banner
feb 21, 2018
3042 Views

Tussen Woumen, Esen en Diksmuide

Written by

De burggraaf van Dixmude is een diepgelovig man. In die tijd geloven de mensen er rotsvast in dat ze met de schenking van geld en voordelen hun hemel kunnen kopen. Diederik VIII van Dixmude doet in elk geval flink zijn best.

banner

De burggraaf van Dixmude is een diepgelovig man. In die tijd geloven de mensen er rotsvast in dat ze met de schenking van geld en voordelen hun hemel kunnen kopen. Diederik VIII van Dixmude doet in elk geval flink zijn best. In 1242 geeft hij vrijstelling van het betalen van wijntienden aan de abdij van Aulne tot ‘lafenis van zijne ziel en van die zijner voorouders’. In 1233 is er in Duitsland een ketterij ontstaan door de Stodingers. Paus Gregorius IX verzoekt de christelijke mogendheden om de nieuwe ketterij te bevechten en het omsingelde klooster van Bremen te ontzetten. Diederik VIII van Beveren, kastelein van Dixmude, is opnieuw van de partij om zijn steentje bij te dragen.

Zo ook een jaar later. In 1234, net nu de prijs van de levensmiddelen aan het pieken is, ontstaat de pest in Vlaanderen. Het kan niet slechter vallen. Volgens de kronieken zijn ze zo godvruchtig dat ze deze keer het klooster van Hankvliet Nieuwland volledig vrij maken van alle mogelijke tolrechten in Vlaanderen. Na de dood van de Franse koning Filips-Augustus in 1223 wordt Ferrand van Portugal vrijgelaten. Hij blijft nog tien jaar aan als graaf van Vlaanderen. Hij sterft kinderloos in 1233. Na zijn dood neemt zijn weduwe opnieuw het roer over en benoemt ze burggraaf Diederik VIII van Dixmude tot baljuw van heel Vlaanderen. Het is duidelijk dat de kasteleinen van Dixmude een groot gezag hebben. Diederik trouwt met Beatrijs van Tricht. Ze krijgen twee kinderen: Beatrijs en Diederik.

De zoon Diederik IX volgt naar familietraditie zijn vader op en krijgt zelf acht kinderen. Zijn oudste zoon Hendrik zal hem opvolgen als burggraaf van de stad. Het is eindelijk eens niet een Diederik. In september 1227 staat de verkoop genotuleerd van een stuk grond met een huis gelegen dicht bij de waterloop de Ede. De schepenen van Dixmude bevestigen dat Thierri en Jacques, de zoon van Michel en van Godelieve van Thorout een huis met afhankelijkheden verkopen aan Lambert Tinctor voor de prijs van 22 pond en 32 denieren.

De eigendom met grond is gelegen in het noorden van de stad en strekt zich uit tot aan de Ede. In 1233 bevestigt Margaretha van Constantinopel een gift van honderd stuivers van Thomas van Beveren om op een stuk grond dat hij in leenpacht had van de gravin een kapel te bouwen. De transactie gaat door de vrijdag na Pasen.

Tussen Woemen, Eessen en Dixmude staat in de 13de eeuw een vrouwenklooster dat de naam ‘Hemelsdale’ draagt. In de vroege middeleeuwen zijn abdijen en kloosters voornamelijk ingericht voor mannen. De strenge levenswijze van de Cisterciënzers oefent echter eveneens een sterke aantrekkingskracht uit op vrouwen. In 1123 wordt in Tard bij Dijon een eerste vrouwenklooster gesticht. Het betekent de start van een hele reeks vrouwenkloosters.

Het klooster dat pas later Hemelsdale zal genoemd worden wordt in het jaar 1237 gesticht te Eessen bij Dixmude door de edele vrouw Elisabeth, weduwe van ridderheer Boudewijn van Steenvoorde. Ten tijde van de schenking draagt het landgoed waar Hemelsdale zal gebouwd worden de naam ‘Hieth’. Zo staat het ook opgetekend in de kwijtscheldingsbrieven van Diederik van Dixmude die de landerijen van de nieuwe stichting van ‘del Heed’ in 1241 en 1283 tiendenvrij verklaart. De namen van Hiede, Hiet, Hieth en Hiede duiken steeds opnieuw op in die periode. Het is duidelijk dat Hemelsdale gebouwd wordt in de heide, de ’terrae vacuae’, tussen Woemen en Dixmude. Waar komt de naam ‘Hemelsdale’ vandaan? Staat de naam aanvankelijk niet als ‘Heessendael’ naar de naam van Eessen?

Diederik IX van Beveren schrijft in 1244: ‘… quitamus in perpetuum abbatissam, conventum de valle cell’. Letterlijk vertaald: het convent van ’s Hemelsdale. Op hetzelfde dokument staat te lezen ‘…. locum del Heed (hoc est nomen vallis celi) cum appendiciis suis in parochia de Esna’. In het dal tussen de heuvelruggen van Eessen en Klerken. De natuur van die tijd is er prachtig. De grond is er vruchtbaar. Dit hemels dal is een unieke plek om er een Cisterciënzerklooster te bouwen. Waarom dan niet de naam ‘Heessendael’ omvormen tot ‘Hemelsdael?’

‘In ’t jaer 1237 zyn de eerste grondsteenen geleyd van de vrouw-abdye ’s Hemelsdaele genoemt’. De stichtster Elisabeth schenkt samen met haar dochters Margareta en Aleydis alles wat ze bezitten, zowel landerijen en renten aan de abdis Machteld van Origni van het klooster te Marquette bij Rijsel. De schenking gaat door in de decembermaand van 1237. De eerste religieuzen die het klooster in Eessen bewonen, komen afgereisd vanuit het klooster van Marquette.

Het landgoed dat mevrouw van Steenvoorde zo grootmoedig afstaat, is echter niet haar volle eigendom. Ze houdt het in leengebruik van Diederik IX van Beveren. Het goed is een herinnering aan de gigantische schenking van gronden in het jaar 940 door graaf Arnulf van Vlaanderen aan zijn neef Arnulf de Bevere. De burggraaf van Dixmude moet dus zijn goedkeuring geven aan die schenking. Diederik IX heeft in 1237 echter een klein probleempje. Hij is nog niet meerderjarig. Hij heeft dus een extra goedkeuring nodig van zijn moeder samen met die van gravin Johanna van Constantinopel.

Beide edelvrouwen verklaren in maart 1238 dat Diederik heeft getuigd dat hij ’ter ere Gods en tot heil van zijn ziel, het klooster der Cisterciënzerzusters, hetwelk Elisabeth van het klooster der Cisterciënzerzusters, dat Elisabeth van Steenvoorde voornemens was te stichten, van alle leenplichten ontheft, en dat hij aan alle rechten verzaakt welke hij over het landgoed de ‘ Hieth ‘ kan doen gelden’. Van zodra Diederik IX van Beveren meerderjarig geworden is, bevestigt hij zijn goedkeuring aan de deal.

Tot nog toe weten we dat het klooster gebouwd is op het landgoed ‘de Hieth’ in de buurt van Dixmude. In een akte van 1248 schrijft diezelfde Diederik IX over het goed als gelegen in ‘its parochia de Dna’. Eessen is een oude parochie. In 961 was de kapel van Dixmude nog afhankelijk van die van Eessen. De proosten van Eessen domineren in die tijd trouwens de kapellen van Woemen, Klerken, Kaaskerke en Sint-Jacobskapelle. Eessen grenst aan Dixmude, Vladslo, Werken, Zarren, Klerken en Woemen.

Maar waar is het landgoed ‘de Hieth’ precies gelegen? In een brief van ‘aflossynghe’ van een rente die de abdij ’s Hemelsdale te Werken jaarlijks aan de dis van Eessen moet betalen, lezen we: ‘… staende bezet up de hofstede ende up al tlandt ghenaempt Hemelsdale in Essene, zuudwest vander kercke, daer de weduwe van Pieter Debbout nu woont..’. Het wordt duidelijk dat de vermelde hoeve de bakermat is van Hemelsdale. De hofstede ‘Hemelsdale’ zal trouwens meer dan 700 jaar later, tijdens de Franse Revolutie, noodgedwongen verkocht worden door de abdij.

Bij deze transactie wordt Hemelsdale gelinkt aan de ‘Ommeloop’ van Eessen. Die hoeve ligt op het grondgebied van Eessen, maar tamelijk ver zuidwest van de parochiekerk, tussen Woemen-dorp, Eessen-Kruisstraat, de Predikboom en Klerken, op korte afstand van het Romeinse ‘diverticulum’, die van Cassel, over Poperinge, Zuidschote, Merkem, dan verder loopt via Woemen en Eessen, door het Eessen-Roggeveld en Werken tot aan Wijnendale-kapel, die vroeger veel verder van het kasteel stond dan op onze dagen. Vroeger zal die hofstede van Hemelsdale wel met wallen omgeven geweest zijn, want rondom ligt de grond lager dan op de hofplaats zelf.

In 1237 wordt er een ‘prieuse’ aangesteld, een non die verantwoordelijk wordt voor het stoffelijk beheer van Hemelsdale. Er duikt een document op dat dateert van 1242 en laat vermoeden dat de kloosterzusters pas in 1242 opgenomen worden in de orde van de Cisterciënzers: ‘1242 mense junii, sabbato ante festum Beati Joannis Baptista, fondation abbaye et eglise cistercienne a Heed dite de Valle celi in parochia d’ Esna ‘. In juni van 1242, de zaterdag voor het feest van Sint-Jan de Doper wordt een Cisterciënzerabdij met de naam Hemelsdale met een kerk gesticht te Heed in de parochie van Eessen.

Petrus, de bisschop van Terwaan, geeft zijn toestemming om missen op te dragen in de nieuwe kerk Samen met het landgoed ‘de Heed’ of ’ter Hee’ heeft mevrouw van Steenvoorde ook nog renten geschonken, waarvan de voornaamste een rente van 83 pond op de cijns van Dixmude is, en nog eentje van 17 pond, die de rente van Slype wordt genoemd. Deze twee renten heeft de edelvrouw afgekocht van Graaf Thomas en zijn gemalin. De rente van Slype was trouwens oorspronkelijk in het bezit van de abdij van Marke bij Kortrijk.

Al in het beginjaar van het klooster ontstaat er een geschil tussen Machteld, de abdis, en mevrouw van Steenvoorde. Krijgt de stichtster, die in de nabijheid van het klooster is blijven wonen, spijt van haar impulsieve edelmoedigheid? Is haar geestdrift voor het religieuze leven en de bijhorende materiële onthechting bekoeld? Wil ze zich bemoeien met het leven binnen in het klooster? Wat dan ook: er ontstaat ruzie. De gravin van Vlaanderen wordt aangesproken om tussenbeide te komen. Haar bemiddeling kent succes.

Het geschil wordt bijgelegd. Elisabeth wordt verplicht om aan de abdis elf pond uit te keren van haar schuld, en dat wegens vruchten welke de abdij al vorig jaar had moeten krijgen. Van haar inkomsten moet ze trouw 500 pond aan de abdij afstaan. Verder moet ze na de volgende oogst een partij land ter waarde van 50 Artesische ponden afstaan aan de abdij die dat land ten eeuwigen dage erfrechtelijk zal bezitten. De stichteres mag echter tussen de twaalf tot zeventien gemeten land voor zichzelf houden, mits ze daarvoor jaarlijks 50 Artesische ponden zal betalen.

De zusters en de abdis krijgen toelating om hun grachten te delven. Margaretha wordt verplicht om de waterloop die voorbij haar huis loopt zijn vrije loop te laten volgen zodat het water niet met vertraging aan de abdij voorbijstroomt. Ze kan geen rechten meer doen gelden op de schuren en andere gebouwen die daar werden opgetimmerd. De abdis dient een deel van de schuur te reserveren voor haar weldoenster tot dat die zelf de tijd gehad heeft om de nodige gebouwen op te trekken. De akte wordt voorzien van het zegel van de Vlaamse gravin. Ook de abt van Ter Duinen ondertekent het document.

Het lijkt er op dat Hemelsdale nu eindelijk in rustiger vaarwater terecht zal komen. Maar dat is buiten de waard gerekend van Diederik, de pastoor van Eessen, die het niet pikt dat er op zijn grondgebied een nieuwe kerk gebouwd is die onafhankelijk van hem diensten kan opdragen. Het gaat toen ook al alleen maar om geld. De pastoors hebben hun recht op het ‘altare’, de offergelden en het ‘bodium’. Het zijn allemaal tienden die de mensen van de respectieve parochies dienen te betalen aan het kapittel. Vooral de begrafenisdiensten blijken een erg lucratieve business in de middeleeuwen.

Zo ook in Eessen. Neen, de pastoor van Eessen met boven hem het Sint-Donaaskapittel van Brugge, kunnen het absoluut niet tolereren dat een derde partij binnen het grondgebied van de parochie Eessen tienden kan heffen die niet aan de proosdij toekomen. Het komt tot een rechtszaak. Egidius van Breedene, proost van Sint Pieters te Dowaai (Douai), en Jacob Futchelare, kanunnik van Sint-Donaas, treden op als scheidsrechters.

Op 21 juni 1242 volgt de uitspraak: geen enkele parochiaan van Eessen mag in het klooster begraven worden zonder dat zijn of haar stoffelijk overschot eerst naar de parochiekerk gedragen is. Alle offeranden (geld is dus inderdaad de drijfveer) van de uitvaartdiensten en jaargetijden moeten ten goede komen aan de pastoor. Daarenboven moeten de kloosterlingen jaarlijks veertig schellingen Vlaamse munt betalen aan pastoor Diederik. De partijen aanvaarden de beslissing.

Abdis Machteld d’Origni sterft in 1257. Ze wordt in haar klooster begraven. Het bestuur van Hemelsdale komt nu in handen van Maria van Harelbeke ook al afkomstig van Marquette. Het klooster is flink uitgegroeid. In 1266 schenkt gravin Margaretha drieëntwintig gemeten nieuwe stukken grond aan Hemelsdale. Maar toch zullen de zusters niet lang meer blijven in hun klooster dicht bij Dixmude. In 1270 worden ze overgebracht naar Zillebeke.

Waarom? Wat is er gaande geweest? Een familietwist tussen gegoede Ieperse families eindigt in 1262 abrupt met de moord van een zekere Michiel van Torhout door zijn echtgenote Margaretha Medem. De vrouw wordt in 1264 veroordeeld en vliegt voor de rest van haar leven in de gevangenis. Ze sterft in 1268. De goederen van de steenrijke van Torhout gaan voor de helft naar zijn nazaten en omdat zijn eigen vrouw hem om het leven gebracht heeft, wordt de andere helft verbeurd verklaard en valt die ten dele aan het graafschap Vlaanderen. Het bezit komt in handen van de Duinenabdij. De erfgenamen verkopen hun deel voor 600 pond Vlaams aan diezelfde abdij en wordt omgezet ten bate van de ‘zielszaligheid van de vermoorde’.

De abdij neemt het bezit op van de goederen en gronden in de buurt van Ieper. Met de verplichting om elke dag een H. Mis op te dragen voor de zielsrust van Michiel van Torhout. De mis zal worden opgedragen ofwel in de Sint-Jacobskerk te Ieper waar hij begraven ligt ofwel in de kapel van zijn goed in Zillebeke. De opdracht wordt doorgegeven aan de bevriende zusters van Eessen. In de ‘maartemaand’ van 1267 schenkt de gravin van Vlaanderen het buitengoed van Michiel van Torhout, met al het land aan de Cisterciënzerzusters van Eessen-Dixmude. Ze verzoekt de kloosterzusters om zich te laten overplaatsen naar Zillebeke. In 1268 krijgt de jonge kloostergemeente vanwege het Generaal Kapittel van Citeaux, toestemming om naar Zillebeke over te gaan. De eigenlijke verhuis gaat door in 1270.

In augustus van 1251 verkoopt Diederik IX van Beveren, de heer van Dixmude, al zijn rechten die hij in de stad Dixmude bezit aan de abdij van Sint-Bertin. Het komt er op neer dat de kerk van Sint-Bertinus vrijgesteld wordt van alle belastingen. In juni 1252 engageert diezelfde Diederik van Dixmude zich om de rechten van Adendyck in Zeeland te verkopen. Doet hij dit niet, dan is hij bereid om een boete te betalen van zestig ponden.

Eén maand later, op 3 juli 1253, wordt het compromis ondertekend. De tienden van Adendyck gaan pas in 1258 over in de handen van de abt van St.-Bavo. De abdij betaalt er de ronde som van 700 pond voor. De export van textiel en laken scheert hoge toppen in de Westhoek en in Brugge. Zo bestaat er een levendige handel met Engeland. De textielindustrie heeft zich verenigd in het Vlaamse hanseverbond. Aanvankelijk telt de hanse maar 17 steden: Brugge, Aardenburg, Belle, Sint-Winoksbergen, Damme, Dixmude, Doornik, Ieper, Oostburg, Orchie, Oudenburg, Poperinge, Rijssel, Termuden, Torhout, Veurne en Yzendijke. In het jaar 1261 breidt het handelsverbond zich verder uit met Engelse steden.

Tijdens een ‘foire’ of ‘mis’ in Northampton, wordt de ‘Vlaamse Hanse van London’ op een prestigieuze manier geïnstalleerd. Later zal de hanse, met andere Franse steden, uitgroeien tot een club van 33 leden. Brugge is aangesteld als hoofd van de hanse. Er wordt afwisselend vergaderd in London en in Brugge. Elke deelnemer stuurt er zijn vertegenwoordigers naartoe, en ze hebben er elk een stem in de algemene vergadering. Brugge heeft 8 leden, Ieper, de tweede grootste stad, heeft er 4. Aardenburg heeft 3 leden. Dixmude en Oudenburg hebben 2 afgevaardigden.

De rest van de steden hebben elk één vertegenwoordiger in de algemene hansevergadering. Het feit dat Dixmude 2 afgevaardigden telt, geeft toch wel een indicatie dat de stad tot de top 4 van Vlaanderen behoort. We checken even het aantal inwoners van Brugge en Ieper. In die periode zijn er zowat 30.000 à 40.000 Ieperlingen. Het lijkt dan ook niet overdreven om te stellen dat er zich in de glorieperiode van Dixmude zowat 8.000 à 15.000 bewoners in de stad bevinden. En toch spreken de kronieken over een bevolking van 4.500 à 5.000 tussen de jaren 1300 en 1400! Alles heeft misschien te maken met een voorval in 1270.

In dat jaar teistert een zware brand de binnenstad van Dixmude. Een heel deel van de stad, samen met de kerk, wordt door de vuurgloed verwoest. Gwijde van Dampierre profiteert van de heropbouw van de stad om die nu te voorzien van versterkte muren met toegangspoorten, vestingen en toegangsbruggen. In 1271 vinden we voor de eerste keer de namen terug van schepenen in Dixmude. Gilles de Paons, Raouls Piet, Jehans de la Porte en Gilles Libruns bekrachtigen de verkoop van een woning in de Schipstraat. In 1275 sterft de echtgenote van Diederik IX van Beveren. Margaretha die afstamt van adellijk bloed van de koningen van Cyprus en Jeruzalem, wordt begraven in de abdij van Flines.

Anno 1280 staat Jan van Beveren, die zich ingeschreven heeft als novice in het klooster van de Predikheren, al zijn rechten af ten voordele van zijn broer Hendrik. Jan en Hendrik zijn de twee zonen van burggraaf Diederik IX. Hendrik verklaart zich akkoord om in ruil voor die transactie, zijn broer gedurende de rest van zijn leven een jaarlijkse rente van twintig pond te betalen. Maar hoe ziet Dixmude er eigenlijk uit na de heropbouw die volgt op de grote brand van 1270? De hele stad zit opgesloten binnen een reeks van muren en brede waterlopen.

Er zijn vier grote poorten: de Oostpoorte, Westpoorte, Zuidpoorte en Noordpoorte. Er is ook sprake van het kleinere ‘Grauwe broers voetpoortje’. En er is de Ballingpoort aan de Alleiebrug. Op de vestingen staat afweergeschut opgesteld om te beletten dat ongenode invallers zich via de Ijzer en de stadspoorten een weg kunnen banen naar het centrum. Later zullen er ook windmolens gebouwd worden op de vestingen.

Aan de binnenzijde van de vestingen biedt de stad een aangenaam uitzicht. De straatjes zijn meestal rechtlijnig en evenwijdig aangelegd. De vestingen zijn omringd door bomen. De Handzamevaart kronkelt her en der door de binnenstad. In de loop van de eeuwen wordt een 70 meter hoge kerk opgetrokken. Er komt een stadhuis, een Recolettenklooster, kloosters voor de Grauwe en Zwarte zusters. We zien de bouw van het Gasthuis, de ‘arme schole’, het H. Geesthuis, het Sint-Jorishof, het college van de Norbertijnen, het huis ‘van den Heere’, de gevangenis, het St.- Sebastiaanshof, en het St.-Barbelshof.

Het voornaamste gebouw is zonder twijfel de ‘Halle’. In Ieper wordt de 13de eeuw bijna volledig besteed met de bouw van de lakenhalle. Ook in Dixmude is er al in 1271 sprake van een buitengewoon groot gebouw dat gebouwd is tussen de Graanmarkt en de Oostelijke vesten. De halle dient niet alleen als verkoopcentrum van de lokale ambachten maar ook als vergaderzaal van de wethouders van de stad. Hier leggen de respectieve vorsten van Vlaanderen hun eed van getrouwheid aan de bevolking af. En dan hebben we nog het begijnhof waar al sprake van is in 1273.

Dit is een fragment uit boek 2 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *