Wat is d’ Heilige Kerke?
Een gebouw van moortel en steen,
van boven nen torre,
van onder een schorre,
van binnen ne zak
waar elkendeen z’n pennink in stak.
+ Steekt u in gulden – en ge steekt u in schulden: (van iemand die meer verteert dan hij wint of bezit).
+ De aanhouder wint – en de broekschijter stinkt: (van iemand die tot vervelens toe aandringt.)
+ Mager en taai – gelijk de katte van Snaai: (als antwoord op de vraag: Hoe gaat het?)
+ Sorte met sorte – en vorte met vorte -en duivels met koolbranders: (als men met zijn weerga trouwt of met vrienden van eigen rang verkeert.)
+ Een blek is een lek: (als de zon schijnt en het zwart zit aan den anderen kant en regen dreigt.)
+ Plant pompoen voor zunne, G’hebt ze gelijk een tunne: (regel voor Sint-Marcusdag).
+ Gaan lijk beurzesnijders. (een vrouw van Kuurne die ’s zondags op haar parochie met ijswafeltjes vent, vertelde me hoe ze moet haar man staan tegen de concurrentie: kwestie van zeer rap te gaan en te lopen om er de eerste bij te zijn. ‘Lijk zondag laatst, zei ze, we wilden de eerste op de Kouter zijn, en gaan dat we deden, gaan lijk beurzesnijders. Maar enja, ’t hangt er al van af, zo en ga’je niet, zo en hê’je niet.’
+ ’t Is een kalf dat burgemeester is te Zoutenaaie: men moest lopen om ter eerst, een kalf liep mee en kwam eerst aan.
+ Zij is gelijk de dood van Ieper en hij is gelijk de God van Tielt: gezegd van een bleke, ziekelijke vrouw en een streuse man.
+ Het gaat zo zere gelijk het muziek van Vichte (dat nogal vlug doorstapt). Gezegd als er bij traktaat veel glazen bier op tafel komen.
+ Volksgeloof rond de bruiloft: een bleter. Als ’t regent of vlaagt den dag van de bruiloft, ’t gaat nen blèter zijn. (Zillebeke).
+ Elders, zoals te Gistel, zeggen ze dan: Ze gaan vele moeten schremen.
+ Kijken naar de keersen. Ze gaan ook voort op de keersen van den autaar, als ze ‘schoone branden’ en langs welken kant het schoonst: de mannekant (epistelzijde) of de vrouwekant (evangeliezijde). De kant waar ze schoonst brandt, voorspelt het langste leven. Onze moeder, die niet veel van bijgeloof hield, zei toch van haar trouwdag: ‘’k En heb toch niet willen kijken naar de keerse.’
+ Het zout op tafel.. Men mag in elk geval geen zout storten op de bruiloftstafel, dat voorzegt alleszins ‘slecht’.
+ Soorten van jaren. ’t Weêre moet zijn jaar hebben: droge jaren dat zijn graanjaren, natte jaren zijn groenseljaren, en tussen de twee is een goed vlasjaar.
+ Orkaantjes. Bij ’t zien werrelen van ’t zand op gebakken grond:
+ ‘’t Zal keren, d’er waaien te veel orkaantjes’. (van een boer in Adinkerke).
+ Wilde Catechismus.
Wat is d’ Heilige Kerke?
Een gebouw van moortel en steen,
van boven nen torre,
van onder een schorre,
van binnen ne zak
waar elkendeen z’n pennink in stak.
(Gehoord te Pittem van een oud ventje om op zijn manier te zeggen dat er te veel schalen en offerblokken zijn.)
+ Vermaning: boven de ‘meelgote’ van den Hoflandmeulen (langs de baan van Bambeke-Kruisstrate, gaande naar Houtkerque, Frans-Vlaanderen) is er een plank aan den meelbak gehecht, met volgende rijmen ingekorven:
Schept tot u(w) voordeel
en vreest Gods oordeel
+ Sproeten. Hij heeft ale gevoerd tegen wind en ’t is in zijn wezen gespeten.
+ Van een rosten met sproeten: Hij heeft in een peerdestront geblazen.
+ Kaalhoofdig. Hij heeft altijd in een te kort bedde geslapen.
+ Hij moet verre gaan om zijn kruis te maken.
+ Braaf zijn. Braaf of fraai zijn ’n is geen gave, ’t en is maar de gave van een peerd. (zo zegt men, als men de braafheid van iemand beboft).
Uit Biekorf 51 van 1950


