In december 1278 volgt de 52-jarige Gwijde van Dampierre zijn moeder definitief op als 21ste graaf van Vlaanderen. Hij wordt geïnstalleerd als nieuwe graaf door de Franse koning Filips III de Stoute. Margaretha sterft de 10e februari 1280 op 78-jarige leeftijd.
Vrij vlug daarna worden de ambitieuze Gwijde en Robrecht geconfronteerd met de macht van de steden van Gent, Brugge en Ieper. De grafelijke macht en gezag zijn in 1278 tot een dieptepunt gezakt en financieel zitten de graven aan de grond. En dat terwijl de steden dankzij de lakenindustrie rijk en machtig zijn geworden. Die macht hebben ze precies te danken aan de voorrechten die ze konden aftroggelen van de voorgaande graven die wanhopig op zoek waren naar financiële middelen om hun hofhouding in stand te kunnen houden. De rijke burgerij (de patriciërs) en de uiterst kapitaalkrachtige lakenhandelaars van Ieper, Gent en Brugge hebben zo hun kans genomen om een “macht in de macht” te worden en kunnen nu ongestoord de “lakens” uitdelen in de steden.
En natuurlijk mag gezegd dat de graven van Vlaanderen zich verheven voelen boven de gewone bevolking en zich eigenlijk niets aantrekken van hun levenssituatie. Er bestaat niet de minste affectie van de vreemde (van de Champagne afkomstige) heren met de lokale Vlaamse bevolking. Het enige wat de heren van stand telt is dat de bevolking zorgt voor geld in hun bakje.
De macht van de superrijke burgerij zorgt voor een belastingsstelsel dat zeer nadelig is voor de gewone man. Iedereen, arm en rijk betaalt een zelfde belasting aangevuld met een taks op eetwaren en drank die dan vooral het gewone volk treft. Het opgeld. Het ongenoegen van de bevolking in de steden groeit gestaag. Het volk wil inzicht in de rekeningen en eist transparantie van zijn stadsbestuur dat er eigenlijk voor spek en bonen bijzit.
Nog voor de machtsoverdracht van 1278 krijgen Margaretha, Gwijde en Robrecht te maken met het volksrumoer in Gent. Ze vervangen het volledig stadsbestuur door een nieuw college van 13 schepenen, 13 raadsleden en 4 ontvangers. Alle 30 komen uit de rangen van de rijke burgerij. De patriciërs blijven volledig buiten schot en de arbeiders blijven met lege handen achter.
De onrusten van Gent en Brugge steken ook in Ieper de kop op. De Bruggelingen hadden in 1279 een klacht ingediend bij de Franse koning omdat hun stadsbestuur weigerde inzicht te geven in hun financiën. Wat deed het bestuur met het geld van de mensen?
De Franse koning verwijst hen naar de graaf die de klacht moet onderzoeken. Hij maant de Brugse schepenen aan om hun rekeningen voor te leggen aan de vertegenwoordigers van de ambachten. En dat ligt moeilijk bij de magistraten want ze kunnen moeilijk toegeven dat ze eigenlijk diep in de schulden zitten. Ze leggen het probleem van de lege stadskas voor aan Gwijde die hen het recht toestaat om nieuwe belastingen te heffen.
Wanneer de ambachten het nieuws over de nieuwe belastingen vernemen, barst de hel los in Brugge. Zware en bloedige rellen breken uit en zullen weken aan een stuk voortduren. De graaf zou eigenlijk moeten tussenkomen maar die voert oorlog aan de zijde van de Franse koning. Hij stuurt Robrecht naar Brugge die orde op zaken moet stellen. De impulsieve Robrecht neemt keiharde en ondoordachte maatregelen zowel tegen de schepenen als tegen de vertegenwoordigers van de ambachten. Velen worden gevangen genomen. Enkelen worden opgehangen. Maar opnieuw wordt de elitaire klasse van de patriciërs ongemoeid gelaten. Olie op het vuur van de boze syndicaten.
Op 15 augustus 1280 wordt het houten belfort in brand gestoken. Stadsrekeningen en waardevolle documenten worden door het vuur vernietigd. Ook de keuren met de voorrechten die de Bruggelingen ooit verkregen van graaf Filips van den Elzas worden door het vuur verteerd. En dat betekent niet meer of niet min een regelrechte ramp voor het middeleeuwse Brugge! De stadsbewoners richten zich in paniek tot Gwijde van Dampierre om van hem nieuwe stadsprivileges te krijgen.
Gwijde lijkt echter niet geïnteresseerd om in te gaan op de vraag van de gefrustreerde Bruggelingen. In de plaats daarvan vertrekt hij voor vijf maanden naar het zuiden van Frankrijk om de Franse koning bij te staan bij zijn onderhandelingen met de koning van Castilië.
Het is niet meteen duidelijk wie precies brand gesticht heeft maar als de ambachten vernemen dat er geen sprake is van nieuwe privileges en dat er van de stadsrekeningen die ze nu al jaren willen inkijken, niets meer over blijft breekt er een nieuw oproer (een “wapeninghe”) los die later zal bekend blijven als de “Grote Moerlemaeye”.
Het gemeentehuis wordt gewapenderhand ingenomen en de stadsklerken worden verjaagd. Eén van de officieren van de graaf, Diederik Vranckesoone, wordt omgebracht. Robrecht van Bethune komt op 5 oktober 1280 poolshoogte nemen van de situatie in Brugge. De storm is al wat geluwd. Hij nodigt de ambachten uit voor een gesprek. Het machtsmisbruik en de corruptie van de schepenen worden aangekaart. Het volk maakt aanspraak op de helft van de schepenzetels en vraagt een bestraffing van de frauderende bestuurslieden met daarenboven correcte en eerlijke belastingen voor iedereen.
De jonge Robrecht vraagt de ambachtslieden te wachten op de terugkeer van zijn vader en zich ondertussen kalm te houden. Het Brugse volk is woedend om het getalm van Robrecht van Bethune die het wijselijker vindt om meteen de stad te verlaten. Hij laat de opstandelingen weten dat ze zich op 10 oktober moeten komen verontschuldigingen in zijn kasteel te Waasten. De Bruggelingen negeren het schrijven van Robrecht en behouden hun machtsgreep op hun stad.
Ook in Ieper is het niet bepaald rustig. Er wordt zwaar gemord over de taks op drank en voeding, maar daar bovenop worden nieuwe belastingen geheven om de stadsschuld weer in evenwicht te krijgen. De scheerders, wevers en volders van Ieper pikken de nieuwe belastingen niet. Gwijde staat er klaar om te vertrekken naar Frankrijk en probeert de ambachtslieden te paaien met enkele nieuwe voorrechten met als tegenprestatie een financiële vergoeding voor zijn reiskosten. Enkele dagen later keurt hij op vraag van het stadsbestuur maatregelen goed die de pas toegekende voorrechten zo goed als teniet doen. Het is een serieuze slag in het gezicht van de bevolking.
Er breekt een opstand uit. Zo goed als iedereen doet er aan mee, ook rijke families die geen zeggenschap hebben in de stadspolitiek. De opstandelingen slagen erin zelfs de meest verpauperde lagen van de leperse bevolking voor zich te winnen en zelfs versterking te laten aanrukken vanuit Poperinge.
De opstand – de kokerulle – groeit uit tot een totale chaos. Aan de noordelijke buitenmuur van de stad ligt de arbeiderswijk Brielen (Briel)waar vooral arme lakenarbeiders wonen. Duizend arme Brielenaars sluiten zich aan bij een groep woedende Poperingenaars. Samen trekken ze via de Boterpoort de stad binnen. Met duizenden tegelijk scanderen ze “kokerulle, kokerulle”. De term kokerulle wordt in die tijd vooral gebruikt als een gemaskerde stoet (een volksfeest) op Vastenavond (kakerol = masker) zoals de term hier bijvoorbeeld voorkomt in het middeleeuws lied van de zot van Ieper:
“Naer my doe zodt loopen achter straete,
Cockarulle ende den meesten zot trekken en laete”.
De schepenen worden opgezocht. Wie niet tijdig kan vluchten wordt vermoord. Hun huizen worden geplunderd en in brand gestoken. Na enkele dagen komt Robrecht van Bethune tussen en hij herstelt orde en gezag. Met een groep Duitse lansknechten die hij in dienst heeft, trekt hij naar leper en maakt hij komaf met de opstand van de Ieperlingen. Het is nu wachten op het oordeel van de graaf van zodra hij terug is uit Frankrijk.
Begin maart 1281 is graaf Gwijde eindelijk terug. Hij maakt een tussenstop in Douai waar enkele maanden geleden ook al een rebellie was uitgebroken. De graaf grijpt in: twintig oproerkraaiers worden levenslang uit de stad verbannen, drie anderen worden onthoofd. Op 23 maart komt Gwijde eindelijk aan in Ieper.
Hij installeert een grafelijke rechtbank die moet onderzoeken welke de oorzaken waren van de opstand en het daarmee gepaard gaande geweld en wie er heeft aan deelgenomen. Het is al snel duidelijk dat zowat iedereen boter op het hoofd heeft.
Voor de plunderingen en de moorden worden vijf Poperingenaars aangehouden en ergens in Frankrijk gevangen gezet. De lakenondernemers en de schepenen worden elk beboet met 500 pond. De lakenarbeiders krijgen een eeuwige boete van een halve penning per werkdag op de hals. De schepenen worden vrijgesteld van boete in ruil voor een geldelijke persoonlijke gifte aan de graaf en ze worden verplicht de stadsrekeningen twee keer per jaar aan de graaf voor te leggen.
Daarnaast moeten de arbeidslieden 25% van hun bezittingen afstaan aan de graaf. Gwijde zit, zoals steeds, om geld verlegen en profiteert van de situatie om een lening van 5000 ponden af te troggelen bij de schepenen en hun familieleden. Het is niet geweten of de beloofde terugbetaling met Allerheiligen van dat zelfde jaar er ooit gekomen is. Maar al met al slaagt hij er in de rust te herstellen. Elk jaar opnieuw zal de graaf zich melden bij de steden met de vraag om hem een nieuwe lening te verstrekken. En de teruggave van de kapitalen is op zijn minst dubieus en zeer twijfelachtig te noemen.
Dit is een fragment uit Boek 2 van De Kronieken van de Westhoek


