Vergeet niet dat de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland nog volop woedt. De graaf vaardigt een besluit uit dat einde 1430 verspreid wordt door zijn landen van Vlaanderen, Brabant en Artesië. Hij vraagt aan al zijn vazallen dat ze hem op 6 januari 1431 zullen vervoegen ter hoogte van Sint-Winoksbergen. Het water moet blijkbaar tot aan de lippen van de hertog van Bourgondië staan, want tijdens de winter wordt er haast nooit oorlog gevoerd. Hoe dan ook: er wordt een algemeen alarm afgekondigd. De heren en de edelen sloven zich uit om massaal antwoord te geven op de vragen van hun graaf. De voorbereidende werken slepen wat langer aan dan voorzien en de planning wordt een klein weekje vooruitgeschoven.
Praten met de heer van Elverdinge & Vlamertinge
Vergeet niet dat de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland nog volop woedt. De graaf vaardigt een besluit uit dat einde 1430 verspreid wordt door zijn landen van Vlaanderen, Brabant en Artesië. Hij vraagt aan al zijn vazallen dat ze hem op 6 januari 1431 zullen vervoegen ter hoogte van Sint-Winoksbergen. Het water moet blijkbaar tot aan de lippen van de hertog van Bourgondië staan, want tijdens de winter wordt er haast nooit oorlog gevoerd. Hoe dan ook: er wordt een algemeen alarm afgekondigd. De heren en de edelen sloven zich uit om massaal antwoord te geven op de vragen van hun graaf. De voorbereidende werken slepen wat langer aan dan voorzien en de planning wordt een klein weekje vooruitgeschoven. De vier Leden van Vlaanderen, maken van die extra dagen gebruik om nog even op bezoek te komen bij Filips de Goede die na zijn verblijf in Brussel even komt afgezakt naar Gent. Ze smeken hem om geen overhaaste gewelddaden te plegen op zijn revolterende onderdanen. Ze blijven ervan overtuigd dat het beter zou zijn dat ze zelf naar hem toekomen en hem om gratie te verzoeken. Gratie en vergeving. Ondertussen gaan we even naar Ieper. Naar Robrecht van Vlaanderen. Hij is de heer van Vlamertinge en Elverdinge, en de zoon van de overleden graaf van Lodewijk van Male, van wie hij trouwens de beide heerlijkheden gekregen heeft. Robrecht is om dat ogenblik de burggraaf van Ieper na zijn huwelijk met Anastasia van Oultre, de burggravin van Ieper en weduwe van Eulaard van Poeke.
De Kasselvaart wordt afgelast
Robrecht besluit een onderhandelingspoging te starten met de rebellen en hij trekt naar Hazebrouck. De burggraaf wordt vergezeld door de proost van Sint-Maarten, de Ieperse baljuw en verschillende magistraten. Het lijkt er op dat de poging vanuit Ieper een maat voor niets zal zijn, want nog voor hun aankomst heeft de graaf al laten weten dat hij op geen enkele van de voorwaarden van de opstandelingen zal ingaan en weigeren de Casselnaars vastberaden om verdere gesprekken aan te gaan. Al snel zullen ze zich hun wat nonchalante overmoed beklagen. Ze schrikken zich ongetwijfeld een hoedje bij de aankomst van het omvangrijk leger van de graaf. De revolutionaire plannen worden inderhaast afgelast. Er is geen sprake meer van een ‘Kasselvaert’. Een schrik die overlaat in paniek. De eenheid onder de bende is meteen verdwenen. Hele bendes volk slaan op de vlucht en anderen zien geen andere mogelijkheid dan zich ter beschikking te stellen van de graaf. Filips de Goede is ondertussen al sinds 11 januari 1431 in St.-Omer waar nogal wat Casselnaars toestromen om hem hun totale onderwerping aan te bieden. ‘Le bon duc déploya une extrême sévérité’ staat er geschreven in de geschiedenis van St.-Omer. Ook Olivier van Dixmude vertelt over de reeks grafelijke vergeldingsmaatregelen en over de bijzonder harde toon die gevoerd wordt. De Casselnaars ontmoeten de graaf ter hoogte van de Nieuwe Dijk, de plek waar ze een tijd geleden besloten om klacht in te dienen bij het Parijse parlement. De mannen zijn ongewapend. Met vierduizend zijn ze. Ze houden hun handen gevouwen en dragen geen kappen en geen riemen. ‘Ils vindrent nudz pieds et sans cheinture’ lezen we in de kronieken. Nochtans is het die dag slecht en berekoud weer en hun blote voeten verzinken in de modder. Het geheel moet ongetwijfeld een hallucinante aanblik geven als de sukkelaars, sommigen onder hen sterven zelf van de koude die dag, in deze omstandigheden ootmoedig op hun knieën gaan zitten om het verdict van graaf Filips de Goede te aanhoren.
Buigen of barsten in de meedogenloze winterkoude
Meester Henri Utenhove, een ingezetene van Gent, voert het woord voor de neergeknielde mannen. ‘Of ze barmhartigheid kunnen krijgen voor hun wandaden?’ Vergeving voor hun misdaden tegen de goede mensen van Cassel-Ambacht en vooral tegenover hun zeer geëerde graaf, zijn rechters en zijn officieren. Ze smeken om vergeving en ze leggen hun lijven en goederen in de handen van hun goede graaf om hiermee hopelijk het vertrouwen te herstellen. André de Toulongeon en meester Jean Tarent, allebei dichte medewerkers van de graaf, zijn goed op de hoogte van wat er allemaal voorgevallen is, en vragen op hun beurt dat Filips wat schappelijk zou zijn met zijn straffen. Voorts komen de nobelen en de afgevaardigden van de vier Leden van Vlaanderen één voor één op hun knieën neerzakken voor hun graaf. De ene smeekbede na de andere. ‘Kan hij dan echt geen gratie geven aan de mensen van Cassel-Ambacht?’ Ook de abten van Sint-Bertinus en Clairmarais en nog meer schoon volk nemen het op voor de simpele zielen die daar staan te klappertanden in de winterse kou. Filips neemt uiteindelijk het woord. Hij wil de zaak op een fatsoenlijke en snelle manier afronden. De opstandelingen hebben een aantal gijzelaars als borg voor verdere vrede aangeboden. De graaf vindt hun aantal onvoldoende en wil meer gijzelaars. En daarbovenop wil hij alle beloften op papier. Nu komt het openbaar ministerie op de proppen met de lijst van misdaden die op de kerfstokken staan. Het is een hele waslijst. De inwoners van Cassel-Ambacht hebben de wet genegeerd en zich onbetamelijk gedragen tegenover de heer en zijn medewerkers.
Amnestie ja, maar met een pak voorwaarden
Ze hebben zich bewapend en opruiende meetings georganiseerd. Ze hebben het aangedurfd om mensen die trouw bleven aan hun graaf, uit hun huizen te verjagen. Hun kastelen ingenomen en hun eigendommen verbrast. Ze hebben de veiligheid van de streek aangetast en grote schade aangebracht aan de eigendommen van de graaf. De opsomming van de ‘méfaits et villenies’, de slechte wil van de Casselnaars, gaat haast eindeloos verder. Hun soeverein, natuurlijk staatshoofd over Vlaanderen, heeft het noodzakelijk gevonden om de vrede in zijn land van Vlaanderen te bewaren en om zijn autoriteit te herstellen. Hij heeft zich moeten herbewapenen om zijn persoonlijke eer te doen herstellen. En dat heeft allemaal veel financiële middelen gevergd van zichzelf en van zijn onderdanen. Het is dan ook logisch dat de Casselse lijven en eigendommen aangeslagen worden. De graaf neemt opnieuw het woord. Uit respect voor God en uit liefde voor de gravin, zijn echtgenote, zal hij een fair oordeel vellen. Hij wil dat ook doen voor de edelen en de gedeputeerden van Vlaanderen en van Artesië. Hij spreekt van zijn gevoelsmatige affectie met zijn land van Vlaanderen en voor zijn onderdanen. Als heer en meester is hij bereid gratie te verlenen aan de delinquenten hier voor hem in de modder. Hij hoopt dat ze de rest van hun dagen trouwe en gehoorzame onderdanen zullen blijven en dat ze zich nooit ofte nimmer nog zullen inlaten met geweld. En dan komt het uiteindelijk. De amnestie kan er komen als de Casselnaars zich akkoord verklaren met een reeks voorwaarden. We houden ons hart vast.
Hoe moeten ze hun leven nu opnieuw aanvatten?
Eerst en vooral moeten de geconfedereerden binnen de drie dagen al hun wapens binnenbrengen bij het kasteel van Motte-au-Bois waar een inventaris zal worden opgesteld. De verbanningen die een tijd geleden werden uitgesproken door de Raad van Vlaanderen, blijven gehandhaafd. Wie zich niet gehouden heeft aan die verbanning, thuis gebleven is op het platteland en zelfs binnen de stadsmuren van Cassel, krijgt een extra straf. Er is voor hen geen plaats in Vlaanderen, Brabant en Artesïe. De mensen die wel vertrokken zijn, moeten de rest van hun periode wegblijven uit Vlaanderen, maar ze behouden wel de gratie van hun heer. Hoe moeten ze hun leven nu opnieuw aanvatten? De graaf zwaait ermee om hen later nog bijkomende eisen op te leggen, maar dat hij zich zal onthouden van wraakzucht en zal proberen geen schade te berokken aan de stad en de omgeving van Cassel en dat hij hieromtrent te allen tijde overleg zal plegen met de adel en met de Raad van Vlaanderen. Filips van Bourgondië trekt nu effectief zelf naar Cassel. Met in zijn spoor de leden van de Raad en een grote schare gewapende mannen. Onmiddellijk na zijn aankomst in de stad laat hij vijf of zes oproerkraaiers die geen amnestie hebben gekregen, onthoofden en op het rad plaatsen. Geschiedschrijver Meyer spreekt onder andere van Arnold Kieken en Jacques Lotten. 300 anderen, vooral diegenen die zich verscholen hebben in het kasteel van Motte-au-Bois, worden nogal discreet opgepakt en als gijzelaars weggeleid naar St.-Omer, Arras en Aire aan de Leie. Boudewijn van Bavinchove, de auteur van de brief aan het parlement, verliest al zijn eigendommen. Wat zou hij er trouwens nog mee doen? Hij ziet zich veroordeeld tot een levenslange opsluiting in de gevangenis van Douai. De graaf trekt nu naar Ieper waar de uit Brussel afgereisde gravin hem komt vervoegen. Hier beslist hij om een onderzoekscommissie in te stellen om het geheel van de feiten aan een onderzoek te onderwerpen.
Dit fragment maakt deel uit van deel 4 van De Kronieken van de Westhoek –


