De oorlog is uit de lucht verdwenen, mijn jaarboeken worden iets luchtiger en schenken wat aandacht aan allerhande fait-divers uit het begin van de 16de eeuw. Zo bijvoorbeeld het bezoek van de nieuwe bisschop van Terwaan aan Veurne.
Nog een fragment uit deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek’, mijn nieuw boek dat einde 2019 in de boekenzaak zal liggen. In ‘Vrijage met Engeland’ staat het volgende te lezen:
Daar is geen beter bate
als gezonde middelmate
en die ’t midden houden kan
houdt het beste, wijf of man
We gaan naar de West-Vlaamse bergen! Aan de horizon krijgen de bulten van deze bergen een vaster gestalte. Het is alsof ze naar ons toe komen: de Kemmelberg, de Scherpenberg, de Rodeberg, de Molenberg en juist over de grens de mooie trits van de Zwarteberg, de Katsberg en de Casselberg, in Frans-Vlaanderen, ooit onze eigen Vlaamse grond.
De dood op getepoten (graatmager)
Met een poot in de pit zijn (heel erg oud zijn)
Te dom om dood te doen (niet zeer snugger)
Na de verschijning van ‘eener sterre met eenen steert’ in 874 en andere voortekens van plagen wordt datzelfde jaar verschroeiend droog en onmenselijk heet waardoor het graan op de akkers er totaal opgedroogd bij ligt. Er breekt een nooitgeziene sprinkhanenplaag uit. Precies de achtste plaag van de farao.
In een boek dat Sint-Aldowin schrijft over het leven van zijn vriend, de smid Elooi. De Morinen en de Vlamingen hebben dus een gemeenschappelijke band. ‘Waarom zouden ze zichzelf anders als één natie beschouwen?
Er volgt nog meer onheil voor Poperinge. Tijdens de nacht van 31 juli en 1 […]
Hier volgt het verhaal van mijn vader Jules Depuydt, die op een dag, in het […]
Diksmuide. Ijzer. Noordzee. Pagus Iseretius. Het oord raakt duizend jaar terug stilaan bekend als ‘Dicasmutha’, ‘Dicasmut’, ‘Dicimuda’, ‘Diquemude’, ‘Disquemue’, ‘Dicimut’. Uiteindelijk wordt het ‘Dixmude’. Pas veel later zullen de mensen spreken over ‘Diksmuide’. Maar daar zijn we nog lang niet aangekomen. In de tiende eeuw is Dicasmutha eigenlijk niet veel meer dan gehucht met een kapel die afhangt van de Sint-Niklaaskerk van Eessen.
De palingschuiten
in het lis geschoven,
met boven hen
een wolkenstoet,
roerloos in de verdroomde vloed
Onbewust transponeer ik de jongelingen van Veurne die in 1396 naar Hongarije vertrekken in de onwetende waaghalzen die zich anno 2013 naar Syrië begeven om zich daar in een onbekend avontuur te storten. Het leger vertrekt uit Vlaanderen in de meimaand van 1396. Het doel van de reis is om Nicopolis te belegeren. Ik schakel even over op ‘Google Maps’. Mijn Nicopolis in Hongarije blijkt nu Nikopol te zijn in Bulgarije, op de grens met Roemenië. Een afstand van 2.250 km met een reistijd van zowat 24 uur.
Ik zie mezelf nota bene nog bangetjes zitten in dat biechtgeval van mijn kinderjaren, die houten kooi, waar een of andere paljas van een pastoor net hetzelfde claimde. ‘De poorten van de hel zullen gesloten blijven en de poorten van het paradijs der vreugde zullen geopend worden. Ofschoon gij niet terstond moogt sterven, zal deze genade echter in volle kracht op u blijven tot op uw sterfuur. In de naam des vaders, des zoons en des heiligen geestes en mits een zo groot mogelijk voorschot.’ Tetzel brainwasht zijn publiek, hypnotiseert de mensen, maakt ze zo zot als een achterdeur en laat ze aflaatbrieven kopen zoveel hij wenst.
Nog even en ik verlaat de jaren 1400 op zoek naar een nieuwe horizon en me goed bewust van de gevaren van een onbekende toekomst. Vooraleer de stap naar de 16de eeuw te wagen, wil ik echter absoluut nog eens terug naar het vroegere Diksmuide. In het jaar 2011 heb ik ooit een hoofdstuk geschreven over de intrigerende stichting van deze stad.
Een plotse aanval bij de Nerviërs in -57 was geslaagd, maar Julius Caesar, de beroemde veldheer had de taktiek van de bewoners door en in een minimum van tijd stond zijn leger van ongeveer 80.000 man slagvaardig. Ondanks de heldenmoed van de streekbewoners moesten ze terugwijken tot in de bossen en vandaar verder. De Morinen wisten heel goed dat ze in een geregeld gevecht tegen de goed gedrilde Romeinen het niet konden halen.
Ten tijde van de Romeinse inval in onze streken die later “Het Westland” zal worden genoemd, is de streek deels grondgebied van de Menapiers en deels van de Morinen. De regio is bezaaid met immense moerassen en reusachtige wouden. De Menapi¨¨ers en Morinen leven er in armoedige dorpen (vici). Er zijn geen steden in België en van Ieper zal er de volgende (bijna) 1000 jaar geen sprake zijn.
E goat de kèse uutbloaz’n, Hij gaat de boete moeten betalen. Heeft dit misschien te maken met een verdwenen verkoopsritueel uit de 17e eeuw. Er werden opeenvolgend drie kaarsen aangestoken. Bij het uitgaan van de derde kaars was de koop gesloten. Wie toen het laatste bod had gedaan, werd de nieuwe eigenaar en moest betalen.
De zoektocht naar sporen van de tempeliersorde in de Westhoek is dan ook een heen-en-weer expeditie tussen waarheid en fictie. Maar precies dat mystieke verleden maakt deze zoektocht zo boeiend.
Na eeuwen van Romeinse bezetting zijn de oude Galliërs en de Romeinse nieuwkomers niet meer van elkaar te onderscheiden. De Galliërs bestaan niet meer, de oude Belgen zijn een herinnering. De Romeinse soldaten zijn gaan samenwonen met Gallische vrouwen. Het nieuwe volk mag dus inderdaad best als een mix van Gallo-Romeinen bestempeld worden, een normaal fenomeen na een intermezzo van 15 generaties van leven, werken en voortplanting.
Koosnaampjes van de Westhoek
Hoe meer men de geschiedenis van de volkszeden bestudeert, hoe meer men er het heidendom in ziet doorstralen. Het huidig bijgeloof is veelal een overblijfsel van de oude heidense godsdienstige begrippen. Ten bewijze: de bijgelovige landman houdt staande dat de wassende en krimpende maan een verschillende invloed op zijn zaailingen uitwerkt; dat de volle maan aan zijn koorn de laatste rijpte geeft, enz.
Bij de volksspelen op het platteland, kwam het er bij de mensen alleen maar op aan zoveel mogelijk leute en verzet te maken. Zo werd er ook EIERRAPING gehouden langs de Frezenbergstraat. Al rijdend met een kruiwagen, waarop een eiermand stond, moest de voerder eiers oprapen die hier en daar op de weg verspreid lagen. De kunst was om het eerst aan de eindstreep te geraken met zoveel mogelijk hele eieren. Er waren schone prijzen te winnen: handdoeken, schorten, dweils, enz.
Zoutcote, de zoutkant, later bekend geworden als Zuydcoote, moet al bestaan. In het jaar 121 wordt hier al het christelijk geloof gepredikt. Mardick, de haven en de Romeinse nederzetting. De golf van Itius die de vloot van Caesar herbergt en waarvan de Aa zowat het ultieme overblijfsel van is.
Ten tijde dat, in de geschiedenis, voor de eerste maal gewag wordt gemaakt van de streken die later de Nederlanden zouden heeten, hebben zij reeds dat karakter van grensland dat zij door de eeuwen heen zullen blijven houden. Reeds vóór de Romeinsche verovering staan, op haren bodem, de achterhoede der Kelten en de voorhoede der Germanen tegenover elkander. Op het einde der eerste eeuw vóór Jezus Christus, hebben deze laatsten echter nauwelijks den zoom van het land bereikt.
HERINNERING – Tusschen bolloars, an ’n boord van ê woaterpit wist ik vroeger ên huerke […]
Het eenvoudige Vlaamse volksleger heeft het elitaire ridderleger van de Fransen verslagen. Zowat in heel Vlaanderen luiden en jengelen de uitbundige klokken om de overwinning van het volk te vieren. De mensen zijn uitgelaten en opgewonden. Nu gaat alles veranderen in Vlaanderen! Victorie. Victorie. Victorie. De mensen van de Gentse achterbuurten komen geestdriftig op straat met de banieren van Gwijde van Namen en die van Willem van Gulik. Al snel zwelt de massa aan tot een uitbundige feestelijke stoet. Het voelt aan als de bevrijding. De bassen van de trommels en het geschal van de trompetten bezwangeren de Gentse lucht. De Leliaards worden vertrappeld
De leeggelopen kust- en Scheldestreek is al vanaf de 4de eeuw deels herbewoond door Saksische groepen die hun Germaanse cultuur en taal met zich meebrengen. Daarvan getuigen de ontelbare Germaanse dorpsnamen die we op vandaag nog kennen. De Salische Franken zelf vestigen zich in de 5e eeuw in het huidige Noord-Frankrijk en Wallonië, vooral rond de steden Kamerijk, Doornik en Bavay.