Hê fikkelt. – Hy bederft; hy snydt kwalyk.
Hê foefelt. – Hy doet verkeerdelyk.
Hê gonk deure. – Hy ging weg;
Hê gynk up de leere. – Hy klom op de ladder. –
De dood op getepoten (graatmager)
Met een poot in de pit zijn (heel erg oud zijn)
Te dom om dood te doen (niet zeer snugger)
bluuft julder wegen goan
kop in de lucht, vor niet beducht
Durft! En je bluuft bestaan!!!
Als men honger heeft, smaakt het eten nog zo goed: ‘Honger is de beste saus.’ Om te zeggen dat men honger heeft: ‘Mijn beer begint te grollen’, of ‘Mijn merelare schuifelt’; ook nog: ‘’k Zie ze vliegen.’
Je kunt een gat in je kous hebben, je kunt een gat in je kop hebben, je kunt een knoopsgat hebben, je kunt in een verlaten gat wonen, je kunt al een gat in een hoop kolen zien, de wind kan uit het verkeerde gat waaien, je kunt een pint in een zwelg door je keelgat gieten, je kunt je vrouw in de gaten houden en ’t gat (bodem) van je bloempot kan zelfs uitvallen.
Het is verkeerd te menen, dat de volkstaal eenvoudig is, omdat ze de verfijning van de cultuurtaal mist. De volksmens zelf is veel minder eenvoudig dan hij op dichterlijk romantische wijze voorgesteld wordt. Hij houdt een taalvuurwerk in voorraad en wendt het aan als een schitterend scherm, waarachter hij zijn verlegenheid of machteloosheid verbergt.
Iedereen is overtuigd dat hij raad kan geven, maar niet altijd overtuigd dat hij raad moet aanvaarden.
Wat doe je met het vel en het geld?
Eerst het vel afstropen.
Wat doe je met dat vel?
Een beurs maken.
‘z Is blamot ètingeld’ – Overdreven geliefkoosd worden.
”t Is ze rechter ’n oarme’ – Het is zijn bijzonderste steun.
‘ ’t Go wel mien tied doen’, zegt de filosoof.
‘Os de ’n hemel volt, liggen w’ol d’roendre’ – Laat de zaak op haar beloop, wij kunnen er toch niets aan veranderen.
‘Leven en loaten leven’, was de leuze van de vroegere bewoners van ’t Ambachtstraatje.
Dat waren de namen van de ijzeren beelden die eertijds te Kortrijk de ure sloegen op de Hallentoren, en, na de slag van Westrozebeke, door de Fransen weggenomen, op onze vrouwe toren te Dijon geplaatst werden, waar ze nog staan onder den naam van Jacquemart et sa femme.
Hoe meer je gaat mijmeren over ons dialect in de Westhoek, hoe meer je in bewondering gaat staan voor dat subtiele spel van woorden, spreekwoorden en uitdrukkingen.
Karel of keerle betekende eertijds een grote kloeke manspersoon, ’t geen wij nog noemen `met een woord dat tweemaal ’t zelfde zegt, een manskerel.
+ E’twieën ze toenge pelen (uithoren).
+ Z’et è karpeltoenge (ze heeft een spraakgebrek)
+ ’t Vier in je roeper hèn (dorst hebben)
+ De zottigheid is ’t land meêstre.
+ ’t Is beter in de gazette te stoan of in de regen.
+ Dronk’e zeid is nuchtr’e peisd.
Wat betekent heuge eigenlijk in de spreekwijze ‘heuge tegen meuge’, of ’tegen heuge en meuge’?
De drankzucht ligt aan de basis van menig Veurns gezegde, maar wie niet eenmaal in zijn leven dronken is geweest, werpe de eerste steen.
‘Van o je sprikt je moend gaat open’ – Al uw verlangens worden schijnbaar ingewilligd.
‘ ’t Is oed vuul’ – Oud nieuws dat terug wordt opgerakeld.
‘ ’t Is è schete in è netzak’ – De zaak wordt deerlijk opgeschroefd.
Gezegden betreffende een vrouw met een weelderige boezem:
‘ ‘z E d’è ferme balkon’.
‘ z Is wel besteld’.
‘ ’t Is volk in de stoache’.
Een sulfertje in tien en een pintje in een teugje: spaarzaam aan een kant, verkwistend aan de andere.
Hier è liestje met ol verschillige naamn die de menschn an è vrommens durven geevn:
‘Van ze stokken droaien’.
‘Van ze suus vollen’.
‘E n’appelflauwte krieggen’.
‘E sperke van de slunseziekte èn’
Het woord ‘stront’ klinkt hard en getuigt binnen de meeste kringen van weinig tact. Daarom heeft de volksmens een uitgebreide reeks vervangwoorden bedacht, die worden opgediept in speciale omstandigheden (bijv. bij het bezoek aan een dokter) of die enkel door een groep ingewijden worden begrepen.
Van zuiderse aardappelen (uit lichte zandstreek, zuidelijk gelegen) zegt men minachtend: “t is een flauwe patat – ’t zijn telzakken – ’t zijn snotzakken – ’t zijn waterzakken – ’t water staat in hun ogen – ze schremen – ge moet er geen saus bij hebben – ’t zijn zwijnspatatten’.
Je moet je vijanden beminnen, maar je moet er geen koeken voor bakken
‘E zit mi ze kop in ze schoôt’.
‘E zit in de patatten’.
‘E leeft tegen ze goeste’.
+ ’t Goa gelik è Iiere mè è wrange (= ’t gaat vlot)
+ E ging moeten mostaard eten (= geld verliezen)
+ ’t Es niet van minnegeers’ goud (= ’t is echt)
+ Aolvoed = tot de feite (tot straks)
+ Geeft de boffer e brood, de klager en e geen nood
+ A je van ezel peird bedriegt, je ziet een droef beestje om te smieten.
‘E ku nog nie olleene pissen’.
‘E kakt nog groene’.
‘E ’n hangt nog an moeder’s schorte’.
Prullen: prulde, heb gepruld, o. w. Beuzelingen vertellen, schertsen, leugens verdichten om te lachen, ijdele praat verkopen. Hij is bezig met te prullen. Hij prult graag, maar ik hoor hem niet graag prullen. Hij verdriet mij met zijn prullen. Dat prullen verveelde haar. Hij prult wederom.