Ik maak kennis met geschiedschrijver Marcus van Vaernewyck. Een Gentenaar die het tussen 1518 en 1569 schopt tot bestuurder in zijn thuisstad en daar het enigszins bevreemdende manuscript ‘Historie van Belgis’ neerschrijft. Een lokale uitgever drukt de handschriften in 1829 en heeft het over een poëtische roman. Ik deel aanvankelijk die mening: zijn teksten zijn zuivere fantasie. Maar is dit zo?
Mijn twijfels rispen op. Kan iemand 1200 jaar geschiedenis uit de prehistorie zo maar uit de duim zuigen? Nee. Ik moet op zijn minst mijn vooringenomen houding laten varen en me samen met Marcus van Vaernewyck begeven op zijn pad van de geschiedenis. Mijn twijfel heeft alles te maken met de erg herkenbare woorden en namen van steden die hier en daar doorheen de huid van zijn teksten priemen. Ze verraden een glimp van waarheid.
De dolmen in de buurt van Bavay is er niet van zelf gekomen. Menhirs in Wallonië en Noord-Frankrijk, Stonehenge. Die gigantische rotsformaties staan daar niet zo maar: ze zijn duizenden jaren geleden geplaatst door een mensenzee van volk. Wat een buitengewone kans krijg ik hier toegeschoven om wat meer te ontdekken over onze voorouders nog lang voor er sprake is van Jezus Christus of van Julius Caesar.
Mijn besluit staat vast: ik vertrek op reis in de tijd en begeef me op een tocht die zowat drie weken zal duren. Onderweg tref ik voldoende argumenten aan om de geschriften van Marcus van Vaernewyck hun eigen stek te geven in mijn ‘Kronieken van de Westhoek’. Meer zelf: zijn ‘Historie van Belgis’ wordt prominent als eerste geplaatst. We maken kennis met zijn prettige oude Vlaamse taal die we zo goed mogelijk zullen proberen tot zijn recht te laten komen.
Ik geraak, onderweg in mijn zoektocht naar de geschiedenis van Belgis, bijzonder geïntrigeerd door een speciale studie van de heemkundige kring van Gooik; ‘Bel, Belinus en Belfort’ van Johnny van Bavegem. Ik heb gelijk gehad om te beginnen aan de ‘Historie van Belgis’. Ik besef het nu al. Rond 2000 voor Christus is er nog sprake van één oppergod: de zonnegod of de lichtgod schrijft van Bavegem. Baäl, Beël, Bélus of Bel. Beëlzebub. We ontdekken de naam van ‘belfort’, het fort van Bel, belforten, erg doelbewust neergeplant op kruispunten van aardlijnen die hij Belinuslijnen noemt. Het is een fascinerend artikel over geomantie.
Meetkunde waar wij, simpele stervelingen niets van af weten. Johnny van Bavegem geeft wat verduidelijking rond zijn bronnen en die blijken precies dezelfde te zijn als die van Marcus van Vaernewyck: Jacques de Guyse, een monnik die in de jaren 1300 leeft en werkt in Valenciennes en die de lokale geschiedenis van Henegouwen in liefst 15 boekdelen beschrijft. De meeste historici van zijn tijd beperken zich tot het herschrijven of interpreteren van de klassieke Griekse en Romeinse bronnen. En dat zijn ongetwijfeld meestal schrijvers die dat in opdracht gedaan hebben van keizers of koningen die natuurlijk hun eigen interpretatie van de geschiedenis wilden laten overleven.
Jacques de Guyse baseert zijn verhalen echter op zogezegde ‘barbaarse’ schrijvers. ‘Obscure kroniekers’ lees ik. Barthélémi, Clérembaud, Hélinaud, Nicolas Rucléri, Lucius van Tongeren en Hugues de Tour. Ook de mondelinge overlevering en volkslegendes spelen hun rol. De bronnen die ik hier aantref, zijn er ook in mijn ‘Historie van Belgis’. Schrijver Marcus heeft er nog andere: Julius Trevirensis, Anntus van Viterba, Paradin, Paulus Emilius en andere.
We maken in -1153 kennis met Bavo. De man is koning van Hoog-Frygië en afstammeling van Priamus de laatste koning van Troye. Hij en zijn volk leven op de Anatolische hoogvlakte waar hij niet de minste perspectieven ziet voor zijn mensen. Op de vlucht voor de Grieken. Verder weg trekken naar het oosten, richting Azië is geen alternatief. De sterren vertellen het hem: ‘het geslagt der Troyaenen zoude te niet gaen in Asia en moet herplant worden in Europa.’
Via de haven van Tyr schepen de Indo-Europeanen in op 200 schepen. Richting westen. We beleven één van die fameuze volksverhuizingen waar onze geschiedenis bol van staat. ‘Zy kwamen in de spaensche zee, omringden de kusten van Portugael en Spagnien, voords die van Gallien, Normandien en Picardien, en naederden by geval het eyland Albion, nu Engeland.’ Geen van alle namen bestaat op dat moment.
Bavo moet aangemeerd zijn op Albion, maar verkiest verder te varen. ‘Bavo met al zyn volk kwam in de zuyder-zee, alwaer den Rhyn en de Maes in de zee stroomen.’ Ergens middenin de plek waar pas veel later Vlaanderen, Brabant en Holland zullen komen piepen. Een bosrijk en verlaten gebied. Er is nogal wat groot volk mee met koning Bavo. Hertogen en prinsen met hun gevolg. Feitelijke stamhoofden die de scepter hebben gezwaaid over lokale volkeren en die er nu natuurlijk op azen om in deze nieuwe contreien hun statuut verder te zetten.
De massa immigranten worden ingedeeld bij hun respectieve stamhoofden en vinden hun plaats in 1200 tenten. ‘Zoo dat de menigte byna ontelbaer was’ vernemen we. Na de jacht op een verdwaalde wolf geraken enkele jagers verzeild op een berg waar ze een tempel aantreffen die toegewijd is aan de afgod Bel. Bavo twijfelt niet en laat meteen de tenten opbreken. Op die heuvel zullen ze zich vestigen. De verhuis duurt 3 dagen. Ze treffen er een hooggelegen en vruchtbaar land in de nabijheid van ‘vloeden, rivieren en poelen’.
De zo goed als verlaten streek valt onder de heerschappij van de stad Trier en het zijn priesters van datzelfde Trier die de marmeren tempel van Bel bedienen. ‘Bavo sloeg zyne tenten daer neder ter uytgestrektheyd van 4000 schreden in het ronde.’ Ik gebruik heel bewust de taal die Marcus van Vaernewyck gebruikt in de jaren 1500: ‘hy bleef dit gewest eenige jaeren bewoonen, geduerende de welke hy zestig hertogen en een diergelyk getal graeven maekte, die het volk zouden bestieren en in den wapenhandel doen offenen.
Hy stelde onder iederen hertog zestig kapiteynen, en dertig onder elken graeve. Iedereen kapiteyn had onder zyne bevelen honderd quinquagenariussen, en onder elken quinquagenarius stonden vyftig strydbaere mannen.’ Mijn rekenmachine maakt het wat eenvoudiger en meteen ongeloofwaardig. Ik laat het u, lezer, zelf narekenen.
Na enkel jaren krijgen ze het bezoek van afgezanten van Trier die een vergoeding eisen voor het gebruik van hun land. Een ‘jaerlykschen tribuyt’ van 1000 everzwijnen, 1000 herten en 1500 koeien met daer by voegende groot dreygementen hierby zweerende te dooden alle die de voornoemde schatting zouden weygeren.’ Koning Bavo is niet van gisteren en weigert af te dokken. Eigenlijk zouden die van Trier aan hem moeten betalen.
Simpel en gezond imperialisme van de zuiverste soort. Het gevolg laat zich raden. ‘Hier uyt rees tusschen beyde de partyen eenen zwaeren oorlog.’ Trier is geen partij voor onze aangespoelde Indo-Europeanen. Bavo verdierf geheel hun land en veroverde vervolgens de stad. Zy plonterden die en staken ‘er het vuer in, de poorten en mueren tot den grond afbrekende. Bavo voerde den afgod Bacchus, die aldaer aenbeden wierd, met zig, om hem ten behoorlyken tyde eenen tempel te doen bouwen, ter gedagtenis van zyne eerste overwinning.
Hy trok van daer voord tot aen den Rhyn, aldaer hy al het land van beyde de kanten onder zyne heerschappye bragt.’ De buit is navenant en voldoende om te investeren in een echte stad op de berg van Bel. Steenhouwers, metsers, timmerlieden en andere stielmannen beginnen aan de bouw ervan. Bomen worden gekapt, de ovens smelten metalen en bakken stenen en ’tichelen’ bij de vleet.
We leven in het gezegende jaar -1129 als koning Bavo dus beslist om een machtige stad te bouwen op de berg van Bel. Hoog gelegen en omringd door poelen en rivieren, op 30.000 schreden van de plaats waar de snelle Rijn in de zee vloeit. Hij noemt zijn stad ‘Belgis’ naar de Babylonische afgod Bel of Belus, de vader van koning Ninus en de overgrootvader van Abraham die volgens de overlevering de eerste man was die na zijn dood als afgod vereerd werd. Van deze stad die achteraf trouwens nog zal worden genoemd als Octonia, heeft het rijk van Belgis zijn naam ontvangen. Er komt natuurlijk een tempel ter ere van onze Bel met in annex een paleis van gehouwen steen.
De muren zijn 70 cubitussen hoog lees ik. Een kleine berekening brengt me op een muurhoogte van 33 meter. Indrukwekkend dus en dat zijn ook de 402 torens die allemaal 170 voeten hoog zijn. Meer dan 51 meter, impressionant dus. En ongeloofwaardig. De Wolfpoort is gebouwd bovenop de schuilplaats, een spelonk waar de bewuste wolf blijkbaar huizenierde. De muren van de torens rond de Wolfpoort hebben een dikte van 12 meter en het met dure stenen geplaveide binnenplein moet zowat 400 op 400 meter groot zijn.
Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek


