Felicitas heeft ook die tijden beleefd en dag voor dag het hele verloop van die patatteplaag opgetekend, doormengd met het verhaal van de geweldige toeloop van pelgrims die dan kwamen dienen naar het St-Antoniuskapelleke, bij den Hukker te Rumbeke.
Ik had destijds hier ook gelegenheid een afschrift te nemen van een notaboek van Felicitas Rommel, – dat is de eigen tante van Kanunnik Henri Rommel zaliger, die stierf in 1916 in ’t huis nevens ’t Bisdom te Brugge. Felicitas heeft ook die tijden beleefd en dag voor dag het hele verloop van die patatteplaag opgetekend, doormengd met het verhaal van de geweldige toeloop van pelgrims die dan kwamen dienen naar het St-Antoniuskapelleke, bij den Hukker te Rumbeke.
Dat ‘Sint-Teuntjeskapelleke’ werd verleden jaar bij ongeluk omgereden en is nu in verminderd model herbouwd al de overkant der straat; het stond te voren op de hoek van een partij land die de naam draagt: ‘het kapellestuk’; en op dat land stonden in 1845 ook aardappels geplant, die lijk alle andere aangetast waren van de ‘plage’.
Twee pelgrims van Menen, als ze dat zagen, keerden hunne hielen en waren weer weg, zeggende: ‘Als St Antonius maar alzo voor “zijn” patatten kan zorgen, hij moet hem “de onze” niet aantrekken’.
Zo vertelt de legende… of ten minste dat vernam ik van mijn oude vriend zaliger Cyriel Vandoorne van Rumbeke, die ook een Vlaamse Uilenspiegel was.
Hier volgen nu de aantekeningen die lopen van 23 juli tot 13 september 1845.
J.D.D. Rumbeke.
Uit het dagboek van Felicitas Rommel
23 juli 1845. Het loof van de aardappelen verdroogt op vele plaatsen, komt zwartachtig en geeft een vuile reuk; veel volk komt dienen naar het kapelleken van de H. Antonius om door zijn voorspraak, daarvoor hulp te bekomen, na aldaar gebeden te hebben, komt men naar de kerk van Rumbeke waar de relieken van de H. Antonius rusten en ieder laat zich van derzelve zegenen.
24 juli 1845. Het getal van degenen die komen dienen, vermeerdert; men zegt dat de aardappelen in een slechte staat zijn op Ledegem, Menen, Dadizele, enz.; het is te dunken dat dit gelijk vele zaken wat vergroot is.
25 juli 1845. Het getal van degene die voor hun aardappelen de H. Antonius tot voorspreker komen verzoeken is heden meerder als de voorgaande dagen; men zegt dat de aardappelen dagelijks verslechten.
26 juli 1845. Het groot getal pelgrims heeft de aandacht van vele personen opgewekt om hun daar door een middel van winst te verschaffen; verscheidene hebben hun huizen geopend om voor de vreemdelingen koffie te maken en verdere nodigheden te bedienen; ook zijn er die bij het kapelleken kaarsen, drugels enz. verkopen.
28 juli 1845. Gisteren zondag heeft er bijna den gehele dag een priester bezig geweest om de pelgrims te zegenen, die in overgroot getal van alle kanten de relieken van de H. Antonius kwamen eren. En heden is het getal ook zeer groot gedurig ziet men veel volk van het kapelleken naar de kerk komen om gezegend te worden.
29 juli 1845. Heden dezelfde toeloop.
31 juli 1845. Dagelijks groeit het getal pelgrims; eerst was het van den zuiden dat er meest volk kwam; nu komt er zeer veel van west- en noordwaart.
1 augustus 1845. Heden hebben er wel drieduizend pelgrims van vreemde gemeenten de relieken van de H. Antonius komen eren.
2 augustus 1845. De toeloop vergroot van dag tot dag.
4 augustus 1845. Gisteren zondag hebben er 11 à twaalf duizend vreemdelingen in pelgrimage gekomen. – Heden is de toeloop ook zeer groot; men komt van 6 à 8 uren ver.
5 augustus 1845. Heden is er buitengewoon veel volk; van de vroege morgen tot in den namiddag is er zo veel volk op de weg die van St Antonius kapelle naar de kerk leidt als op een zondag, te tijd dat het klipt om de hoogmis; bijna in alle huizen die langs de straten staan die naar de kapelle leiden maakt men koffie voor de pelgrims en men verkoopt brood, koeken, kaarsen etc.
6 augustus 1845. Heden is er wat minder volk komen dienen.
13 augustus 1845. Alhoewel de toeloop naar het kapelleken van de H. Antonius sedert enige dagen merkelijk verminderd is, komt er nog dagelijks veel volk van verscheidene uren ver.
De aardappelen schijnen omtrent in de zelfde staat te blijven, het loof is ten groten dele verdroogd en van de stam gevallen t’is te zeggen de broeën van de takken zijn afgevallen.
14 augustus 1845. Men aanziet de opbrengst van de aardappelen voor bijna geheel verloren, want de ziekte waar van ze zijn aangedaan is niet alleen aan het loof, maar in verscheidene plaatsen komen er zwarte plekken op de aardappelen tot zover dat er een deel niet eetbaar en is en men vreest dat dit een volledig bederf zal teweeg brengen. Men begint grotelijks te vrezen voor het koren, de rogge is reeds door de regen die sedert enige dagen bijna niet opgehouden heeft in verscheidene plaatsen beginnen schieten.
16 augustus 1845. Gisteren heeft het bijna niet opgehouden van regenen daar door heeft de processie niet kunnen uitgaan, maar veel mensen voeden de hoop dat door de voorspraak van O.L. Vrouw het weer zou gebeterd hebben, omtrent den avond klaarde de lucht, de maan scheen helder en men verwachtte voor heden een schone dag; maar ontrent tien uur heeft het weer beginnen te regenen en verscheidene vlagen hebben er gedurende de nacht gekomen, en heden en houdt het bijna niet op van regenen; de rogge die niet zeer wel gestuikt is, begint te schieten; ook zegt men dat de tarwe die wat gevallen ligt begint te schieten; men ziet de droefgeestigheid op het gelaat van bijna alle mensen, en allen, uitgezonderd een klein getal aanzien het bederven van de aardappelen en de gedurige regen voor een straf van de hemel die om de zonden van het mensdom vergramd is. Omtrent de avond houdt de regen op, de luchtgesteldheid verandert, maar de vrees is zo groot dat men bijna geen betering durft te verhopen.
19 augustus 1845. Sedert zaterdagavond 16u heeft het niet meer geregend, integendeel heeft het zeer wel gedroogd; gisteren maandag hebben er twee gezongen missen tot bekomen van schoon weer gedaan geweest, in dewelke zeer veel volk heeft geweest.
19 augustus 1845. Heden het schoon weder geduurd hebbende tot 14u30 wanneer men in den zuiden een dondervlaag zag; de zelve kwam zo spoedig dat ieder een daardoor werd bedrogen; de stortregen was zo groot dat in enige minuten de straat waar het water van de plaatse afloopt, geleek als een snelstromende rivier, de donder heeft gevallen op een boom omtrent de boonhut, verscheidene bomen zijn door de wind omvergeworpen en bijna al de korenstruiken die niet waren opengelegd om te drogen, werden overhoop geworpen; de vlaag duurde maar weinig tijd en het overige van de dag heeft het snel gedroogd.
20 augustus 1845. Heden beurtelings regen en schoon weer.
21 augustus 1845. Redelijk schoon weer.
13 september 1845. Sedert 20 augustus heeft het zeer schoon weer geweest; dus dat de oogst zeer wel is konnen ingedaan worden, ter uitzondering van wat zomertarwe die niet rijp was.
–
Uit ‘Biekorf’ van 1956


