banner
Jul 20, 2019
1364 Views

’t Geld moet nooit gewijd zijn

Written by

Ze woonden langs de vaart. Al heel lang, van geslacht tot geslacht, te Beernem op ‘de Gevaarts’, langs de Gentse vaart tussen Moerbrugge en Bloemendale.

banner

Ze woonden langs de vaart. Al heel lang, van geslacht tot geslacht, te Beernem op ‘de Gevaarts’, langs de Gentse vaart tussen Moerbrugge en Bloemendale. Ze leefden daar gerust in de Here, al die kroostrijke gezinnen, als zoveel leden van één grote familie : de Storems, de Roetsens, de Smets, de Van Dalens, de Pantens en zoveel andere.

Doodeenvoudig als ze waren, hadden ze het hart op de lippen en ze zegden het u ronduit, zonder de minste erg. Dat ondervond seffens de nieuw aangestelde pastoor, bij zijn eerste bezoek aan Lijten Carels: ‘En ze moesten wel zeggen, mijnhere Pastere, da’ je gij zo’n lelijkaard zijt!’, zei Lijten bij wijze van complement, ‘ba! dat en schilt algelijk zo vele nie”.

Bij Martje Smet, de boer op de ketsweg, – hij was met vervrozen oren uit de Russische veldtocht teruggekeerd – ging het niet beter. Heel meewarig zei mr. Pastoor nog : ‘Mijn vriend dat moeten hier dulle winters zijn langs de vaart’. Maar Martje bezag alzo lachend van zijds de nieuwe herder : ‘He wel ja’t, lijk dat je ziet mijnhere pastere, mijn oren zijn de zomen afgevroren; maar ’t dunk me dat d’joene groot genoeg zijn om hoof(d)vlakke van te maken.’

In verleden tijden had er hier een brug over de vaart of Zuidleie gelegen: ‘de Ghevaerts brugghe langs de Zuudleie’, maar nu moesten de bewoners – evenals die van Bloemendale, vóór het aanleggen van de Louisabrug – zich verhelpen met de overzet.

De oude nonkel Teifiel op de Gevaarts geboren vertelt ons over ’t gebuurte en zijn verwanten: ‘Bierzel Roetsens, uit de Halve Mane, hoekhuis op de weg naar Drie Koningen, was de overzetter; aan de overkant lag de erve, de aard en de kaaie van zijn broer Zeentje, de steenbakker – hoekhuis op de weg naar Beverhoutsveld.

Wie overgezet moest worden riep luid en langgerekt, met de hand langs de mond : ‘0-o-o-v-e-r-r-r!’ ofwel je moest verwittigen met de toeter of tuithoorn. Er werd overgezet met een schuit en een roei, en die geen pint dronk betaalde een cens. Het gerij werd op een vlot getrokken; en dat was een hele toer, als de baron van Drie Koningen naar het landgoed, ’t Wapenaertsgoed, te Oedelem kwam gereden.

Seffens kwam Pier, de smid, met zijn knecht aangelopen om een handje toe te steken; het koppel vurige, dansende trein(g)peerden werd uitgespannen en de smid hield ze kloek bij de toom op het vlot; daarna werd het flieget overgezet. Voor een gewoon boerengetrek was dat juist hetzelfde spel, maar met zonder complementen. Om de moeite te sparen had de smid zelfs aan de overkant, tegen Zeentje’ s hof een travailje opgesteld om de peerden van de Noordkant te beslaan.

’s Winters, bij vorstweer, moest Bierzel de overzet zolang openhouden als het doenlijk was; en ge zoudt dat nog eens ontzien, tweemaal daags de gang loskappen, met de oosterwind vlak in de bek.

Kotje Kloet, de vaartwachter, hield toezicht over de vaartdijk : tingels en distels weren, leegtjes vullen en water aflaten. Als er een spade voor. de herberg geplant stond dan zeiden ze op de Gevaarts: ‘De vaartwachter is op toer!’ De kortwoners schakelden hun geit of schaap achter de lage dijk mits een kleine vergoeding aan de vaartwachter; want Tiesten vanden Bon(g) had eigenlijk de vaartwijk in pacht als schaapdrift.

Naast de smidse stond er een school van twee klassen en Piers broer, Jan van Kavemeiers, was er onderwijzer geweest tot het jaar 1833. Van een uur in ’t ronde kwamen de kinderen hier naar school: van Steenbrugge, Moerbrugge en Erkegem; van de Kasteelhoek en rond ’t Veld. Die te ver woonden bleven ’s winters bij vrienden op de Gevaarts slapen; de andere kinderen, daar ze zelf voor vuurmaking zorgen moesten, sjouwden elk een dikke knuppel onder de arm, al dat ze dragen of slepen kosten. St.-Gregorius, patroon van de school werd met grote feestelijkheid gevierd en de kinderen werden getrakteerd met eiers en mastellen.

Op de Gevaerts vierden we eigenlijk drie kermissen. ’s Zondags na St.-Pieters gingen we naar Drie Koningen; er stond een tente, ze liepen rond met bolzakken, (kaartjes trekken voor droge vis of nootjes) en er waren volksspelen en ringsteking. De 4e zondag van september was het grote kermis te Beernem – de kleine kermis viel in de winter, met St.-Amand – de maandag was er een dienst voor de overledene parochianen en de overlevende van de Gevaarts kwamen smoordronke naar huis.

Bertje Fruijt die voor de eerste keer meemocht omdat hij nu zeven jaar oud was, hield de warme offerande eens kloek in zijn handje; bij ’t binnenkomen, als iedereen de hand in ’t wijwatervat stak, meende Bertje dat daar de offerpateel was en hij wierp zijn cens in ’t wijwatervat: ‘Domme jongen!’ grommelde zijn vader, ”t geld moet nooit gewijd zijn, dat is overal welkom!’

Die geen stoelgeld wilde betalen ging langs de kanten op de gapersbank zitten. Na de dienst trokken ze herberg in, herberg uit, zonder een te passeren van aan ’t Schaak tot aan de Beer. Bij Bloemendale brug bleven ze haperen, zingen en vechten… maar langs de vaart wierd die ruzie weer bijgelegd.

Op Gevaarts kermis, de 4de zondag van oktober, waren we dul en half; iedereen was rijk die dagen; heel ’t gehucht was te been. De plaatsenaars kwamen gewandeld langs de Kasteelhoek, zetten over en keerden langs de zuidkant terug, de overzetboot kon het met slikken die zondag en maandag, zij was geladen tot zinkens toe.

Uit ‘Van gehucht tot dorp’ van Magda Cafmeier uit 1971

Article Categories:
vergeelde krantenknipsels
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *