De Fransen keren terug naar Leisele en Beveren-aan-den-IJzer Ze plunderen er de kerken en roven […]
In het begin van de jaren 1400 klagen de opgesloten gevangenen steen en been over […]
Gij meent, beste lezers, dat ik van vreemde landen ga spreken, van den Congo of […]
Oj drinkt om te vergeten moe ‘j vantevoren betoalen.
Oj joen fouten wil toegeven h ‘èj ol een minder
d’ Er bluuft nieten bestoan, uitgenomen veranderinge
Glazeken een is geen
Glazeken twee is meer als een
Glazeken drie makt my bly
Glazeken vier is goe bier
In menig huisgezin
Waar veel gewonnen wordt,
Komt men op ’t eind van ’t jaar
Soms nogal veel te kort.
Ieper. Maurice was op jacht zo gelukkig geweest twee schone moortelvette patrijzen te schieten, en daar hij wist zijn beste vriend ermee plezier te doen, besloot hij hem ’s anderendaags een aangename verrassing te bezorgen.
Het valt mij in hoe ik op een zondagnamiddag toen ik nog een kleine jongen was, met grootmoeder ging wandelen. Het was in het hart van de zomer. En dat we, dorstig geworden van stof en hitte, binnen trokken in een landse herberg van de oude stempel.
De herberg is de grote school van het zedenbederf. Het is daar dat de jongeling, die nauwelijks de schoolbanken verlaten heeft, het eerst en het meeste slechte klap hoort, het is daar dat hij de lichte vrouwspersonen tegenkomt die hem zijn eerlijke schaamte doen verliezen.
Ik heb daar eens over geprakkezeerd en mij dunkt het dat een mens voor niets meer redenen vindt dan om te drinken. Waarvoor drinkt men zoal?
Hê fikkelt. – Hy bederft; hy snydt kwalyk.
Hê foefelt. – Hy doet verkeerdelyk.
Hê gonk deure. – Hy ging weg;
Hê gynk up de leere. – Hy klom op de ladder. –
Twee drinkebroers die blijkbaar een lading te veel ophadden, zaten samen in ‘De Volle Zon’. Ze zagen er bepaald triestig uit.
Voor een zieke of iemand die enige rauwigheid in de keel heeft, of slijm of brand.
Het was in de andere oorlog, een nicht van mij die betoverd geweest is, nè. En zij hielden café en ’t was een hofstede. En er gingen daar regelmatig bezoekers alzo, nè, om pinten te drinken en al. En er was daar een wijf dat alle dagen ging achter melk. En op een zekere dag, zij had chocolade gegeven aan haar, om op te eten.
Wie denkt hier niet aan al ons overvloedig schinken en drinken. België is ’t land van belofte voor de heilige drankhandel.
Op het koerken, in de zunne,
zaten, zeven in getal,
oude vrouwkens, rond èn tafel
t’hoope voor ne… koffiebal.
De drankzucht ligt aan de basis van menig Veurns gezegde, maar wie niet eenmaal in zijn leven dronken is geweest, werpe de eerste steen.
Nu volgen eenige regels, hoe men zig aen de taefel behoort te draegen.
Vroeger bestonden honderden middeltjes om deze slappe ontlasting tegen te werken. Voor deze gelegenheid ging ik eens snuffelen (nou ja!) in enkele oude remedies.
Gy donkel – gy liefhebber Bê ja! Wel ja!
Bejipt – kwaad lastig
Beyte è bitje – wacht een ogenblik
Bré-ege – breister
Nu mezen en robaers hen honger, koud en durst
Ze kommen ieder dag en pekken e bitje vet
Ze kwaamen were al zingen oek dikkers al wemelen
Een droppel wyg waeter maer oek een paere pintjes
De familie was daer en zelve “de kouzyntjes”
Die in ’t middel van ’n nacht hadde goeste van spelen!
Te Brugge woonde een paruikmaker, die met veel gasten werkte. Op een achternoen kwam een heer in de winkel en vroeg de meester of hij hem voor ’s anderendaags ’s morgens een paruik kon maken.
‘k En zal noch dag noch jaar noemen, maar hetgeen ik hier vertel, heb ik bij het Vlaamse volk gehoord. Zekere Tisten hield herberg in ‘De Kromme Krinkel’ maar, ik weet niet aan wie of waaraan het loog, de verkoop wat bitter klein. Menigmaal had Ciska de bazin daarover haar beklag gemaakt aan de weinig klanten, die nog van tijd tot tijd in ‘De Kromme Krinkel’ hun dorst kwamen lessen: maar het was allemaal boter aan de galg, niets een baatte.
Petrus Behaeghel, koopman in oude ijzer, 45 jaar oud, geboortig van Langemark en thans wonende te Zonnebeke in de Spilstraat, was sedert 7 maanden verlaten van zijn vrouw die zich was komen vestigen in Neerwaasten.
Op de Coin Perdu was er een klein hofstedetje en wij zijn daar op gegaan, in plaats van die heks, Fidelia Lambrey, die daar voordien woonde. Mijn vader heeft dat overgenomen van die heks. Ik was toen twaalf Jaar oud. Zo in 1903. We woonden vroeger op de Zwarte Molen.
Bulte Wollekens had een ijselijk grote bulte op zijn rugge. Het was ‘ne fijne vioolspeelder, en hij ging alle avonden gaan spelen naar den buiten in d’herbergen, waar dat er iets te doen was, en hij keerde altijd met de dikke beurze weêre naar huis.
– Beter één biertje aan de bar, dan tien in de krat
– Goede wijn….is nog geen bier!
– Drinkt nooit zonder dorst, kust nooit zonder lust
De bolling der kermisweek heeft nog al tal liefhebbers naar stad aangelokt en voorzeker een schoon profijt bijgebracht oor al de herbergiers der Duinkerkstraat. Om 3 ure waren er omtrent 1200 ingeschrevenen. De bolling opgeluisterd door eenige leden van het stadsmuziek, heeft veel bijval genoten. Van tijd tot tijd kwam wel eene duchtige regenvlaag de bolders verfrisschen, maar deze zagen er nooit voor om.