Na de lange winter verzuchten de mensen naar de eerste deugddoende lentedagen. Ze zijn er nog schaars en daarom worden ze zo zorgvuldig opgeteld.
Weerspreuken over heel het jaar
Deze verzameling omvat alleen die zegswijzen die we rondom ons konden afluisteren in gewone gesprekken. We beluisterden vooral buitenmensen die niet gewoon zijn in boeken te snuisteren, maar die taalschat overerfden van ouder tot ouder. Zo kunnen we ons overtuigen dat ons Vlaamse volk zijn oude spreuken en zegswijzen nog niet heelemaal vergeten is. Het is onze overtuiging, dat er tweemaal en nog zoveel op te tekenen valt voor een wakkere zanter, die zich in bredere kring zou bewegen.
Na de lange winter verzuchten de mensen naar de eerste deugddoende lentedagen. Ze zijn er nog schaars en daarom worden ze zo zorgvuldig opgeteld.
Februari moet vier zomerse dagen geven
Maart moet er twaalf geven
Geeft hij ze niet, april staat er borg voor.
Een variante:
Sprokkel is nooit zo fel of hij geeft zijn drie zomerse dagen wel.
Vooruitziende huisvrouwen beweren:
De grote was te drogen op St Jozefsdag: ’t Is altijd schoon weer.
Men moet het lichaam stilletjes aan gewennen aan deze vernieuwde stijgende warmte. Opgepast om geen ongewenste verkoudheden op te doen:
Dat ’t alle weêr is dat ’t wil,
Ontkleed u niet voor half maart of april.
’t Is zelfs gevaarlijk lang in de wind te staan:
Je moet hier lange staan eer dat ge zweet
Ge zult u moeten verwarmen met beven.
We onthouden om eventjes uit te rusten na een lentewandeling:
Maart staat een beetje
April zet je een beetje
Mei leg je een beetje.
Ook de koekoek is die mening toegedaan, en hij roept:
Dat ’t alle weêr is dat ’t wil
‘k En roepe niet voor half april.
Met een kleine wijziging: roept al dat je wil, ‘k en kom niet voor half april.
Buitenkinderen wachten ongeduldig naar die roep om hun kousen en sokken uit te doen. Ze roepen hem na:
Koe-koek!
Bar-re-voet!
Die eerste lentemaanden zijn gekend om hun vieze kuren:
Maarte die vuile taarte
April met zijn vrieze grillen.
Algemeen bekend zijn: maartse buien en Aprilse grillen.
1n april wordt als verzendertjesdag goed in ere gehouden:
Op 1 april zendt men de zotten waar men wil. Iedereen is op zijn hoede en vraagt wantrouwend: Ja maar, is ’t geen aprilvis?
Hagel- en sneeuwbuien komen ons verrassen. Zo zegt men, bij vergelijking, van een onverwacht gebeuren:
’t Komt op gelijk de hagel.
Van jong fruit dat zere en vele afvalt: ze vallen gelijk de hagel.
Van mager, droog weer zegt men: ’t Is goêweke weêr.
Vooral landbouwers, bekommerd om hun vruchten, houden zich graag bezig met allerlei weerverschijnselen. ’t Schijnt dat boeren en molenaars weerwijs zijn. Ze zeggen nochtans:
Je moet drie keren zot geweest zijn
Eer dat ge weerwijs zijt.
Het is overbekend: een droge maart en een natte april is alle boeren hun gril.
Anderen zeggen: is een hele boerescheure vul.
Ze zijn benieuwd om te weten waar de wind liggen gaat met paasavond, want:
Waar de wind paasavond slapen gaat
Hij zit er te Sinksen nog.
En jammer genoeg als het in ’t noordoosten is.
Sommigen voegen er spottend aan toe:
Hij ligt er met jongen.
Men moet niet al te veel rekenen op schoon weer rond Sinksen.
Doelend op het te wijden water:
Er moet nog Sinksenwater vallen!
De landbouwer is ook nog al wantrouwend voor de eerste meidagen met lichte nachtvorst:
De vriesheiligen moeten nog komen.
Ze verkiezen het groeizaam regentje:
Een meiregen is een met zegen.
Klagen ze over het weer, dan blijven er nog altijd optimisten die zichzelf troosten:
Ja, ja, is er te meiavond geen gars (gras)
’t Is er te meidag!
Nochtans wordt regenachtig weder in mei geprezen;
De meie koel en wak is koren in den zak.
De groei van ’t koren wordt bijzonder nagegaan en bij gewenst weer moet het zo zijn:
In april knopen en auwen
In mei bloesem en graan
En zes weken later de pik er in slaan.
Heeft het koren een goede bloei gehad:
Het staat op een goede belofte.
’t Is erger als ’t regent binst de H. Sacramentsprocessie:
’t Wordt een slechte oogst.
En als het regent op Sinte Godelieve: ’t zal zes weken lang regenen.
Op Sint Jan midzomer en Sint Thomas, in de kortste winterdagen, past deze luimige zegswijze:
Sint Jan en wilde niet slapen gaan
Sint Thomas en wilde niet opstaan.
’t Wordt ook wel platter gezegd:
Sint Jan wilde zijn broek niet afdoen
Sint Thomas wilde hem niet aandoen.
Als ge van d’ene miserie in d’andere sukkelt:
‘k Geloof dat we in de hondsdagen zijn.
d.i. ongeluksdagen. Het volk beweert dat er gedurende die hete zomerdagen veel ongelukken gebeuren (van onweer en vooral van razende honden)!
We zijn dan in ’t hertje van de zomer,
En het is: zo heet dat de kraaien gapen.
In de oogst zijn de boeren zodanig verlaân dat er van noenedutje (oestomme) geen sprake meer is. Vandaar: de noenestond is in den eersten schoof gebonden.
Geen wonder dat er grote vreugde is, als alles kant en klaar is op het veld. De mei wordt op het laatste voer geplant en de boer trakteert het werkvolk.
Krijgen ze niets: ze pakken de haan. Van nu voortaan zijn ook de schoonste zomerdagen voorbij:
De oogst geschoren, de winter geboren.
We hebben nog altijd zekere verwachting op St. Michiels-zomertje (begin Okober).
Veel eikels en veel okkernoten voorspellen een strenge winter.
Met in oktober op Sint Baafsmesse’ valt de pacht. We geraken in het achterjaar en ’t is regenen en buischen: ’t Is echt bamesse weêr!
Najaardraden hangen overal wit bepareld tusschen hekken en hagen.
Bijgelovig wordt er gezegd:
’s Morgens geluk
’s Middags druk
’s Avonds mint
Dat ’t kobbetje spint.
Van die blijvende hangende smoor weet men soms niet wat gezegd:
De smoor is de moere van alle keere weer.
’t Kan ook een dikke smoor zijn:
Ge zoudt hem snijden met messen.
En van een vuile smoor:
’t Smoort dat ’t stinkt.
We naderen de gezellige winteravonden met allerlei kinder- en familiefeesten. Met Sinte Maartenavond smijten ze: Sinte Maarten-appeltjes.
En kort daarop peperbollen. De kinderen juichen:
Sint Niklaas heeft zijn sterretje geroerd!
Op Sinte Elooifeeste, 1 secember, gaan de boeren:
Naar de fooie bij smeden en wagenmakers.
De smidsknechten zingen:
En Sint Elooi is nog niet dood
En hij komt maar eenen keer op een jaar
Allewee Santee
Allewee Santee!
We komen in de lange winteravonden: de dagen hebben niets meer aan.
of
De dagen gaan maar meer open en toe.
Drie weken vóór en drie weken na Kerstdag zijn:
De zes donkere weken.
Al dat vóór Kerstdag vriest is geen afslag,
’t Kan ook een kwâweer vorst zijn die in regen vergaat. Ook de vriezeganzen voorspellen vorst.
Andere beweren het tegenovergestelde; als het te vroeg vriest:
De winter eet zijn zelven op.
Dat is zoveel als: ’t zal een slappe winter zijn.
In onze noorderstreken eist de kerststemming wit besneeuwde wegen en daken. ’t Is soms wel anders:
Groene Kerstdag – Witte Pasen.
Of zijn dubbelganger: Kerstdag op straat, te Pasen in huis.
‘Oud jaar uit en nieuw jaar in’ wordt nog altijd met een dolle vreugde gevierd.
Op Dertiendag gaan de drie koningen rond met de ster; en als ’t op dertiendag vriest, ’t vriest dertien weken lang.
Want het schijnt dat nu eerst de strengste winterdagen aangebroken zijn. We komen
In ’t putje van de winter en ’t is geweten:
Van Sint Antoon (17 Jan.) tot Sint Amand (6 Febr.)
Doet de winter al wat hij kan.
De mensen lopen ineengekrompen en bibberend van de kou:
– ’t Vriest hard, zulle.
Iedereen houdt er een uitdrukking op na:
– De wind snijdt door merg en been.
– ’t Is bijtende koud.
– ’t Vriest dat ’t kraakt.
– ’t Vriest kegels.
De kinderen vinden overal ijskegels, ‘lokketetten’ om aan te likken; ze halen de slede en het ijsstoeltje uit. De schaverdijnders halen hun hart op den Damse vaart. Ze rijden naar Sluis de wind op kop om zaligmakers en Jan Hagel en zijn maat (kruidkoek). Bij den terugreis hebben ze ’t beter. Ze vliegen over ’t ijs met de wind in ’t gat.
Opgepast voor bommen in ’t ijs:
Bomijs is ’t slechtste
Kraakijs is ’t beste.
Zwartkijkers beweren dat het een gevaarlijke sport is:
Die gaat van d’eerde op het ijs
En is niet wijs.
Zich uitbreidend over ander sport:
Hoge klemmers
Diepe zwemmers
En gaanders op het ijs
En zijn niet wijs.
Hoe rapper dat het dooit, hoe liever:
Een dooi die komt zonder wind
Is niet weerd dat hij begint.
Ook nog:
Een koude dooi
Is een goê dooi.
–
Magda Cafmeyer in Biekorf 45 van 1939


