Als men honger heeft, smaakt het eten nog zo goed: ‘Honger is de beste saus.’ Om te zeggen dat men honger heeft: ‘Mijn beer begint te grollen’, of ‘Mijn merelare schuifelt’; ook nog: ‘’k Zie ze vliegen.’
- Wie gaarne goed eet ‘houdt van een goed beetje en de mul’.
- Om een goed beetje te krijgen moet de hond op de achterpoten gaan staan, en de meester beveelt: ‘Bid voor de bitjes’.
-
Als men honger heeft, smaakt het eten nog zo goed: ‘Honger is de beste saus.’
-
Om te zeggen dat men honger heeft: ‘Mijn beer begint te grollen’, of ‘Mijn merelare schuifelt’; ook nog: ‘’k Zie ze vliegen.’
-
Wie honger heeft klaagt: ‘’k Ben scheel (of wroed) van den honger’; of erger: ‘’k Ben dood van den honger.’
-
Om te zeggen dat men danige grote honger heeft: ‘’k Heb honger gelijk een peerd’; ‘’k Zou een peerd zijn rik (rug) uiteten’; ‘’k Zou de muren opklimmen van den honger’; en ’t ergste: ‘’t Zou enen de kop afbijten.’
-
Kinderen mag men niet laten ‘hankeren’: ‘Ze zouden u het eten uit de mond halen’; of ‘Ze zouden kunnen een verwaaidheid krijgen.’
-
Wie te lang heeft moeten op eten wachten, zegt: ‘Mijn honger is ingeslegen.’
-
Men kan ook: ‘Den heten of valschen honger hebben’.
Wie daar onderhevig aan is, moet altijd een stukje beschuit op zak hebben, want met een ‘bete’ is die honger gestild.
- Naar ditjes en datjes vragen is teken: ‘dat men lekkeren honger heeft’.
-
En als men hoegenaamd geen honger heeft: ‘’k Heb maar zoveel honger als de zee dust (dorst).’
-
Dan wordt ge aangemoedigd: ‘De honger komt al etende’; of ‘Zien eten, doet eten.’
-
Of ze presenteren u iets anders te eten: ‘Verandering van spijze is nieuwen appetijt.’
-
De gezondheidsregel zegt: ‘’t Is beter geëten of bedde versleten.’ Anders uitgelegd: ‘Beter aan den bakker of aan den apotheker.’
-
Zij die geen honger hebben ‘eten met lange tanden’, ’t Zijn ‘kneeuwelaars’ of ‘teeuwelaars’; te Abeele zijn het ‘diwelings’.
-
Kinders die hun telloor niet uiteten ‘Laten een poeze staan’. Te lande kijft moeder: ‘’t Is maar een slecht verken die zijn bak niet uit ’n eet’.
-
Willen ze aan tafel dit of dat niet eten, dan dwingt vader: ‘’t Is hier eten dat de pot kookt’.
-
Volwassenen durven ook het eten beknibbelen: ‘’t Smelt in je mond gelijk zakkebanden (groenten die nog hard zijn)’; ‘’t Is kiekenteten (al kiepkap)’; ‘’t Is al miekmak (soorten van restjes)’; of ‘’t Is in kurremul gekookt (smoes)’; of walgend: ‘’t Is kattebraaksel’; ‘’t Is rattatoe’ (van uitzicht); ‘’t Is rattevergif’; ‘’t Is zwijnseten’ (naar de smaak).
-
Tegen vieze kinderen zeggen ze: ‘Leg er je kop bij, ’t zal hoof(d)vlakke zijn’; nog anders: ‘Leg er je kop bij, ’t zal hutsepot zijn’.
-
Hutsepot wordt nog graag geëten, vandaar: ‘Moeder schept uit, ’t is hutsepot!’ Zitten er in die stamppot van aardappelen en groenten niet te veel zwijnsvellen, ‘rikkebeentjes’, ‘poot of oor’, dan klaagt men: ‘Hutsepot met lange toten, letter vlees en veel karoten’.
–
Uit ‘Biekorf ‘ van 1953


