De Samenwerkende Bouwmaatschappij ‘De Mandel’, in 1920 gesticht, bouwde 337 werkmanswoningen op het Mandelkwartier (gezegd ‘Nieuw Kwartier’), herbouwde en herstelde de vernielde huizen op de Vredewijk en in andere straten, bond de strijd aan tegen de ‘krotwoningen’, en richtte een groep ouderlingenhuisjes op het zuidelijk uiteinde van de Mandellaan op.
Volgens de archaeologische bevindingen, zouden de oeroude bewoners van Roeselare, tijdens het Neolithicum, in paalwoningen hebben verbleven. In de middeleeuwen werden de woningen meestal rond de kerk, de halle en het gasthuis gegroepeerd (dorpsysteem), terwijl de hoeven, omringd van bos en landerijen, gewoonlijk in één blok geschaard, elk een eigen afgesloten gemeenschap (hofsysteem) vormden.
In de binnenstad waren de huisjes veelal opgetrokken uit leem, waarvoor de nodige grondstof uit de’ Leemputten’kon worden gehaald. Daarvoor sloeg men, telkens op een meter afstand, houten palen in de grond, op steen berustend, met latten en leemaarde tussenin, en een strodak bovenop; het waren huisjes van’ plak en stak’ zonder verdieping.
Enkel de voornaamste gebouwen, zoals het’ Steen’ van het Hof te Izegem, werden in de latere middeleeuwen in steen opgetrokken. Veelvuldig gebruik van steen werd eerst in de Renaissance doorgevoerd, terwijl het dak met leien of schaliën werd bedekt. Daartoe was bepaald dat’ hemlieden van weghen de stede [zal] betaelt worden de derde schalje van het voordack ter. straete’.
De bewoners hadden er overigens alle baat bij, omdat het strodak een gemakkelijke prooi van de vlammen kon worden. De herbergen vooral moesten met een’ hart dack’ worden bekleed, op de boete van 60 pond! Ook op de buitenstad, zoals bij het ‘Leitje’, werd deze nieuwe bedaking ingevoerd, en de ‘Blauwe Toren’-hoeve werd met blauwe schaliën belegd.
De Renaissance bracht ook soms het punt- of trapgeveltje mee: een venster aan elke zijde van de deur en een ander in het spits toelopend geveltje; de grotere huizen kregen soms drie vensters in de puntgevel, die dan veelal in trapgevel veranderde.
Tussen 1720 en 1800 verscheen het vierkante bloktype, meestal nog zonder verdieping, in de stad. Na 1800 werden de meest verschillende bouwtypes aangewend, en thans rijzen, in het villapark’ het Motje’ en op de periferie van de binnenstad, de grote, sierlijke, luchtige en gezonde woningen en villa’s op.
Aan het vroegste gebruik van bakstenen herinnert nog het ‘Stenen Geveltje’; het’ Strooien Huis’ was in 1846 nog met stro gedekt, en het ‘Pannenhuis’ nabij Oostnieuwkerke was vroeger alleen van alle huizen op de wijk met pannen bedekt. Nu wordt het nieuwgebouwde huis, zodra het ‘onder dak’ is, met de ‘meitak’ beplant.
Volgens het stadsplan van Sanderus waren in 1641 alleen de Markt, de Hazelt en de Nieuwmarkt volledig bewoond, terwijl ook de Ooststraat en de Zuidstraat grotendeels door woningen waren afgezet. In de Noordstraat ging de huizenrij niet verder dan het Uilstraatje; de Kromme Winkelstraat (nu de Verwerijstraat) was alleen gedeeltelijk en de Ieperstraat slechts sporadisch bewoond.
Van de meeste van deze woningen werden de namen of opschriften, bij middel van de stedelijke oorkonden, aan het nageslacht overgeleverd. Talrijke onlusten en oorlogen hebben later een groot deel van dit oude Roeselare verwoest, zo zelfs dat het in 1699, op het einde van de rampzalige 17de eeuw, nog enkel 312 huizen zou hebben geteld, en dat de stadsmagistraat in een verzoekschrift, in het midden der 17de eeuw tot Karel van Lorreinen gericht, zich gedwongen zag te schrijven dat de stad alsdan driemaal kleiner was geworden dan in 1517 ‘lorsqu’elle était trois fois plus grande en bätiments, commerce, artisans, riches bourgeois’.
Sindsdien is ze echter weer langzaam aan het groeien gegaan, en in de jongste jaren heeft ze zelfs een zeer grote uitbreiding genomen: in 1913 waren er 5388 huizen; in 1947 waren 8019 woningen door 9429 gezinnen bewoond.
Na de oorlog 1914-18 waren talrijke huizen vernield, beschadigd en onbewoonbaar geworden. Met behulp van de ‘Oorlogsschade’ werden de bewoonbare huizen hersteld, en daarbij werden een 300-tal barakken en noodwoningen opgetrokken.
Ten gerieve van de stadsbewoners werden door staat, provincie en stad premies toegekend om huizen te laten bouwen, en alleen al op het Bataviakwartier werden door de staat in 1919-20 tweehonderd huizen gebouwd. Maar ook de Roeselaarse bouwmaatschappijen bleven niet achter.
Van 1922 tot 1924 werden voor rekening van de ‘Roeselaarsche Naamlooze Maatschappij voor het bouwen van Werkmanswoningen’, die sedert 1892 bestond en later in ‘De Meiboom’ werd veranderd, 140 woonhuizen op de Meiboomwijk gebouwd; als kredietinstelling heeft zij, tot en met 1952, 1600 leningen toegestaan, en op 31 December 1952 had zij voor ruim 46.000.000 fr hypothecaire schuldenaars.
De Samenwerkende Bouwmaatschappij ‘De Mandel’, in 1920 gesticht, bouwde 337 werkmanswoningen op het Mandelkwartier (gezegd ‘Nieuw Kwartier’), herbouwde en herstelde de vernielde huizen op de Vredewijk en in andere straten, bond de strijd aan tegen de ‘krotwoningen’, en richtte een groep ouderlingenhuisjes op het zuidelijk uiteinde van de Mandellaan op.
In 1928 trok zij, door toedoen van de Commissie van Openbare Onderstand, in de Kermisstraat een rij’ Godshuisjes’ op, waar oude echtelingen, tegen een geringe vergoeding, tot aan het overlijden van één van hen kunnen samenwonen, waarna de overblijvende in het Godshuis-Hospitaal zijn intrek gaat nemen.
In 1930 werden op de hoek van de Meulebekestraat en Mandeldreef zeven mooie werkmanshuizen gebouwd en aan de zeven der meest verdienstelijke grote gezinnen bij verloting toegekend; te zelfdertijd werd aldaar de gedenksteen ‘Rousselare’s Hulde aan het Groot Gezin’ ingehuldigd.
In 1937 werden door haar 39 ouderlingenhuisjes langs de Kattenstraat opgericht, en sindsdien steeds verder, over de Menenheerweg, de H. Hartstraat, het St. Elooisplein, het Prinsenkwartier, ‘ Siberië’, het Meiboomkwartier en de Westkouter, haar werkzaamheden uitbreidend, kon zij zich, einde maart 1954 in een bilan van 1780 door haar gebouwde huizen – zowel binnen als buiten Roeselare – verheugen.
De tweede bouwmaatschappij ‘Het Roeselaars Werkmanshuis’, in 1926 gesticht, helpt diegenen die, volgens eigen plan, een huis willen bouwen, verleent premis aan diegenen der grote gezinnen die, door haar tussenkomst, een woning laten oprichten, en beheert het verzekeringsfonds tegen werkloosheid en ziekte.
Tot 1951 heeft ze 220 woningen gebouwd, waaronder een groep van 20 ouderlingenhuisjes, die in 1934 aan de Ronde Kom werden opgericht!.
Door de bouwmaatschappij ‘Eigen Erf’, op initiatief van de stad en verschillende aanpalende gemeenten in 1936 gesticht, wordt de kleine landeigendom met alle beschikbare middelen bevorderd.
De oude Roeselaarse huizen uit de 19de eeuw hadden een aarden, planken of roodstenen vloer, die met wit ‘zeezand’was bestrooid, dat in sierlijke figuren was bijgeveegd. Er was een open haardvuur, waar de ketel te koken hing en een hesp aan het drogen was; op de schoorsteenmantel stonden kleurige telloren en een kruisbeeld.
Tegen een van de wanden stond een bruingeschilderde ‘commode’, bedekt met kantjes van wit papier en verschillende plaasteren heiligenbeelden, een ‘kêsepannegi’ en koperen kandelaars, potten en pannen.
Op de spinde of ‘schapra’ stonden tinnen koffiepotten, suiker-, melk- en peperbussen. Daarnaast telde de lange, rechtopstaande ‘horlogekasse’ de trage gang der uren met haar koperen slinger en gewichten. En aan de muren was nog altijd plaats genoeg voor een paar gewijde prenten en familieportretten.
Enkele ‘biezestoelen’ vergezelden de ronde houten pikkeltafel, en bij het venster blankte het ‘spellewerkkraam’ of ronkte het naarstige spinnewiel. En toen de avond viel, walmde het armtierig’ olielantji’ door het somber vertrek; het voetbankje met gloeiende ‘vierpot’ werd onder de voeten geschoven, en het’ alkoofbedde’ opende zijn wanden voor de moegewerkte man.
Stilaan echter werd de ‘lante’ door de ‘petrollampe’ of ‘kinkee’ vervangen, en de haard door de ‘buzestove’ met haar ruisende ‘moor’ en blakerende bakoven, haar ‘stoofhulle’ met rijzende ‘oren’, haar’ koolbak’ of’ houlliebak’ met zwarte ‘schippe’, haar blinkende ‘roen’ met ‘poke’ of ‘kotterare’ en ’tange’ en’ ringels’.’ s Zomers werd het eten op een ‘petrolvier’ bereid.
Op schappen of étagères werden de dagelijkse gebruiksvoorwerpen uitgestald, op de ‘vaute’ stond de bedhemel, en in de donkere kelder lagen de ‘patatten’ opgestapeld. In het belendend achterhuisje lagen de kolen, waar vader kolen klopte en met een kapmes of ‘hammes’ (handmes} het hout op de ‘kapblok’ zat te klieven.
De moderne tijden hebben gerieflijke huizen met meerdere verdiepingen meegebracht, heldere keuken, luchtige salon, ruime slaapkamers, divans en sofa’s, tapijten en stofzuigers, gas en electriciteit, vulhaard en mazoutkachel, radio en ijskast, en aan menig straatvenster werd een dubbel ‘spionspiegeltje’ aangebracht.
Op de Nieuwmarkt echter, waar nog een paar lage witte huisjes met zwart dak tussen de rode of gele bakstenen woningen met boogvensters staan, is men nog hier en daar aan de ‘stalkeuken’ trouw gebleven, daterend uit de goede, oude tijd, toen men met paard en kar op stap ging. Veel wordt er evenwel niet in ‘gehuzenierd’ , omdat de huiselijke bezigheden er het liefst in de open lucht worden verricht.
’s Zaterdags, en soms ook reeds vrijdag, worden de huizen door de huisvrouwen of door de ‘kuuschessen’ ‘gekuust’ . Borstels en bezems, ‘vuulblekken’, dweilen, ‘zeemvellen’ en ‘stofslunsen’ worden bovengehaald, de ‘kobbejagers’ bestrijken alle muren, en het water stroomt de deurgaten uit.
En tegen Pasen wordt het huis ondersteboven gekeerd! In het Nieuwmarkts huis is het altijd Pasen. Spiegelnet zijn er de kamers het hele jaar door, en de gangmuren zijn met marmer bekleed; in het salon zijn de zetels met ‘batist’ overtrokken en de ‘luster’ met ‘gaze’ bedekt. Om de woning te betreden worden ‘kloefen’ en schoenen uitgedaan, en om de huisdeur tegen zon en regen en elke beschadiging te beschermen, wordt er, tijdens de afwezigheid van de huisgenoten, een houten beschot vóór gehangen. Maar niet van zodra de eigenaars weer thuis, of de pronkstille woning ondergaat een grondige reinigingskuur!
–
Uit ‘Het Roeselaarse Volksleven’ van Désiré Denys (1955)


