In het Westland blijft de Boerenkrijg grotendeels achterwege. De streek heeft tijdens de Franse overrompeling te veel geleden. Het ontbreekt onze landlieden heus niet aan moed. Het feit dat ze hun wapens kwijt zijn en streng bewaakt worden zorgt er toch voor dat ze amper deelnemen aan de opstand. Veel jongelingen zijn nochtans op de vlucht voor de krijgsdienst en zitten ergens verborgen in hun schuilplaatsen te midden van de bossen. Daar zijn hun ouders dan weer de dupe van. De Fransen vervolgen hen met zware boetes en gevangenisstraffen om de lotelingen tot de krijg te verplichten.
Het volk leeft in uiterste verlegenheid. Men kan zijn loting afkopen voor 100 kronen, een enorme som geld en wie zich als vrijwilliger meldt krijgt daarbij nog eens maandelijks 3 kronen in afwachting van zijn definitieve mobilisatie. De tweede loting in 1799 loopt in Haringe niet zo goed af. De jongelingen van de omliggende gemeenten zijn opgeroepen om in de pastorie (dan in herberg veranderd) te moeten loten en ze komen er met zijn allen op af voorzien van dikke eiken knuppels.
Voor de deur maken ze zogezegd ruzie onder elkaar terwijl ze roepend en schreeuwend de zaal binnenkomen. Ze letten daarbij niet eens op de Franse legeroversten en de beambten van hun gemeenten die achter hun lange tafel zitten, en evenmin op de gendarmen die er staan om orde in de keet te houden. De jonge gasten slaan er nu direct als wildemannen op los. Ze zwaaien met hun knuppels zodanig in het rond dat de legeroversten, de meiers en de gendarmen noodgedwongen via de ramen aan de achterzijde van de pastorie moeten wegsputteren.
Jan Baes van Westvleteren, de zoon van Pier die we al eerder leerden kennen manifesteert zich als leider van de drieste bende. De meier van Krombeke, een zekere P.J. Butaye verklaart later dat hij niet kon vermoeden dat hier zulke mensen aan het groeien waren. De Fransen zijn blijkbaar bevreesd voor een algemene opstand en zien het gebeuren door de vingers. Een deel uitgelote Westhoekers trekt op met de sansculotten terwijl een deel dienstweigert en als ‘refractairen’ in de bossen zal leven tot in het jaar 1804.
Dan geeft keizer Napoleon iedereen een algemeen pardon. Op 25 november 1798 krijgen de jonge mannen van Pervijze, die van eerste klasse en dus allen 21-jarigen het bericht dat ze zich moeten klaarmaken om in Franse dienst te treden om de volgende dag met 20 sansculotten naar Brugge te vertrekken. Van Brugge vertrekken de Westhoekse lotelingen naar Amiens, recht naar de slachtbank. Onderweg worden onze landgenoten ‘afgericht’ en ze maken er kennis met rekruten van uit alle windrichtingen. Grote groepen die hun indeling krijgen in compagnies, bataljons en regimenten.
Bij hun aankomst vliegen de mannen een plaats bij bestaande regimenten en belanden ze tussen oude krijgslieden die hen discipline instampen en hen leren omgaan met wapens. Met die verplichte mobilisatie kunnen de Franse legers voortdurend hun gesneuvelde soldaten aanvullen. Het ‘naar de slachtbank verhuizen’ is zeker geen overdreven bewering. Van de duizenden jongelingen die vertrekken zitten er veel bij die nooit nog zullen terugkeren en velen die dan wel hun thuis zullen terugzien arriveren er zwaargewond om op termijn een ongelukkige dood te sterven.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


