezitter van de streek. Hij is de voorloper van een reeks baronnen van Péquigny. Onder hen Vidane van Amiens en Avoué van de abdij te Corbie. Binnen hun bisdom blijft het Germaanse stamhoofd de machtigste van allen. Hij bezit het recht en oefent hier de rechtspraak uit. De abdij van Corbie wordt opzettelijk gesticht om Duitse monniken hier op missie te laten komen. In Westfalen hebben ze trouwens een gelijkaardige dochterabdij uit de grond gestampt. Ik heb het over de abdij van Corvey in Nordrhein-Westfalen. Die fameuze abdij zal lang het centrum blijven van de Germaanse cultuur in West-Europa.
Aan het hof van de bisschop van Amiens is de toestand helemaal anders. In de 12de eeuw is er al sprake van een ‘pont de la Bretesque’, een houten brug voorzien van planken. Oorspronkelijk ‘bendeke’ in het vroeg-Vlaams, een woord dat in het Picardisch als ‘bretèque’ zal voortleven. In heel Picardië komen woorden voor als ‘berge’ voor een hoge oever, ‘croc’ voor een heuveltje (zie ‘krook’ in het oud-Nederlands). In de buurt van Amiens vinden we de voorstad Hem (al bekend in 1125), te Amiens-Saint–Pierre is er sprake van ‘le Barabant’ (Brabant) die zijn naam geeft aan een zij-arm van de Somme: ‘rivière de Barabant’.
Rond Corbie (Kor-Beek?) ontmoeten we Thiembronne en Séburne’. Van Es vermoedt dat het Romaans hier in Amiens het eerst moet binnengedrongen zijn tot bij de stam van de Picingen en dat die door de bestaande Germaanse bevolking wat smalend hun spotnaam ‘Picaarden’ toegemeten kregen omdat ze zich hadden laten verfransen. Een beetje naar analogie van de verwijtwoorden ‘Franskiljon’ of ‘Leliaard’. De inburgering van ‘Picaard’ zal op termijn een Romaanse variante krijgen; ‘Picard’ natuurlijk en op zijn beurt zal Picardia de naam van het land worden. Het is duidelijk dat die naam er pas komt lang nadat daar een Germaanse bevolking de regio gekoloniseerd heeft. Ik kan het een beetje vergelijken met de naam van Wallonië die pas in de 19de eeuw ontstaat uit de naam ‘Wallon’ en pas dan zal doorgroeien tot een volksnaam en de naam van een land.
Ik blijf maar nieuwe zaken opsteken. Ook in Brussel krijgen de eerste Franskiljons een spotnaam. In het toneelstuk ‘La fille de monsieur Beulemans’ (1913) krijgen ze de spotnaam ‘Beulemania’ toegemeten. Maar voor wat het de naam ‘Picard’ betreft is het duidelijk, het woord moet vanuit Germaanse monden ontstaan zijn, het is een zuiver Germaanse naam die door de Germanen moet gegeven zijn aan hun medeburgers die zich lieten romaniseren. Zo is de Franskiljon zeker geen geboren Fransman of Waal, maar een Vlaming die ‘Franselaart’.
Een Picaard is een geboren Dietser/Germaan die Romaniseert en op zijn eigen manier het Frans met zijn eigen dialect een specifiek karakter en taal zal geven. Picardië verschilt hoe dan ook grondig van Frankrijk. Etnisch en staatkundig helemaal anders. De koning mag hier dan wel het eerst begonnen zijn met operatie ‘verfransing’. Toch blijven hier nog veel Germaanse woorden opduiken. Vooral het verkleinwoord ‘-quin’ toont dat Picardië veel Germaanser is dan de Gallische ‘Ile de France’.
Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek


