Veel vuurpotten waren te vinden in Frans-Vlaanderen. Het is alleen daar en in West-Vlaanderen dat men de vuurpot nog schijnt te kennen. Op de schoorsteenbank in de herberg ”t Oud-Wethuys’ in het openluchtmuseum Bachten de Kupe in Izenberge staat een vierpot.
Anno 1520, op de 25ste juli, toen keizer Karel binnen de stad van Ieper was, geschiedde er hier een kluchtig voorval. De keizer had horen praten over de waardin van herberg ‘Den Engel’, staande aan de zuidzijde van de grote markt naast herberg ‘De Valk’. De naam van deze waardin was Elisabeth Quaetjonk, weduwe van Louwen Vertrek in de wandeling ‘Kwaabette’ genoemd.
Wonderdokteurs, wel jongen, Burgrave (Deburgrave), dat was een. Dat was een geestelijke die zijn kap over de haag had gesmeten en dat was een dokteur.
Boerinne, ‘k’n kan niet meer. De boerin hoort diepe, lastige snikken en ziet Fluppe voort trakelen, de poort uit. Ze weet niet waar het haar houdt en ze schreeuwt lijk een kind. ’s Anderendaags komt Fluppe niet terug en de boer gaat naar ’t woonstje
Het was een goede pastoor van te lande, die koornlawerken kweekte en nogal struislawerken. Het was zowat een vriend van den huize want hij verplichtte zijn zuster en zijn meid van bij mijn moeder hun kleren te laten maken.
Ik heb daar eens over geprakkezeerd en mij dunkt het dat een mens voor niets meer redenen vindt dan om te drinken. Waarvoor drinkt men zoal?
Karel de Blauwer vertelt hoe hij op een nieuwjaarsavond op de kommiezen liep. Hij was de grens over geraakt met honderdentien pond tabak. Op een kilometer van Kwaadieper-dorp stopt hij bij een hoeve. Hij is moe en wil er even rusten.
M’ hoort soms de menschen al ‘en keer ruttelen tegen dit en pruttelen tegen dat; en dat ze niet verstaan ’n kunnen waarom op Godswereld dat er moeten luizen bestaan en vlooien, en mieren en muggen, jandorie!
Petrus Vraeghe, Pier Paelinck in de wandelinge, was de jongste uit een bende van acht. Broers en zusters waren allemaal uitgetrouwd en voor hun eigen.
Boertje Pé, die op een klein gedoenselke woonde, kwam zijn vrouw te verliezen. Ze was nog niet koud, toen meneer de pastoor reeds ten huize kwam.
Een boer, die aan de oever van een rivier woonde, had grote bezittingen. Men zag er paarden, koeien, schapen en vele geiten, ganzen, allerlei varkens, hanen, kuikens en meer van dergelijke beesten. En hij had de leiding over knechten en meiden, want er was daar in huis veel te doen.
Op een zomerdag volle zonne van ’t jaar Onzes Heren 1350 rijdt de eerste burgemeester van Brugge over de Steenstrate, verder de Brugse Heerweg genoemd, naar de hoge heuveltop van Aartrijke. Hij zit te monkelen van kontentement. Want hij ziet Aartrijke geerne. Het is zijn familiedorp. Hij heet immers Simon van Aartrijke.
Het verhaal dat volgt, hoorde ik vertellen van mijn grootmoeder· Melanie Peperstraete-Candaele. Ze woonde waar miJn zus Maria nu nog woont: Nieuwstraat 11, Westvleteren, op de Vijflijnenhoek, in de volksmond ook Bukhoek en Gilven Henhoek geheten.
Toen ik in 1941 na gedane studies naar huis terugkeerde, hadden mijn ouders een pensiongast opgenomen. De jongeman in kwestie was een militair in vast verband die na enkele weken krijgsgevangenschap, zoals tal van zijn collega’s, ergens op een rantsoeneringsdienst werd geplaatst.
M’ hoort soms de menschen al ‘en keer ruttelen tegen dit en pruttelen tegen dat; en dat ze niet verstaan ’n kunnen waarom op Godswereld dat er moeten luizen bestaan en vlooien, en mieren en muggen, jandorie!
’t Begon te donkeren en Bruintje Berlaert, een oude boswerker, kwam van den Torrebusch gegaan nar huis tewege.
Mijn beste lezers en lezeresjes, wat vliegt de tijd toch pijlsnel vooruit. Nog rapper dan een sneltrein! En zeggen dat we terug in de herfst zitten, de tijd van de vallende bladeren en de lekkende neuzen. De tijd waarin moeder de vrouw ’s avonds begint met een warme pull-over te breien voor de komende winter. In mijn huishouden zitten ze allemaal met een verkoudheid, de neusdoeken, gaan ne gang
Het onderstaand verhaal herinnert Daniël Dufloo zich van zijn moeder die het hem dikwijls verteld heeft. Als toemaat volgen nog een tweetal typeringen van hoofdvertolkers uit ‘De Engelse processie’.
Men kan denken dat de Muizevalle op het Frezenbergje er van meedeelt. Hele gezelschappen trekken naar daar op, ook kan men daar een lekkere beet ingelegde vis vinden aan zeer gering prijs. Maar er zijn nog mensen die hun voorraad meenemen omdat ze niet graag vreemde kost eten, en ….het is ook ….goedkoper.
Pasterke Wyseur mocht eens mee met vliegmachientje van meneere Allays en er mocht nog een tweede man mee. Wyseurke vroeg zijn kapelaan mee en ze waren de lucht in.
Er was eens een arme weduwe. Zij woonde met haar enige zoon alleen. Die jongen was nu een dief gelijk er niet veel lopen in de wereld. Hij stal al wat er aan of roerende was. Zijn moeder had daar veel verdriet in
Er was eens een gezin met twaalf jongens en er kwam een dertiende bij. Dat kind groeide of bloeide echter niet. Zijn vader werkte bij een boer en hij pakte hem altijd mee in zijn onderlijfzakje.
Daar waren ne keer twee soldaten, Crabbe en Sparre, die te oud waren om nog in het leger te dienen en te lui om te werken. Daarom gingen zij bedelen; maar ze werden omtrent overal slecht ontvangen; ze en kregen bij kan niet: men zei hun dat ze kloek en gezond waren en maar en moesten werken om de kost te winnen
’t Is stief lange geleên. In de kleene Kaaistrate met al die dood-ouderwetsche dutsen van huizen stond een oud oud kot van een huus.
’t Waren slechte boerenjaren en een boer van ‘De Brabant’, een wijk te Poperinge, hing aan de balie. Ze waren zwart van d’armoe en een gebuur zou een zwijn gaan stelen.
Onderstaand verhaal vonden we in een tijdschrift dat de naam draagt Durendal. In de jaargang van 1903 verscheen er onder de titel ‘Le Gris de Poperinghe’ onderhavig verhaal. Bizar, dat wel. Maar waarom juist Poperinge? We weten het vooralsnog niet. Heeft het wel iets te maken met Poperinge, behalve zijn titel?
Romme had geen rijkdom gekend. Ze was haar hele leven lang meid geweest op de Heerlijkheid en had er al het wel en wee meegemaakt. Van haar schamele ouders had ze niets meegekregen, behalve gezond verstand en een gouden hart.
Sinds een paar jaar bezit de gemeente Godewaarsvelde, gelegen aan de voet van de Katsberg, naast Miel de Trommelaere, een tweede reus: Degrar I.
Alreeds ben ik het geware: ‘k zal moeten beginnen met uitleg te geven deur ‘k zie er als meer al eene, die zijne oogen wagenwijd opentrekt, als hij ’t opschrift leest. Als de hommel geplukt is, ze en kan niet groene blijven, en daarom voert men ze naar de keete om er gedroogd te worden.
Mens! Welk een weelde van kramen en -venters. Stoffen met gehele hopen: ‘ Drie ellen voor nen frank’ – Kramen met stokvis, rogge en haring: ‘Verse vis, verse geernaarts … ‘ – ’n Tapijt uitgespreid op de grond, met ’n hele vracht sigaren: Vijftig frank voor nen bak! Vijf en veertig! Veertig! Vijf en dertig frank!