Van zuiderse aardappelen (uit lichte zandstreek, zuidelijk gelegen) zegt men minachtend: “t is een flauwe patat – ’t zijn telzakken – ’t zijn snotzakken – ’t zijn waterzakken – ’t water staat in hun ogen – ze schremen – ge moet er geen saus bij hebben – ’t zijn zwijnspatatten’.
Aardappelen en groente in de Westhoek
+ Noorderse aardappelen (uit de zware poldergrond) worden geprezen: “t is een kloeke patat – dorren van eiers – één bloempot’.
+ Van zuiderse aardappelen (uit lichte zandstreek, zuidelijk gelegen) zegt men minachtend: “t is een flauwe patat – ’t zijn telzakken – ’t zijn snotzakken – ’t zijn waterzakken – ’t water staat in hun ogen – ze schremen – ge moet er geen saus bij hebben – ’t zijn zwijnspatatten’.
+ Gekookte aardappelen met de pel zijn: ‘kazakken’. Nog algemeen gekend is het rijm:
+ Aardappels met de peel en een haring van een eens dat is kost voor een arme mens’.
+ Voor dat ze ’s noens aan tafel gingen om aardappels uit één pateel te eten zegden ze te Klemskerke: ‘Kom we gaan de bollezaringen delen’.
+ De overschot van ’s noens werd ’s avonds en ook ’s nuchtends geëten: “s Noens patatten gekokt, ’s avonds patatten gedopt ’s nachten patatten gespokt’.
+ Wie stijf is in gang en beweging is ‘een stijve patat’.
+ Let op uw gang want wie met platvoeten gaat of al stampend is ‘een patattestamper’ of een ‘eerpelterter’.
+ Iemand met een spraakgebrek heeft ‘gelijk een patat in zijn kele’. Kinderen onder elkaar: ‘Kunt ge Engels spreken?’ Antwoord: ‘ja ‘k met een hete patat in mijn mond’ (onverstaanbaar).
+ Zit uw hiel door de kous: ‘Ge hebt een patat in uw kous’.
+ Een verzuchting van iemand die in nesten zit: “k zit lelijk in de patatten!’.
+ Als moeder met slagen verdreegt: “k Ga je alzo een patat achter jen oren geven’.
+ Of metterdaad: ‘Daar zie! patat’.
+ Gewoonlijk werden de gekookte aardappels en ’t groensel onder elkaar gestampt: ‘stampers’; zijn er kolen en rapen bij gekookt dan is het: ‘hutsepot’.
+ Met de betekenis: wat voor bucht van volk is me dat?: ‘Wat voor een hutsepot van volk is dat?’ Of om te zeggen: het is een smerige boel: “t Is een hele hutsepot’.
+ Stoute kinderen berispend: ‘Wadde zo’n kleine hutsepot!’
+ Bij rapen hoort het bekende rijm: Rapen doen ’t holletje gapen, Ieder bete een schete.
+ Van kinderen die zere groeien zegt moeder: ‘Ze groeien gelijk een kool’.
+ En om een einde te maken aan nutteloze woorden: ‘Kom, ’t sop is de kool niet weerd’.
+ Die iets wijs gemaakt heeft lacht: “k Heb hem daar een kool gestoofd!’.
+ Heeft iemand een flets wezen: ‘Hij heeft ’t kleur van erweetsop’.
+ Van een onverzorgde vuile vent zegt men spottend: ‘Ge zoudt erweten in zijn oren planten’.
+ Kent de ambachtsman maar half zijn stiel: “t Is mij alzo de (timmerman) van een helletje erweten’ (kleinste maat).
+ Gaat de zaak niet vooruit dan klaagt men: ”t Gaat zo zere als bonen knopen’.
+ Een waarschuwing dat g’er niet moet op rekenen: ‘Gij moet er uw boontjes niet op te weke leggen’.
+ Het kind aardt naar zijn ouders want: ‘De bone groeit achter de perse’.
+ Een rank opgeschoten meisje of jongen is ‘gelijk een boneperse’.
+ Van de pastoor die wel benoemd maar nog niet ingehuldigd werd zeggen de parochianen: ‘Onze pastor loopt in de bonen’.
+ Wie met de herteklop zit zegt benauwd: ‘Mijn hertje is maar zo groot meer als een bone’.
+ En om te eindigen dit schooiersdankwoord: God zal ’t je lonen, is ’t niet in d’erreweten ’t is in de bonen.
–
M. Cafmeyer in Biekorf nr 57 van 1956


